Een wereldreis naar de verhalen van onze tijd
In het openingshoofdstuk van deze studie naar het fenomeen tijd merkt Dröge op: “Maar zoals met alles wat de mens probeert te temmen, van katten tot kolonies, komt er altijd het moment waarop het beest je in je gezicht niest en de kolonie zich onafhankelijk verklaart. Want wat tijd is, blijft een raadsel, net als het feit dat hij alleen maar vooruit kan, terwijl een versnelling achteruit zo handig zou zijn. Ondanks alle begrip en technologie blijft het de meest mysterieuze natuurkracht.” En ik realiseer me onmiddellijk dat ik zeer terecht besloot dit boek te gaan lezen. Nog zo’n briljante waarneming van de schrijver: “Tijd is een sadistische boekhouder die elke seconde archiveert zonder zelf ooit vakantie te nemen.”
We beginnen op het Zweedse eilandje Ven waar de astronoom Tycho Brahe ooit zijn Uraniborg bouwde. Eerder las ik al over deze Brahe bij Piet de Rooy in zijn De tijd, de waarheid & de geschiedenis en ook in dat prachtige boek Het paleis van de sterrenwachter van Violet Moller. Men zegt wel dat we met de dood het tijdelijke voor het eeuwige ruilen en u begrijpt het al: dan is er geen noodzaak meer voor een tijd. In de hemel hoeven we de klok niet meer te vrezen, schrijft Dröge. In de hel daarentegen duurt de tijd extra lang. Enfin, Brahe kreeg het eilandje Ven en mocht er met geld van de Deense koning zijn observatorium bouwen. Die koning dacht dat wie de hemel kon doorgronden, de dienstregeling van God zou kunnen reconstrueren en de geheimen van de tijd leren. Van die Uraniborg is overigens niets meer over. Maar Dröge vertelt ons het prachtige verhaal over de ontdekkingen van Tycho Brahe die leerde zien wat dichtbij en wat veraf is: het parallax-effect. Het firmament was helemaal niet vast en veel veranderlijker dan men altijd had gedacht. Was de hemel wel de hemel en klopte het wel dat de tijd daar ophield? Brahe kwam nogal eens tot verkeerde interpretaties en verklaringen maar hij verdiende eeuwige lof voor zijn nieuwsgierigheid. Toen Brahe Ven verliet braken de eilanders zijn observatorium af en gebruikten ze de stenen om er nieuwe boerderijen mee te bouwen. Een werkelijk heerlijk verhaal!
De koning-mecenas stierf en Brahe vertrok naar Praag waar hij in keizer Rudolf II een nieuwe geldschieter had gevonden. Brahe ging in Praag samenwerken met Johannes Kepler. En het was Kepler die voor het eerst concludeerde dat de planeten ellipsvormige banen volgden. Tijd kleefde niet alleen aan de aarde. We hebben het hier over de zestiende eeuw. En het was Kepler die tijd en ruimte aan elkaar koppelde.
Dan reizen we naar Praag om de beroemde klok op het oude stadhuis te zien. Een prachtig uurwerk maar vrijwel niemand die dit uurwerk begrijpt. Maar wijsgeer en kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) zei, ver voor de stad Praag werd gesticht: “Wat is tijd? Als niemand het me vraagt, weet ik het. Maar als ik het moet uitleggen, heb ik geen idee.”
Het was Einstein die zich in Bern realiseerde dat tijd en ruimte manieren zijn waarop we denken en geen omstandigheden waarin we leven. Zonder ons (bewustzijn) is er niets en bestaat begin noch eind. Tijd kunnen we niet waarnemen, we kunnen tijd alleen maar meten. Einstein sprak van het blokuniversum: ruimte en tijd zijn in zijn ogen een enorme klomp van dimensies waarin elke oorzaak en elk gevolg opgesloten zit, ook de toekomstige. Dat houdt in dat alle gebeurtenissen een geheel vormen en er al zijn, alleen jij moet ze nog vinden. Dit is natuurlijk extreem contra-intuïtief. Ook ik ben niets dan oorzaak en gevolg. Jules Verne, die overleed in 1905 toen Einstein zijn beroemde formule op papier zette, speelde al met tijd en voelde haarfijn aan dat tijd een elastisch fenomeen was. Dröge formuleert het prachtig: “Verne was de muzikant die flink improviseerde, Einstein maakte er bladmuziek van.”
Volgt een heerlijk verhaal over monniken op Athos die nog leven volgens de Juliaanse kalender en op sneakers lopen en een smart watch hebben. Maar dan opeens schrijft Dröge, die zich tot nu toe als een fraai stilist heeft laten zien, deze lelijke zin: ‘In die tijd komen allemaal monniken nog binnen.’ Op vele manieren mijmert de schrijver over onze omgang met tijd. Zoals bij het einde van het jaar waarover hij schrijft: “Dat laatste blaadje van de kalender slaan we al eeuwen om met kabaal. Geluid als exorcisme: overal ter wereld bestaat hetzelfde bijgeloof. De toekomst is een begeerde maagd, het verleden een dronken oom die niet weg wil.”
Tijd valt alleen te meten door beweging waar te nemen. En Einstein merkte op dat tijd er alleen is omdat je naar je horloge kijkt. Terecht constateert Dröge dat alle religies een zwak voor tijd hebben. De dag der wrake markeert het einde der tijden. Het hiernamaals ook. De apocalyps uit de bijbel.
Ook de mijmeringen van de schrijver over de relatie tussen taal en tijd zijn de moeite waard. Want taal, schrijft hij, is een meester in het organiseren van wat we niet vast kunnen pakken. ‘Tijs’ is een van de meest gebruikte woorden in alle wereldtalen. In het Engels is dit zelfs het meest gebruikte woord. Hoe anders dan bij de oorspronkelijke bewoners van Australië. Daar is tijd niet meer dan een aspect van het landschap, de lucht en de zee.
Dan reist Dröge door naar Samoa dat precies op een datumgrens ligt en daarmee het meest oostelijke stukje land op deze aardbol is. Stel dat je steeds maar westwaarts zeilt en de tijd net iets voorblijft, dan heb je op een zeker moment éénmaal minder een zonsondergang meegemaakt dan de rest van de wereld. Die datumgrens is overigens een echte breinkraker of hersenbreker. Probeer maar eens te bevatten dat het net aan de andere kant van die datumgrens gisteren is. De datumgrens loopt precies tussen Samoa en Amerikaans Samoa. De piloten die tweemaal per dag tussen de eilanden heen en weer vliegen, springen dus twee keer per dag van vandaag naar gisteren en terug.
Goed, we zijn aangeland in Mexico waar Cortez met de grootst mogelijke bruutheid de Azteken onderwierp en hun beschaving grotendeels vernielde. En een of andere Romein verordonneerde dat onze jaartelling begin bij het jaar 1 bij de geboorte van u weet wel. Dat had natuurlijk het jaar 0 moeten zijn. Het kolonialisme ontstond. Als we het over Engeland hebben, gaat het over stoffen, meubels, specerijen, thee, tabak. En waar kwam dat vandaan? Juist, uit India. Toch beschouwden we Indiërs als achterlijken. Kathedralen werden op tempels gebouwd. En inmiddels is onze Westerse kalender wereldwijd ingevoerd. De globalisering verdraagt geen alternatief.
En die apocalyps is natuurlijk aanstaande, alleen duurt dat nog even. Het wordt te heet hier en uiteindelijk zal de zon alles verschroeien. Tijd, zo leren we nog, heeft geen geheugen en geen bestemming. Maar wij lijken tijd nodig te hebben zoals een voortdenderende trein de rails.
Nu, het boek is bijna ten einde, keer ik terug naar Augustinus van Hippo en verbaas me hoeveel je over tijd te berde kunt brengen. Philip Dröge geeft daarvan een sterk staaltje in dit werkelijk prachtig boek. En hij blijkt een voortreffelijk stilist die doorgaans in fraaie taal schrijft. Ik kijk nu al uit naar zijn volgende boek. Hier heb ik van genoten en ik ben een stuk wijzer geworden maar net als Augustinus moet ik toch verzuchten dat ik het nauwelijks kan navertellen! Maar een prachtig boek. Jammer dat ik het uit heb.
Maar ook het juiste moment om nog even terug te keren naar Het mysterie van de tijd van Carlo Rovelli. Hij leert ons dat processen die zich lager afspelen, dichter bij de bodem waarop wij staan, langzamer verlopen dan daarboven. Onze voeten zijn minder oud dan ons hoofd. De natuurkundige basiswetten vertellen ons niets over tijd. En dan betreden we de kwantummechanica en leren we dat tijd korrelig is. Hoe wij tijd ook ervaren, op het fundamentele niveau bestaat er geen tijd, geen ruimtetijd, is er geen verschil tussen verleden, heden en toekomst, er bestaat geen statische wereld, geen blokuniversum. Er is alleen maar een wereld van gebeurtenissen, niet van dingen. Begrijpt u wel?
Enno Nuy
Augustus 2026