In het eerste hoofdstuk van zijn autobiografisch dokument De wereld van gisteren schetst Stefan Zweig de Habsburgse monarchie in de jaren voorafgaande aan de Eerste Wereldoorlog, de centrale plaats die Wenen innam, vooral op het terrein van nieuwe muziek maar ook het theater, de literatuur, de schilderkunst, hoe de adel terugtrad als mecenaat en hoe met name de welgestelde joden als kunstminnaars een steeds grotere rol gingen spelen als de nieuwe mecenas. Leven en laten leven was het Weense motto, daar had men helemaal geen kategorische imperatief voor nodig, smaalt Zweig. Die aangeeft nooit last te hebben gehad van enige antisemitische houding – tot de nazi’s uit Duitsland zich aandienden. Zweig schetst het Wenen uit de periode voorafgaand aan de eerste Wereldoorlog als een tamelijk gezapige samenleving met een hoogstaande cultuur, een samenleving waar de jachtigheid en het kabaal van de nieuwe vervoersmiddelen – de auto, de snelle trein, het vliegtuig – nog geen bezit had genomen van de menselijke geest. Nee, deze Wener had geen idee dat het leven ook buitensporig en spannend kan zijn, evenmin dat de mens ongelofelijk gevaarlijk kon worden, diepe duisternis kon veroorzaken.

In het hoofdstuk De school in de vorige eeuw ( de 19de) beschrijft Zweig de honger naar het kunstenaarschap, vooral als dichter of schrijver van de adolescenten uit die dagen, in navolging van Hugo Hofmannsthal. De opkomst van het socialisme introduceerde strijd in de samenleving. De machine deed een proletariaat ontstaan dat niet vertegenwoordigd werd door de tot dan toe gebruikelijke parlementariërs die zonder uitzondering afkomstig waren uit de hogere kringen. Karl Lueger vertegenwoordigde het prille en ondanks alles nog keurige antisemitisme in Wenen. Heel wat groffer ging het er aan toe in Duitsland. Zweig: “En pas toen tientallen jaren later het dak en de muren op ons neerstortten, zagen wij in dat de fundamenten allang ondergraven waren geweest en dat tegelijk met de nieuwe eeuw de ondergang van de individuele vrijheid in Europa was begonnen”. Seksualiteit leek niet te bestaan in de 19de eeuw, zelfs de medische wetenschap hulde zich daaromtrent in nevelen. Net als de letteren overigens. Madame Bovary werd wegens ontuchtigheid verboden. Vrouwen mochten zelfs het woord ‘broek’ niet eens uitspreken en prostitutie teelde wierig in die jaren. Net als geslachtsziekten overigens.

Mooi zijn de herinneringen aan Theodor Hertzl en aan Emiel Verhaeren uit België uit de universiteitsjaren van Zweig en heerlijk is het te lezen over Wenen, Berlijn en Parijs uit die eerste jaren van de twintigste eeuw! Van jongs af aan is Zweig de literatuur toegedaan en ofschoon hij al op jeugdige leeftijd gedichten gepubliceerd krijgt, vindt hij ze zelf al snel te onvolwassen. Hij kiest er bewust voor eerst het werk van anderen, onder andere Verhaeren, te vertalen. Voor hem is dat een perfecte leerschool in zijn zoektocht naar het formuleren van gedachten en gevoelens.

Maar ook, schrijft Zweig:”Alleen door intellectuele vriendschap met levende mensen krijg je inzicht in de werkelijke samenhangen tussen volk en land; elke vorm van waarnemen van buitenaf levert een onecht en bevooroordeeld beeld op”. Naar eigen zeggen vond Zweig zijn eigen toon, een persoonlijke vorm pas rond de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Hij zag zichzelf als een antinationalist. Maar de wereld wordt aangetast door de ratelende molens van de propaganda en het gebulder van kanonnen, de wereld – ziet Zweig – wordt steeds mechanischer.

Hij predikt een heilig geloof in een op cultureel en intellectueel vlak verenigd Europa maar in werkelijkheid was daar al de vurige gloed van de naderende wereldbrand. Maar de wereld was zich daar niet van bewust, integendeel. Het leven leek te bruisen en in zekere zin was dat ook zo. Zweig beschrijft hoe de samenleving in al haar facetten in beweging was en de indruk wekte vol levendigheid en perspectief te zijn. Deze tijd die zo prachtig beschreven werd door Philipp Blom in De duizelingwekkende jaren.

Zweig: “Als je je nu in alle ernst afvraagt waarom Europa zich in 1914 in een oorlog stortte, vind je geen enkele zinnige reden en zelfs geen aanleiding”. Het waren vooral de socialisten, de katholieken en de schrijvers die antinationalistisch, antimilitaristisch en dus tegen een oorlog waren. Het zou niet zo ver komen, dachten velen. De oorlogsgeilheid zou bijtijds beteugeld worden maar niets bleek minder waar. Het ontbrak die tegenbeweging aan een leider. Voor Zweig had de Franse dichter Romain Rolland zo’n moreel leider kunnen zijn, deze voorvechter voor de eenheid van Europa.

Hij waarschuwde voor de destructieve krachten en verzuchtte: “ de kunst kan ons troosten, ons individuen. Maar ze vermag niets tegen de werkelijkheid “. En zo brak  toch nog onverwacht die alom verwachte en door velen toegejuichte oorlog uit, na een noodlottig schot in Sarajevo.

Bijna alle Duitse dichters, met Hauptmann en Dehmel voorop, dachten dat ze verplicht waren als barden in oer-Germaanse tijden de oprukkende strijders met liederen en runen aan te vuren tot begeestering voor de dood, schrijft Zweig. En ook de schrijvers, de filosofen, de wetenschappers, de artsen en de priesters voegden zich in dat koor. Zelfs de vreedzaamste en goedmoedigste mensen waren dronken van bloeddorstigheid in die eerste oorlogsmaanden! Zweig echter hield vol en verloor veel vrienden die hem van defaitisme en gebrek aan patriottisme beschuldigden: “hij moest maar naar Frankrijk of België verhuizen”. Schokkend is het te lezen hoe Duitse schrijvers reageerden op het voorstel van Rolland in Zwitserland een internationale conferentie te houden om tenminste op het culturele vlak vrede te bewerkstelligen. Rathenau, Hauptmann, Thomas Mann, Rilke, van Hoffmannsthal, Wassermann, geen van wilde medewerking toezeggen. Rolland had in Frakrijk dezelfde ervaringen overigens.

Zweig werd dus al snel uitgemaakt voor defaitist, hij – een pacifist bij uitstek – was een van de weinigen die bleef strijden tegen de waanzin van de oorlog. Voor hem gold de morele superioriteit van de verliezer. Het was ook in deze jaren dat hij zich ging bezighouden met het Joodse lot. Hij schreef in die jaren de (anti-oorlogs)tragedie Jeremias, die een ongekend succes bleek. Een al te lang leven was het oorlogsenthousiasme overigens niet beschoren. De oorlog had niet de morele reiniging gebracht die iedereen ervan verwacht had en zo bleken de geesten onverwacht toch rijp voor een tekst als Jeremias. Niet dat iedereen opeens de geweldige literaire kwaliteit van de tekst zag maar omdat iedereen die de oorlog was gaan haten – en dat werden er steeds meer – zich in die tekst herkende.

De oorlog, die maar voort bleef duren alleen maar omdat Ludendorf dat zo noodzakelijk vond, kwam dan toch ten einde, Duitsland werd tot capitulatie gedwongen, niet op het slagveld maar aan de conferentietafel. Europa dacht dat oorlog definitief tot het verleden zou behoren. Zweig ook. De werkelijkheid gaat echter altijd sneller dan de hoop. Hij betrok na de oorlog een woning in Salzburg waar hij niet veel later ene Adolf Hitler als overbuurman zou krijgen.

Hier lezen we opeens, we zijn begin jaren twintig aangeland, dat Zweig getrouwd is, geen naam, geen bijzonderheden, zij behoorde nadrukkelijk tot zijn privéleven. We komen zijn echtgenote na deze terloopse mededeling dan ook niet meer tegen in dit boek. En ofschoon de oorlog voorbij was dienden zich snel de eerste voortekenen van hernieuwde onrust aan, sociale onrust waar de politiek zich al snel over zou ontfermen. Het was niet de oorlog die de Duitsers ontvankelijk hadden gemaakt voor Hitler, schreef Zweig, het was de diepe inflatie aan het begin van de twintiger jaren.

Inmiddels is Hitler in opkomst en Zweig beschrijft hoe allerlei kampen in het politieke spectrum van die dagen zich door Hitler lieten bedotten. Zweig: “ zij hoopten dat hij het hout zou hakken waarmee zij hun kachel konden stoken”. Zelfs de Duitse joden konden wel uit de voeten met deze agitator! De eerste boekverbrandingen vonden plaats door Duitse studenten. Ook het werk van Zweig zat daar bij. Prachtig zijn de passages over Richard Strauss, van wie wel wordt gezegd dat hij te nauw samenwerkte met de nazi’s maar Stefan Zweig relativeert dat beeld in zeer sterke mate. Mij doet dat deugd. Mooiere muziek dan de Vier letzte Lieder werd nauwelijks gecomponeerd!

En prachtig ook is het citaat van Shakespeare: ‘so foul a sky clears not without a storm’. Een passender en treffender kenschets van die jaren voorafgaand aan de tweede wereldbrand is nauwelijks denkbaar.

Merkwaardig is dat we in deze beknopte autobiografie Joseph Roth niet tegenkomen! We weten dat beide schrijvers elkaar in die jaren met een zekere regelmaat troffen in België en dat Zweig de stevig drinkende Roth financieel ondersteunde. Roth wekt de indruk dat zijn vriend het succes een beetje naar het hoofd is gestegen maar dat weerhoudt hem er niet van Zweig voortdurend om financiële ondersteuning te bedelen. Zweig verzaakt nooit. En vergeet niet, Joseph Roth is toch nauwelijks te onderschatten als schrijver en chroniqueur, als ‘oorlogscorrespondent’.

In 1937 bezoekt Zweig Wenen voor de laatste keer, hij weet dat Oostenrijk spoedig zal worden ingenomen door Hitler maar zijn landgenoten willen daar niets van weten. Op 13 maart 1938 was het zover. Voor Zweig begon met de nationaalsocialisten ook de xenofobie. Zij introduceerden pas, identiteitsbewijs en visum waar men vroeger zonder pas over de hele wereld reisde. Zweig: “Nee, op de dag dat ik mijn pas kwijtraakte, ontdekte ik met mijn achtenvijftig jaar dat je meer dan een afgepaald stukje aarde verliest als je je land verliest”.

In 1939, in Londen, maakt Zweig er melding van dat hij voor de tweede keer wil trouwen. Over zijn eerste huwelijk zijn we hoegenaamd niets te weten gekomen. Juist toen het stel in ondertrouw wilde gaan brak de oorlog uit en de ambtenaar vroeg zich af of Zweig als statenloze burger niet per definitie een vijand was geworden. Er werd geen akte opgemaakt. Een vreedzame vereniging van Europa was definitief voorbij. Twee jaar later, op 22 februari 1942 maken Zweig en zijn vrouw een einde aan hun leven, in Brazilië. Zweig laat een kort briefje achter met deze tekst:

Ehe ich aus freiem Willen und mit klaren Sinnen aus dem Leben scheide, drängt es mich eine letzte Pflicht zu erfüllen: diesem wundervollen Lande Brasilien innig zu danken, das mir und meiner Arbeit so gute und gastliche Rast gegeben. Mit jedem Tage habe ich dies Land mehr lieben gelernt und nirgends hätte ich mir mein Leben lieber vom Grunde aus neu aufgebaut, nachdem die Welt meiner eigenen Sprache für mich untergegangen ist und [Streichung] meine geistige Heimat Europa sich selber vernichtet.

Aber nach dem sechzigsten Jahre bedürfte es besonderer Kräfte um noch einmal völlig neu zu beginnen. Und die meinen sind durch die [Streichung] langen Jahre heimatlosen Wanderns erschöpft. So halte ich es für besser, rechtzeitig und in aufrechter Haltung ein Leben abzuschliessen, dem geistige Arbeit immer die lauterste Freude und persönliche Freiheit das höchste Gut dieser Erde gewesen.

Ich grüsse alle meine Freunde! Mögen sie die Morgenröte noch sehen nach der langen Nacht! Ich, allzu Ungeduldiger, gehe ihnen voraus.

Stefan Zweig, Petropolis 22. II 1942

Thomas Mann moest niets hebben van de zelfmoord van Zweig, hij schrijft in zijn dagboek dat hij Zweig dwaas, slap en smadelijk vindt. In South American Letters lezen we van hem: “Het kan niet van verdriet zijn, laat staan uit wanhoop. Zijn nagelaten brief is niet voldoende. Wat in hemelsnaam wil hij zeggen als hij het heeft over de reconstructie van zijn leven waarmee hij zo’n moeite had? De andere sekse moet er iets mee van doen hebben, was er misschien een schandaal in de maak?” Robert Musil schreef dat hij er niet over peinsde naar Zuid Amerika te emigreren want “daar verblijft Zweig al”. Hermann Hesse, Thomas Mann, Robert Musil lieten zich allemaal laatdunkend over Zweig uit. Thomas Mann vermeldt zelfs in zijn dagboek dat hij er aan tafel met zijn kinderen over had gediscussieerd aan wie de “palm der minderwaardigheid’ zou moeten worden uitgereikt: aan Emil Ludwig, Lion Feuchtwanger, Remarque of… Stefan Zweig. Was dit nare commentaar wellicht ingegeven door het feit dat Zweig als enige zich uit alle macht had verzet tegen de Eerste Wereldoorlog?

Thomas Mann schreef aan Friderike dat Stefan Zweig als onvoorwaardelijke en radicale pacifist “de oorlog, die gevoerd wordt tegen de meest duivelse, tot vrede onbekwame machten’ nooit anders had kunnen zien dan een “bloedig ongeluk en een ontkenning van zijn wezen’. Die overtuiging heeft hij met zijn dood bezegeld, aldus Mann, een “argument dat elke tegenspraak neerslaat’. Maar aan zijn dochter Erika schreef hij, de dag nadat hij het bericht over Zweigs dood gehoord had, bitter: “Het is toch weer een ondergang, die eruitziet als een triomf van die onweerstaanbare historische machten.” Ook dit omstreden afscheid van het leven droeg ertoe bij dat pas na decennia een onbevooroordeelder blik op Stefan Zweig en zijn werk wordt geworpen. (Einde citaat) Nu ja, ik vind het oordeel van zulke schrijvers over Stefan Zweig misplaatst en klein van karakter. Bovendien ingegeven door misplaatst oorlogsenthousiasme zo’n vijfentwintig jaar eerder.

Zoveel is duidelijk: Zweig was waarachtig een echte Europeaan! Met politiek heeft hij zich nooit ingelaten, hij was een onvermoeibaar strijder voor een verenigd Europa, zeker of tenminste op cultureel en intellectueel niveau. Het is er nooit van gekomen. Waarom hij uiteindelijk besloot uit het leven te stappen is nooit helemaal opgehelderd. Zijn laatste briefje geeft daarover geen uitsluitsel, vormt geen verklaring. Zijn autobiografie maakt zijn besluit echter begrijpelijk, zo meen ik, invoelbaar. Deze autobiografie is een indringend en indrukwekkend boek.

 

Enno Nuy
Januari 2021