In zijn voorwoord bij dit op voorhand interessante boek meldt Slijper dat, we wisten het al, Thomas Mann de Eerste Wereldoorlog enthousiast ontving en hij voorzag het Duitse geweld van een culturele rechtvaardiging. Gelukkig kwam hij hier later op terug maar voor een Duitse intellectueel is dit natuurlijk een doodzonde. Dit voorwoord schetst overigens in zeer heldere termen de verhoudingen in Europa, vlak voor de Grote Oorlog. We nemen reuzenstappen maar daardoor behouden we ook het overzicht. Het blijft bizar dat men overal in Europa dacht dat een eventuele oorlog niet lang zou duren. Niemand wist waarop dat gevoel stoelde en men zou zich deerlijk vergissen.
Voor Mann was het radicale en gewelddadige van een oorlog gerechtvaardigd omdat de beschaafde samenleving in zijn ogen verrot was. Mensen als Mann en zeker ook de pers bedienden zich vaak van religieus taalgebruik zoals verlossing, kruistocht en wedergeboorte. Het Duitse volk kon door de oorlog, zo meende men, weer een organische eenheid worden. Filosofen, theologen en literaire auteurs zagen de oorlog als ‘Kulturkrieg’ waarin de Duitse ‘Kultur’ moest worden verdedigd tegen de ‘Zivilisation’ van de Fransen en de Britten.
Hoe kon het toch gebeuren dat zowat de hele culturele elite van Duitsland dweepte met de oorlog? Eén van de redenen volgens Slijper was het feit dat de meeste van die auteurs de gruwelen nooit te zien kregen. Zo ook Mann die op durfde te schrijven “Duitslands hele deugd en schoonheid ontvouwt zich pas in deze oorlog.” Thomas twijfelde aan democratie, Heinrich niet: “Maar democratie, wat betekent dat? Uiteindelijk niets anders dan wat cultuur ook zou moeten betekenen: zorg voor de mensen, de waardigheid en het geweten van allen.” Beide broers braken met elkaar voor een periode van zeven jaar.
Het heeft er alle schijn van dat de pers in de meeste landen maar al te gretig bereid was het nationale standpunt te vertolken en verdedigen. Een onafhankelijke pers leek in die jaren niet te bestaan.
Dan komen we aan bij het hoofdstuk over Paustovski en Roth, twee van mijn grote literaire helden en ik krijg onmiddellijk zin om Paustovski opnieuw te gaan lezen of tenminste ‘Onrustige jeugd’. Ik ben een bewonderaar van Paustovski. Na zijn dood werd in een la van zijn schrijftafel deze notitie van hem aangetroffen: “Wij hebben gewoond op deze aarde, geef haar niet uit handen aan verwoesters, laag volk en leeghoofden. Wij, als erfgenamen van Poesjkin, zullen daar rekenschap en verantwoording over moeten afleggen”. Het lijkt er niet op dat de mens zich erg veel van die omineuze woorden aantrok.
De rode draad in dit boek wordt gevormd door de vriendschap tussen Romain Rolland en Stefan Zweig. En Slijper laat helder zien hoezeer ook de antagonisten van dit boek worstelen met de vraag of een individu zich mag onttrekken aan het sociaal contract dat een staat oplegt aan haar bevolking. Dat immers is de uiterste consequentie van de democratie. Dat een individu hierdoor in gewetensnood kan komen is evident.
En Rolland laat zijn hoofdpersoon Jean-Christophe zeggen: “De politici zijn bezig met zich te verrijken en interesseren zich alleen voor proletariaten die ze kunnen kopen. De mensen doen geen moeite meer. Enkele miljoenen maken zelfs geen gebruik van hun kiesrecht. Laat de partijen elkaar de kop maar inslaan, het volk heeft er geen boodschap aan, zolang de vechtjassen maar niet zijn akkers komen vertrappen.” We zijn meer dan honderd jaar verder nu en niets opgeschoten! En Joseph Roth zou schrijven: “Ik geloof helemaal niets meer. Ik kijk door een vergrootglas.” En Paustovski leerde na zijn aanvankelijk enthousiasme over de revolutie al snel dat revolutie “voorlopig noch de haat, noch het wederzijds wantrouwen uit de weg had geruimd.” En Zweig verzucht: “Al vier jaar lang offert Europa miljoenen mensen voor een paar ideeën. Is het nu geen tijd dat er een paar ideeën worden opgeofferd omwille van miljoenen mensen?”
Europa had medelijden met zichzelf maar Tagore zag het scherper: “De Europese beschaving is een vernietigingsmachine. Ze verteert de volkeren die ze verovert. Ze roeit de rassen uit die haar triomf belemmeren. Het is een kannibalistische beschaving, die de zwakken onderdrukt en zichzelf verrijkt ten koste van hen. Ze zaait overal jaloezie en haat, ze verspreidt een leegte om zich heen.” En nog heden ten dage zijn er legio die van excuses niets willen weten! Maar Tagore doorzag de wereld, de mensheid. Hij was een ziener.
De oorlog loopt ten einde als de ijzervreter Ludendorf zich realiseert: “We hebben de grenzen van onze capaciteiten bereikt. De oorlog moet worden beëindigd.” Maar Zweig vertrouwt het niet: “Aan de horizon is een rode gloed te zien: is het de nieuwe dageraad, of is het de weerspiegeling van een enorme brandstapel, waarop onze cultuur tot as verbrandt?” Het zijn dit soort bespiegelingen die Zweig tot een groot literator maken. Hij voelt haarfijn aan dat Europa nog lang niet klaar is met zichzelf en dat komt in belangrijke mate door ons onvermogen tot introspectie. Zweig was gevoelig genoeg om dat aan te voelen.
Hoe anders dan Thomas Mann die volhardde in een merkwaardig soort nationalisme als hij in zijn dagboek oreert: “Wil men de hele historische en culturele ervaring er bij ons uitdrijven, opdat wij onze plaats innemen in de rij van democratische landen?”
En Proust hoopte op “een vrede die in niemands hart rancune achterlaat.” Maar die hoop werd de bodem ingeslagen toen de geallieerden besloten de Duitsers te vernederen. Joseph Roth voelde al snel aan dat een nieuwe, nog verschrikkelijker oorlog onvermijdelijk was: “We hebben net z’n allen de wereld overschat, zelfs ik, de grootste pessimist aller tijden. De wereld is zeer, zeer dom, beestachtig. Een ossenstal is slimmer.”
Schokkend is de zelfmoord van Ernst Toller op 22 mei 1939 in New York. Ik wil beslist zijn Jeugd in Duitsland lezen. Vijf dagen later, op 27 mei 1939 drinkt Joseph Roth zich dood in Parijs. Amper drie jaar later, op 23 februari 1942 beneemt ook Stefan Zweig zich het leven.
Bart Slijper schreef een meeslepend boek. We moeten dit soort verhalen blijven lezen. Onze wereld is extreem ongezond in talloze opzichten. En even zo gevaarlijk bovendien. Ook nu zien we wereldwijd extreemrechtse tendensen en er is geen enkele aanwijzing dat deze trend spoedig gekeerd zal worden. Waarheen zijn wij op weg? Zeg het mij als u het weet. Me dunkt, er is geen enkele reden tot hoop, tot optimisme, tot gerustheid.
Enno Nuy
Oktober 2026