Enkele maanden geleden verscheen in de NRC een artikel van de hand van W.B. Drees onder de titel “Het is beter een agnost te zijn dan een atheïst met zijn kop in het zand”. In dit artikel betoogt Drees dat de atheïst iemand is die zijn kop in het zand steekt en op filosofische en morele gronden zich als een agnost zou dienen te presenteren. De grondslag voor deze stelling vindt Drees terug in de theologische positie dat God gezien wordt als de oorzaak van de natuurlijke oorzaken en uit dat theologisch postulaat is volgens schrijver af te leiden dat religieuze en wetenschappelijke verklaringen goed te combineren zijn.

“De atheïst onderschat niet alleen de mogelijkheid om natuurwetenschappelijke verklaringen binnen een religieus kader te accepteren, hij overschat ook de reikwijdte van wetenschappelijke verklaringen, alsof die alles verklaren” stelt Drees. Dat is een merkwaardige zin. Hij zegt hier zoveel als: wij kennen niet alle antwoorden op alle vragen en omdat wij niet alle antwoorden kennen mogen wij ons tegenover dat niet-kennen, dat niet-weten ten hoogste verhouden als agnost, als niet-weter.

Met andere woorden: omdat het bestaan van God bewezen noch ontkend kan worden en omdat we op vele vragen geen antwoord hebben, ware het beter voorlopig maar het zekere voor het onzekere te nemen en de mogelijkheid van het bestaan van God niet a priori te ontkennen. Terecht stelt Drees dat de wetenschap, naar haar eigen aard, geen antwoord heeft op de vraag: waarom is er iets en niet niets? Dergelijke grensvragen zijn qua vorm wel afhankelijk van de wetenschappen, maar worden gesteld ‘bij de grenzen’ van de wetenschap zonder dat de wetenschap antwoord kan geven. Hij haalt een discussie aan tussen Bertrand Russel en father F. Copleston waarin de atheïst Russel stelt dat uit het feit dat iedereen een moeder heeft niet kan worden afgeleid dat er iemand is die moeder van alle mensen is. Drees riposteert dat we volgens Russells redenering geen bewijs hebben voor het bestaan van een schepper, maar dat diezelfde redenering ertoe leidt dat we ook geen bewijs hebben voor het bestaan van een ultieme natuurlijke oorzaak.

Waar gaat het hier om? Wij weten dat het heelal is ontstaan uit een oerknal en dat wij ons lichtjaren ver verwijderd weten van dat merkwaardige moment. Eerst was er niets en opeens ontstond een heelal met melkwegstelsels, zwarte gaten en planeten. We kunnen ons in het geheel niets voorstellen bij de gedachte dat uit niets iets kan ontstaan. Ook weten we dat het heelal uitdijt en dat dat vermoedelijk nog wel eens heel erg lang zou kunnen voortduren. Wat er gebeurt wanneer het heelal niet langer uitdijt, dat weten we niet. Er zijn theorieën die stellen dat het heelal daarna een inkrimpende beweging zal gaan vertonen.

Ook hier kunnen wij ons in het geheel niets bij voorstellen. Als het heelal uitdijt, dan is er buiten het heelal dus iets waarin zich dat heelal bevindt. Die gene zijde, hoe moeten we die duiden? We weten het niet. Sterrenkundigen, natuurkundigen en kosmologen hebben veel van de mysteriën weten te ontrafelen maar in essentie zijn we – zo stel ik als doodgewone sterveling –  nog niet veel wijzer geworden.

Een gelovige kan, met Russell, – zo stelt Drees – erkennen dat we geen bewijs hebben over de bron van het bestaan, en in die zin agnost zijn. Dat God de wereld heeft geschapen, is geen verklaring van de wereld maar een uitdrukking van verwondering over het bestaan. De atheïst kan wel pretenderen een antwoord te hebben, maar doet niet veel anders dan de kop in het zand te steken en de vraag te ontkennen.

Dit laatste nu lijkt mij een typisch voorbeeld van Umwertung aller Werte. Drees stelt dat de atheïst de vraag naar de bron van het bestaan niet stelt en aldus het bestaan van God kan ontkennen. Hoe nu? Ik ken mijzelf en beschouw mij als een atheïst en als er één vraag is die mij bezig houdt, is het wel die naar het iets uit het niets. Inderdaad, antwoorden heb ik niet maar ik kan er, opgeleid door katholieke priesters en wel thuis in het christelijk gedachtegoed, maar niet toekomen de godsidee voor een zinvol postulaat te houden.

En was het maar zo dat het Scheppingsverhaal niets anders doet dan uitdrukking geven aan de verwondering over het bestaan. Ik vrees dat Drees de geschiedenis niet kent, die van destijds noch de contemporaine. Deze wereld dreigt ten onder te gaan aan hen die het vrijwillig afzien van de Godsidee als een verderfelijk kwaad zien. Koran en Oude Testament zijn volstrekt helder over het lot van de ongelovige.

Drees’ redenatie is wel heel simpel: omdat de wetenschap niet alle intellectuele vragen kan beantwoorden past ons een agnostische houding; omdat het bestaan van God bewezen noch onbewezen is, is het niet wenselijk zich als een atheïst te manifesteren. Dit nu is klinkklare nonsens. Drees onderbouwt zijn betoog verder met de volgende passage: “…Maar daarmee is nog niet gezegd dat wetenschap alle intellectuele vragen kan beantwoorden. Bij doorvragen blijkt er een horizon van niet-weten. Daarom past in dit opzicht een agnostische houding. We kennen de uiteindelijke grond van de werkelijkheid en haar wetmatigheid niet. Maar een agnostische houding betekent, wat mij betreft, niet dat alles maar kan. Er wordt veel onzin geloofd, en daarom past scepsis ten aanzien van wereldbeelden. Maar terwijl er bij de agnost speelruimte bestaat voor verschillende visies, kan de atheïst over de laatste vragen alleen maar de schouders ophalen”.

Precies achter deze laatste zin gaat schuil waar het betoog van Drees uit de bocht vliegt. Ik keer terug naar mijzelf, zelfverklaard atheïst. Wie is Drees wel niet dat hij denkt te mogen beweren dat ik die laatste vragen met schouderophalen negeer? Het tegendeel is waar en ik zou nog wel verder durven gaan: wie het antwoord op de laatste vragen afdoet met God, Allah of welke andere schepper dan ook, die ontneemt zichzelf de mogelijkheid tot eindeloze verwarring en verwondering over gene zijde, het einde van het heelal, het iets in niets. Daar verdwijnt de wil, de noodzaak tot verder onderzoeken want het Alomvattende antwoord is al geleverd, ons bij geboorte al meegegeven: onze religie.

Neen, Drees maakt hier een geweldige denkfout. Het antwoord op de laatste vragen niet te weten, voorlopig niet te weten, misschien wel nooit te zullen weten kan op geen enkele wijze leiden tot de stelling dat de atheïst het bij het verkeerde eind heeft. Dat is in filosofische noch morele zin vol te houden. Ook op de morele component gaat Drees dieper in, getuige de volgende passage: “ Ook in moreel opzicht zouden we agnostisch moeten zijn, in die zin dat het ons mensen niet gegeven is om moraal uit heilige geschriften af te leiden. We zijn maar mensen. Maar dat sluit niet uit dat er over moraal zinvol te spreken valt én dat religies, verstandig gebruikt, waardevol kunnen zijn om ons te motiveren en te inspireren. Mensen zijn zelf verantwoordelijk voor dat wat zij als kennis en moraal beschouwen. Maar dat sluit niet uit dat er ook ruimte is om gebruik te maken van de religieuze tradities, omdat daarin wel degelijk iets waars en waardevols aan de orde zou kunnen zijn”.

Het zijn allemaal bewijzen uit het ongerijmde. Maar bezien we de betekenis van het agnosticisme dan gaat het om een filosofische leer volgens welke het verstand niets bovenzinnelijks (het wezen van de dingen of de metafysische werkelijkheid, in het bijzonder van God) met zekerheid kan kennen. Mijn onvolprezen Oosthoek uit 1968 stelt: “(Agnosticisme is) de wijsgerige positie die elke mogelijkheid om zich positief of negatief uit te spreken over een boven de ervaring uitgaande orde of wereldgrond (God, het absolute, elke bovenzinnelijke werkelijkheid) ontkent. Het a. wenst dus de kennis te beperken tot de vaststelling van empirische gegevens en de verstandelijke verwerking ervan. Het begrip a. komt vaak voor in de wijsbegeerte van de 19de eeuw, maar feitelijk waren er reeds vroeger agnostische wijsgeren die zich agnostici noemen, positieve atheïsten en tegen elke metafysica gekant”.

Anders gezegd, een agnosticus is volgens deze lezing per definitie en uit de aard van haar wijsgerig gedachtegoed een atheïst. Het is merkwaardig gesteld met deze cri de coeur van Drees. Waarom vreest hij de atheïst en waarom hanteert hij zo’n enge definitie van de atheïst? En waarom houdt hij zichzelf zo voor de gek? Kennelijk stoort hij zich aan mijn atheïsme omdat in het woord atheïst een directe ontkenning van (een) God besloten ligt; hij ziet echter over het hoofd dat in het begrip agnosticisme een indirecte ontkenning van (een) God besloten ligt. Hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik van Drees begrijp.

 

Enno Nuy – november 2004