En is ook niet wenselijk

 

De belediging als misverstand

Binnen de gelederen van De Vrije Gedachte woedt sinds enkele maanden een bij tijd en wijle felle discussie over de belediging. Aan de ene kant van het spectrum bevinden zich degenen die het recht op beledigen hartstochtelijk verdedigen; aan de andere kant – schrijver dezes behoort tot die categorie – degenen die de mening zijn toegedaan dat er van zulk een recht geen sprake zou moeten of mogen zijn. Dit vermeende recht op beledigen wordt doorgaans geclaimd op basis van de vrijheid van meningsuiting en gaarne wordt verwezen naar columnisten en cabaretiers wie bij ontstentenis van het recht op beledigen de mond zou worden gesnoerd.

Wie het recht op  beledigen afwijst loopt al snel het risico ingedeeld te worden bij de fatsoensrakkers of wordt ervan verdacht c.q. beschuldigd een voorstander te zijn van verregaande overheidsbemoeienis. Er mogen daarvan voorbeelden te vinden zijn maar de stelling omkeren is een onbeleefde discussietruuk waarvan vrijdenkers zich niet zouden moeten bedienen. In dit artikel probeer ik de misverstanden rondom de belediging te ontrafelen en neem daarbij het Wetboek van Strafrecht als uitgangspunt, meer specifiek een uitstekende en buitengewoon boeiende dissertatie over dit onderwerp.

De strafbare belediging in het wetboek van strafrecht

Op 25 juni 1998 promoveerde A.L.J. Janssens aan de RUG op het proefschrift Strafbare belediging ter verkrijging van het doctoraat in de Rechtsgeleerdheid. Zijn uiterst prettig leesbare en interessante dissertatie is helaas niet meer verkrijgbaar maar is wel te lezen op Internet. In het eerste deel van zijn dissertatie ligt de nadruk op de wijze waarop het stelsel van strafbare belediging zich heeft ontwikkeld. Janssens laat zien hoe ook het fenomeen belediging is ingebed in een eeuwenoude rechtsprakelijke geschiedenis en onder invloed van welke maatschappelijke en politieke ontwikkelingen de belediging door de rechtspraak werd en wordt benaderd. Ik beperk me hier met name tot het tweede deel van zijn boek waarin Janssens de relevante bepalingen inzake belediging beschrijft.

Smaad en laster

Art. 261 verbiedt smaad en smaadschrift. Het opzettelijk iemands eer of goede naam aanranden geschiedt door middel van het aan iemand telasteleggen van een bepaald feit. In het centrale bestanddeel van het bepaalde feit liggen twee eisen besloten: de eis dat het feit waarvan men iemand beschuldigt een eeraanrandend karakter heeft en de eis van bepaaldheid van dat feit. Eeraanrandend is als iemand een strafbaar feit of een feit dat met de positieve moraal strijdt wordt aangewreven. De tweede kerneis van art. 261 Sr is dat de beschuldiging een concrete en historische gebeurtenis dient te bevatten. De Hoge Raad eist hierbij niet het onderste uit de kan: aan de concreetheid van de beschuldiging stelt hij geen al te hoge eisen. Een algemeenheid of een insinuatie is echter geen bepaald feit meer.

Smaad eist een opzettelijke eeraanranding. Verdedigd wordt dat een specifiek oogmerk om te beledigen niet is vereist. Voortbordurend op Brouns’ stelling dat ‘opzet zich inhoudelijk differentieert naar gelang het delict waarvan het bestanddeel is ‘, kan bij het delict smaad, deels op materieel-, deels op procesrechtelijke gronden, worden aangenomen dat het aspect van het weten meer accent krijgt dan het wilsaspect. In de rechtspraak blijkt dat de wetenschap van het beledigende karakter veelal voldoende is om het smaad-opzet aan te nemen. Onduidelijk is of voorwaardelijke opzet volstaat. Het bestanddeel (met) het kennelijke doel van ruchtbaarheid beoogt de strafbaarheid van smaad in te perken. Men spreekt wel van een bijkomend doel. Dat doel wordt in de rechtspraak niet eng geïnterpreteerd: een wetenschap of een bewustheid dat de uitlating anderen ter ore zal komen is voldoende.

Laster is een gekwalificeerde vorm van smaad(schrift). De omstandigheid dat de telastlegging is gedaan terwijl de dader weet dat zij met de waarheid strijdt, is een grond voor strafverzwaring. Hier is met name art. 262 Sr alsmede 265 Sr aan de orde. In de art..268 Sr en 269 Sr worden respectievelijk de lasterlijke aanklacht en de smaad tegenover een overleden persoon behandeld.

De belediging

Het delict eenvoudige belediging (art. 266 Sr) verbiedt ‘elke’ opzettelijke belediging. Het onderscheidt zich van smaad doordat het geen telastlegging van een bepaald feit eist. Het bestanddeel opzettelijke belediging kenmerkt zich door een zekere vaagheid. Uit de jurisprudentie volgt dat vier, ten dele elkaar overlappende, grondtypen van eenvoudige belediging zijn te onderscheiden: (a) scheldwoorden; (b) termen die minachting uitdrukken (‘formele’ eenvoudige belediging); (c) uitlatingen die iemand in verband brengen met een vaag omschreven gedraging die met de mores strijdt (‘materiele’ eenvoudige belediging) en tenslotte (d) grievend verwoorde kritiek en andere onnodig kwetsende uitlatingen.

Volgens de wet kan men op meerdere wijzen iemand eenvoudig beledigen. Dat kan in het openbaar of in iemands tegenwoordigheid plaatsvinden of door middel van een toegezonden of een aangeboden geschrift. Indien de belediging een vertrouwelijk karakter heeft, is zij niet in het openbaar gedaan. De belediging is in iemands tegenwoordigheid begaan, als zij terstond voor het slachtoffer hoorbaar is. Een samenkomst tussen dader en slachtoffer is niet per se vereist.

De belediging en de vrijheid van meningsuiting

In het derde deel van zijn dissertatie gaat Janssens in op de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting en de strafbare belediging. Uit de Straatsburgse jurisprudentie blijkt dat het EHRM groot gewicht toekent aan de mogelijkheid van een publiek debat over zaken van algemeen belang. De achterliggende gedachte is dat een dergelijk debat een conditio sine qua non is voor de ontwikkeling van een democratische samenleving. Het EHRM stelt zich dan ook op het standpunt dat in een dergelijk debat ruimte moet zijn voor uitlatingen die shockeren en aanstoot geven. Een nationale veroordeling wegens zo’n uitlating frustreert al gauw het debat en daarmee de ontwikkeling van de democratie. De veroordeling is dan derhalve niet noodzakelijk in een democratische samenleving. Dit impliceert dat de ruimte voor een veroordeling op grond van de beledigingsbepalingen onder omstandigheden danig is ingeperkt.

Op nationaal niveau beschrijven de art. 261 lid 3 en 266 lid 2 Sr de omstandigheden waaronder een uitlating geen smaad of geen eenvoudige belediging oplevert. Het is naar de mening van Janssens verdedigbaar – en hier komen we bij een zeer cruciale passage in zijn dissertatie – om deze excepties niet te zien als bijzondere rechtvaardigingsgronden, maar als interpretatieve bepalingen die de strafbare belediging nader omlijnen.

Art. 261 lid 3 Sr bepaalt in de eerste plaats dat de smaad die uit noodzakelijke verdediging is gepleegd, tot straffeloosheid leidt. De tweede kwalificatie-uitsluitingsgrond van art. 261 Sr is het te goeder trouw aannemen dat de beschuldiging waar is en de telastlegging in het algemeen belang is gedaan. Als de pleger van smaad heeft kunnen aannemen dat de beschuldiging waar is en dat het algemeen belang haar eiste, gaat hij vrijuit.

Het is naar de mening van Janssens verdedigbaar het algemeen belang in de betekenis van art. 261 lid 3 Sr in te laten kleuren door de vrijheid van meningsuiting, zoals die door art. 10 EVRM wordt beschermd. Er bestaat dan smaad noch smaadschrift voor zover de dader heeft kunnen aannemen dat hij met het telasteleggen van het bepaalde feit een bijdrage leverde aan het publieke debat. De vereiste goede trouw met betrekking tot het algemeen belang ligt besloten in een verantwoord gebruik van die vrijheid, in het bijzonder in de verplichting tot verificatie van de bronnen waarop men zich baseert en in de verplichting van hoor en wederhoor.

Ook kan de vraag gesteld worden of verwerping van het beroep op het algemeen belang met een verwijzing naar het ‘onnodig grievende’ of ‘onnodig kwetsende’ karakter van de uitlating, met art. 10 EVRM in overeenstemming is. Jansens is van mening dat de feitenrechter bij de verwerping van een dergelijk verweer niet zonder meer kan volstaan met een verwijzing naar het ‘onnodig grievende’ karakter van de uitlatingen.

Janssens sluit zijn dissertatie af met de volgende alinea: “Aan de wenselijkheid van strafbaarstelling van belediging behoeft niet getwijfeld te worden. Het gevaar dat de belediging in het leven roept is gelegen in het verlies van status. Iemands positie in de samenleving is nauw verbonden met zijn reputatie en met de erkenning van zijn gelijkwaardigheid als individu. Miskenning van die gelijkwaardigheid opent de weg naar een verdere aantasting van zijn persoon en positie. Wat met belediging begint, kan eindigen in mishandeling en genocide.”

Fatsoensrakkerij en verwijtbare domheid

Janssens zei het terecht: uitzonderingen waarbinnen de belediging straffeloos blijft moeten niet als extra rechtvaardiging worden opgevat. Waar het om gaat is dat de belediging te allen tijde als een bijproduct moet worden gezien en nimmer als hoofddoelstelling. In het dienen van een rechtvaardige zaak kan plotseling de belediging of een als belediging ervaren kwalificatie opdoemen. Men mag de zaak niet omdraaien en zeggen: dit is een rechtvaardige zaak en dus is een belediging binnen dit kader gerechtvaardigd.

De laatste zin van de dissertatie van Janssens mag wat zwaar zijn aangezet – de weg van belediging naar genocide is wel heel erg lang – maar het ging hem erom te wijzen op het risico van het hellend vlak. Men is geen fatsoensrakker door op dat risico te willen wijzen. En op de opmerking dat de vrijheid van meningsuiting in het geding zou zijn wil ik eigenlijk niet eens ingaan. Anders gesteld: de uitspraak “als ik niet mag zeggen dat ik jou een lul vind is dat een aantasting van de vrijheid van meningsuiting” beschouw ik als verwijtbare domheid. Maar evenzo acht ik het naar de rechter lopen bij iedere onwelgevallige bejegening kinderachtig, kleinzielig en verspilde energie.

Is iedereen nu een cabaretier of columnist?

Ik herinner mij enkele sketches van met name cabaretiers waarbij ik me tamelijk ongemakkelijk voelde en dat gevoel ontstond door de wijze waarop de cabaretier zijn boodschap bracht en formuleerde. In mijn ogen is dat de cabaretier bij uitstek: ondanks dat je al dan niet besmuikt moet lachen raakt hij aan iets dat reëel bestaat maar meestal weggemoffeld of ontkend wordt. Dat aan de kaak weten te stellen zodanig dat je erom moet lachen maar je tegelijkertijd heel ongemakkelijk voelt, dat maakt een cabaretier tot de beste in zijn soort. Hans Teeuwen is/was zo’n cabaretier.

Dit houdt dus niet in dat een cabaretier qualitate qua maar kan zeggen wat hij wil, hij moet zich wel degelijk bezighouden met een context waarbinnen zijn shockerende of beledigende opmerkingen als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd. In uiterste instantie is het oordeel daarover natuurlijk niet aan de regering maar aan de rechter. Mutatis mutandis geldt dezelfde redenatie voor een schrijver of columnist. En ofschoon ik sommigen van hen absoluut niet apprecieer, zou ik nimmer een pleidooi willen houden om hen de mond te snoeren, integendeel. Evenzo is het absurd en verwerpelijk dat politieke partijen of parlementariërs zich beijveren om hen onwelgevallige televisieprogramma’s te verbieden. Wij hóeven de TV niet aan te zetten, wij hóeven het programma van een cabaretier niet bij te wonen, wij kúnnen boek of krant terzijde leggen. Elk beroep op een langs deze weg ervaren belediging acht ik misplaatst en onredelijk, tenzij de schrijver handelt in strijd met het wetboek van strafrecht. Maar ook dan is het uitsluitend aan de rechter daarover een uitspraak te doen.

Het doelmatigheidsbeginsel

Terecht mijns inziens stelt Janssens dat aan de wenselijkheid van de strafbaarstelling van belediging niet getwijfeld hoeft te worden. Maar dit betekent niet dat iedere belediging bestraft moet worden. Maar evenmin – en dat is míjn centrale punt – betekent dit dat men op enige plek het recht op beledigen kan opeisen. In de discussies binnen de gelederen van De Vrije Gedachte heb ik herhaaldelijk de vraag gesteld: is er één voorbeeld te geven van een belediging die tot iets positiefs heeft geleid?

Op die vraag is nauwelijks laat staan een bevredigend antwoord gekomen. Het beledigen van Hitler en Franco zou tot iets goeds hebben geleid maar ik breng daar tegenin dat het beledigen van een abject dictator vermoedelijk de minst effectieve strategie is om hem weg te krijgen: een dictator valt niet om van een belediging.

Nog heel recent deed de rechter in de zaak Moszcowicz-Kelder in Hoger Beroep een heldere uitspraak: alle beweringen van Kelder bleven ongemoeid maar de bejegening ‘maffiamaatje’ achtte de rechter onnodig grievend. Als een belediging niets toevoegt aan de kracht van een redenatie, waarom zou men zich dan van dat wapen willen bedienen? Anders gezegd: wie de belediging als wapen hanteert, verdient de zege niet.

 

Bron:

http://dissertations.ub.rug.nl/faculties/jur/1998/a.l.j.m.janssens/

 

Enno Nuy, juni 2007