Maand van de filosofie, 81 pagina’s

 

Eva Meijer (1980) is filosoof en schrijver en schreef op verzoek van MvdF een essay over ‘een wereld die verdwijnt’. De titel van het essay is Vuurduin, naar de vuurtoren op Vlieland, het eiland waar dit essay tot stand kwam. Het is om te beginnen een mooi boekje, dat in weerwil van het onderwerp licht aanvoelt, licht als het licht aan het strand, licht alsof de zwaartekracht op een eiland net iets anders voelt dan elders. Het is ook een dun boekje met een prettig lettertype en voorzien van lichtvoetige, bewerkte foto’s. Ook de door Eva Meijer beschreven herinneringen lijken lichter te wegen dan ze oorspronkelijk, toen ze zich in het nu van toen afspeelden, wellicht deden.

Meijer schrijft over haar relatie tot haar honden. Ik had zelf ooit een hond en was gek op dat dier maar ik had niet de diep-emotionele band met mijn hond waarvan Meijer spreekt. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de manier waarop ik destijds naar de wereld keek, vrijwel alles als vanzelfsprekend beschouwde en mezelf weinig bevroeg. Ik vermoed dat ik een hond nu anders ervaren zou. Mijn hond, een prachtige boxer met een – dat  mocht toen nog ofschoon ik er zelf geen keuze in had – gecoupeerde staart, stierf in de zomer van 1982, net zeven jaar oud aan hartfalen volgens de dierenarts. Ik heb hem in het bos begraven en heb niet gehuild. De liefde van die hond voor zijn ‘baasje’ was onvoorwaardelijk.

Maar vooral schrijft Eva Meijer in dit essay over de teloorgang van de natuur, die zich vooral kon voordoen omdat de mens zichzelf buiten die natuur plaatste en zichzelf nauwelijks meer in verbinding met de wereld om zich heen ervaart. Dieren en planten dienen ons slechts tot voedsel en vertegenwoordigen daarnaast nog iets wat we natuur noemen, die we kunnen bewonderen als we op vakantie of op safari gaan.

We kunnen rouwen om wat teloorgaat, schrijft Meijer, maar voor je het weet komt die rouw in de weg te staan van actie. Er kan moedeloosheid of zelfs onverschilligheid ontstaan, alles wat de moeite waard was is toch al weg, maar dan wordt het een selffulfilling prophecy. Het is nu juist de bedoeling dat we dat niét accepteren. Dat lijkt mij het pleidooi van Meijer: doe iets, onderneem actie, ook al lijkt het hopeloos, we moeten hoop blijven koesteren, “anders kunnen we wel inpakken”.

In een interview met de NRC zegt Meijer dat de taak van een filosoof in het klimaatcrisisdebat tweeledig is: begripsverheldering en een kritische beschouwing van de status quo. Heel eerlijk gezegd heb ik dat in haar essay niet direct aangetroffen. Maar misschien komt dat omdat ik de taal van de filosofen vaak lastig vind. Als Meijer schrijft dat ze kwaad is om wat ze om zich heen ziet gebeuren, als ze ziet hoe dieren volstrekt niet voorkomen in de gewetensvragen van mensen, geen rol spelen in hun morele of ethische overwegingen, dan begrijp ik dat en zij is daarin ook geloofwaardig. En wanneer je boosheid je aanzet tot acties, omdat je nu eenmaal niet anders kan, tja dan wordt dit essay natuurlijk voor je het weet een pamflet en daar zou haar opdrachtgever weer niet blij mee zijn geweest.

Lastig hoor, maar het heeft me niet verhinderd met plezier dit essay te lezen ofschoon ik het uiteindelijk toch als een wat hybride tekst ben gaan ervaren. Ergens schrijft Meijer dat “het schijnt dat er sinds de invoering van navigatiesystemen in auto’s minder echtscheidingen zijn”. Helaas ontbreekt iedere toelichting of zelfs maar een referentie en op internet heb ik niets over die toch merkwaardige of op zijn  minst opmerkelijke relatie terug kunnen vinden.

Ook schrijft Meijer over een voor mij volkomen nieuw fenomeen: het ecofeminisme. “Ecofeministen wijzen erop dat bepaalde groepen mensen, zoals vrouwen en zwarte mensen, als natuurlijker gezien worden dan andere, zoals mannen en witte mensen – bij hen is de cultuur sterker aanwezig”. Zulke teksten verdraag ik slecht, grotere kul is nauwelijks denkbaar. Meijer geeft ook niet duidelijk aan wat zij zelf van het ecofeminisme vindt. Klimaatverandering is een door de mens veroorzaakt fenomeen en de menselijke gemeenschap zal daar een passend antwoord op moeten vinden. Onderdeel van dat antwoord is – onvermijdelijk – dat wij mensen onze verhouding tot de natuur, waar wij ons zelf buiten hebben geplaatst, moeten heroverwegen. Als die heroverweging zich vooral vanuit feministisch perspectief zou moeten voltrekken plaatsen we de helft van de menselijke samenleving bij voorbaat op afstand. Mij lijkt dat een doodlopende weg. Maar het is goed dat erover geschreven wordt, laten we deze discussie voeren, op alle niveaus, in alle gremia. Persoonlijk haak ik liever aan bij Ulrike Guerot met haar ideeën omtrent een nieuw Europa, waarin zij nadrukkelijk een plaats voor dieren inruimt, ook op het niveau van het Europees Parlement.

Kortom, een mooi boekje, dit Vuurduin van Eva Meijer. Hoe het ook zij, hoe je het essay ook beoordeelt, het geeft aanleiding tot discussie en overpeinzingen. En dat is toch het primaire doel van een essay.

 

Enno Nuy
April 2021