In de boekenkast van mijn ouders was ene Mgr. Dr. Robert Klimsch vertegenwoordigd met zijn destijds voor katholieken opzienbarende boek ‘’De Hemel’’. Ik was in 1939, bijna zes, nog te jong om het te lezen. Mijn moeder was er zeer van onder de indruk. Zij sprak erover met mijn oudere broers en zusters, met familieleden en met – uiteraard – roomse vrienden. Nou, het was me nogal wat: die geleerde prelaat wist zomaar te vertellen wat je na je dood in de hemel stond te wachten. En wat ik me daarvan als kind herinner, was dat we elkaar later allemaal weer zouden terugzien. Ik weet nog dat ik dat een fijn en geruststellend vooruitzicht vond. Zekerheid voor alles. De enige die er aan twijfelde, was mijn vader: ‘’ik weet bij god niet wat ik ervan denken moet, ik wacht het maar af.’’ En dat was reëel geredeneerd. Maar niet alleen de katholieken, heel de christenheid gelooft in het hemelse leven na de dood. En bij de christenen blijft het niet, want ook de moslims geloven in hun privé paradijs, maar dan in de eerste plaats bedoeld voor mannen die daarboven zullen worden bediend door maagden met gazelleogen. Of die maagden ook maagdelijk zullen blijven, wordt in de Koran niet vermeld.

Het jodendom neemt ten aanzien van het hiernamaals verschillende standpunten in. Daarvan is de meest algemene zienswijze: wachten op de wederkomst van de messias, fysieke wederopstanding na de dood en vervolgens een leven zonder zorgen. Hindoes en boeddhisten geloven in reïncarnatie, met dit verschil dat de hindoe gelooft dat een ‘ik’ steeds opnieuw een lichaam aanneemt, en de boeddhist liever spreekt van een reeks wedergeboorten in nieuwe levens, waarin geen sprake is van een eeuwigdurend ‘ik’ dat de hoofdrol vertolkt. Ook westerse esoterische groeperingen als theosofen, antroposofen en rozekruisers geloven in reïncarnatie. Wijd verspreid in Aziatische en Afrikaanse landen is de verering van de voorouders, wier geesten in contact blijven met de  levenden. En tot mijn verbazing kwam ik onlangs te weten dat er warempel ook ongelovigen zijn die geen god nodig hebben, maar net als de oude Germanen geloven in een walhalla. Daarbij denk ik dan meteen ook aan de Elyzeïsche velden en de Hades of onderwereld van de oude Grieken en het Elysium van de oude Romeinen.

Tot zover reikt mijn kennis van de verschillende opvattingen over het hiernamaals. Er zullen er wellicht nog meer zijn, want de eeuwigheid heeft vele vergezichten. Met geen van al deze voorstellingen van een wereld aan gene zijde kan ik me verenigen. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik ze zonder meer afwijs of dat ik er zelf geen opvatting over heb. Dat mensen hopen op een beter leven na dit leven of ervan uitgaan dat het niet bij één leven zal blijven, maar dat ze meerdere kansen krijgen, dien ik serieus te nemen alleen al vanwege het feit dat dit leven op zich hoogst onbevredigend is. Maar evenzeer is het een feit dat mensen aan hun leven, hoe vaak ellendig ook, toch  zo gehecht zijn, dat ze hopen op hetzelfde bestaan na het aardse, maar dan in een eeuwig welbevinden zonder lijden. Een door ‘wishful thinking’ geïnspireerde hemelse aarde dus. Gezien vanuit de aan dit aardse leven inherente en dagelijkse onrechtvaardigheid, willekeur en wreedheid, zal ik de laatste zijn ze dit uit het hoofd te praten. De wereld waarin wij zijn geworpen is te erg voor woorden. Wie tot de weinigen behoort die  het voorrecht geniet min of meer beveiligd en in betrekkelijke welstand te leven, kan zich niet echt gelukkig voelen als hij denkt aan het ongeluk van de meeste mensen op dit ondermaanse. Zij die in een hemel geloven, koesteren een tragische wens. Een wens die  niet weinig wordt beïnvloed door angst voor de dood. Deze angst is niet alleen een kwelling voor gelovigen, maar voor ons allemaal. Toch is het, lijkt mij, niet de dood als zodanig, die de angst veroorzaakt, maar het doodgáán ofwel het sterven. Wat gaat er aan mijn dood vooraf? Hoe gebeurt het en wanneer? “Aangezien ik iemand ben die voortdurend op zijn gedachten blijft broeden en ermee rondloopt, ben ik ieder moment ongeveer zo goed als ik kan op de dood voorbereid. Als hij plotseling komt zal hij mij niets nieuws leren.’’ Aldus Michel de Montaigne in zijn essay ‘Filosoferen is leren te sterven’. Ik kan mij als nu 81-jarige in deze tekst herkennen. Er gaat geen dag voorbij, of ik denk aan mijn dood. Maar wel zonder chagrijnig rond te lopen en als een oude monnik ‘memento mori’ te prevelen. Ik huldig het standpunt: iedere dag is er één. En zolang het leven mij gunstig gezind is, zal ik ervan genieten voor zover ik mijzelf en anderen er niet mee schaad. Ook mij zal een plotselinge dood  niets nieuws leren, maar dan moet het wel écht plotseling. Daar hoop ik op. Maar wát als mij eraan vooraf een langdurig en pijnlijk ziekbed is beschoren? Of dat  mij wordt meegedeeld dat ik nog maar een paar maanden te leven heb? Wellicht verlang ik er dan juist naar te sterven, in welk geval euthanasie, wat mij betreft, het aangewezen perspectief is. Je merkt trouwens al meteen dat het woord plotseling maar heel relatief is. Want wat ervaar ik vooraf  tijdens een dodelijk ongeluk? Wat een zegen als ik er op dat moment nauwelijks weet van heb. Maar geen zegen als ik eerst nog een tijdje lig te kreperen van de pijn. Ook al realiseer ik me dagelijks dat ik sterfelijk ben en dus in dit leven slechts één zekerheid heb, dan hoop ik toch, hoe goed voorbereid ook, dat de dood mij niets nieuws zal leren. Want als ‘plotseling’ eens niet doods bedoeling is? Daar geeft Montaigne geen antwoord op. Of het moet zijn dat wij, zoals hij zegt, ‘’ons de dood in al zijn verschijningsvormen ieder moment voor de geest moeten roepen.’’ Met alle respect, maar daar begin ik niet aan. Eenmaal dood ben ik er niet meer, ben ik opgehouden te bestaan. Met deze gedachte heb ik vrede. Wat is er erg aan?  Je kunt het enigszins vergelijken met een narcose of een diepe, droomloze slaap. Dan laat je ‘cogito’ het afweten, dan ben je er even niet voor jezelf. In de dood is ‘even’ veranderd in ’voorgoed’. Je ‘ik’ is niet meer. Probleem opgelost.

Is daarmee voor mij de kous af? Nee, zo gemakkelijk wil ik mij er niet van afmaken. Akkoord, dood is dood, dat zal me geen zorg meer zijn. Maar zover is het nog niet en dus neem ik de gelegenheid te baat, wat meer over een vermeend hiernamaals na te denken. Zou ik dan toch stiekem op een hemel hopen? In alle oprechtheid: nee. In een eeuwig leven, voortdurend in het aangezicht van God, verveel ik me tenslotte toch dood. Voltaire noemt leven na de dood  een ‘’mauvaise plaisanterie’’ ofwel een misplaatste grap. Reïncarnatie misschien? Dat zou ik niet radicaal willen uitsluiten, maar ik moet er toch niet aan denken. Ik heb eerder reïncarnatieangst dan doodsangst. Terugkeer in dit leven en wellicht niet één keer maar verschillende keren? En wat staat me dan te gebeuren? Alles is mogelijk: bittere armoe, langdurige gevangenschap, marteling, invaliditeit, ongeneeslijke ziekte, vluchteling in een burgeroorlog, dood door ophanging… Ga zo maar door, want je moet toch immers alles doormaken voordat je cyclus voltooid is? Nee, als er dan toch zoiets is wat met een hiernamaals verband houdt, dient er een bemoedigende gedachte vanuit te gaan. Dat hebben christenen en moslims in elk geval goed begrepen. En ik moet zeggen dat ik hun hoop op een beter leven begrijp, hoewel ik er niet in geloof.

Een heikel hiernamaalsonderwerp vormt het spiritisme. Oók een geloof, waarbij je haast niet meer hoeft te geloven, want het brengt bij wijze van spreken de wereld van ‘gene zijde’ bij je in de huiskamer. Ik kan niet zeggen dat ik er ooit onvoorwaardelijk in geloofde, wel dat het me een tijdlang fascineerde. Ik stelde  me al gauw kritisch op, want  bij elk geloof, dus ook het spiritisme, vind je fanatiekelingen die dol zijn op zelfgemaakte dogma’s en je dwingen te zien wat zij denken te zien. Ik heb een medium meegemaakt – op zich een best mens –  dat erg haar best deed, maar mij niet overtuigde. Het klopte vaak van geen kanten wat er over haar lippen kwam. En toch heb ik ook sessies van een medium bijgewoond, een zogeheten dieptrance medium, dat zijn zelfbewustzijn helemaal kon uitschakelen en mij van begin af aan frappeerde en van zijn mediale gave volledig overtuigde. Hij was geen talenwonder, maar als het zo uitkwam sprak hij elke taal, van Frans tot Japans. Over de toestand in eigen land of elders op de wereld deed hij treffende uitspraken en voorspellingen die later alle verifieerbaar waren. Hij was een eenvoudig en nuchter man. In een vraaggesprek over zijn werk als medium zei hij: ‘’Ik ben ermee doorgegaan, ik zag er meer goed dan kwaad uitkomen. Om eerlijk te zijn: ik geloof nou ook wel dat het geesten zijn, maar zeker ben ik er nog steeds niet van.’’

Inderdaad een eerlijk antwoord. Ook hier valt niets met stelligheid te bewijzen, maar afwijzen zal ik het zeker niet. Er zijn gewone mensen met helderziende en mediamieke gaven zonder pretenties en zonder binding aan wat voor geloofsovertuiging of esoterisch genootschap ook. Wat ik soms van ze te horen krijg is in elk geval het overdenken waard. Hier geldt het woord van Ludwig Wittgenstein, althans zoals ik meen het te moeten opvatten: ‘’waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’’. Spreken kan ik hier wel over Julianus Apostata (de Afvallige), de derde christenkeizer na Constantijn. Behalve succesvol veldheer was hij neoplatoons filosoof en auteur. Hij ruilde zijn christelijk geloof, waarin hij was opgevoed, maar geen voeling mee had,  in voor de romeinse goden van zijn voorouders. Hij stierf, 31 jaar oud, op het veld van eer. Volgens de overlevering waren zijn laatste woorden: ‘’Waarom treuren  om een ziel die op het punt staat zich te scharen onder de sterren.’’

Deze woorden spreken tot mijn verbeelding. Ze wijzen richting heelal. Daar is ruimte voor vele miljarden sterren binnen ons zonnestelsel en eindeloos ver daarbuiten. Wat een mooi vooruitzicht om straks als ster in een melkwegstelsel te stralen. Dat lijkt me in vergelijking met een overbevolkt hemelrijk een schitterende oplossing, immers aan ruimte geen gebrek. Gekheid natuurlijk, maar toch zou je er op kunnen doordenken. Gesteld dat er zoiets bestaat als een hiernamaals waar je overgaat  in een vorm van energetische kracht. Waar of niet, maar dat komt mij reëler voor dan een leven na de dood. Maar goed, om bij dat leven te blijven: dat kan toch geen leven zijn zoals wij het nu kennen. Of zou het soms kunnen dat we reïncarneren op een andere bewoonbare planeet ergens in dat duizelingwekkende heelal waarin onze aarde slechts een speldeknopje is? Dat er andere planeten zijn met aardse hoedanigheden wordt tegenwoordig niet zonder meer door de wetenschap onmogelijk geacht. Er zijn zelfs al planeten ontdekt die op de aarde lijken, maar die wel om andere sterren draaien dan de zon van ons zonnestelsel en daarom exoplaneten worden genoemd. Komen we na onze dood op een exoplaneet terecht? Mij best. Maar hopelijk is er voor spreiding gezorgd over meerdere exo’s, anders zitten we straks weer in het schip van de volgende overbevolking. Al die miljarden mensen die geleefd hebben, die nu leven en zich miljardenvoudig voortplanten in de toekomst  zie ik na hun dood niet bij elkaar op één zo’n exoplaneet. Toch zijn al die miljarden mensen bij elkaar maar een handvol vergeleken met het oneindige aantal sterrenstelsels. Maar of we na dit leven, waar ook in het heelal, in een ander aards leven zullen overgaan lijkt mij onwaarschijnlijk. Even onwaarschijnlijk als dat de mensheid nog tijdens dit aardse bestaan, volgens de ‘voorspelling’ van astronaut André Kuipers, zich over het heelal zal verspreiden. Dát wordt wat, want we  zijn nu al druk bezig het firmament te vervuilen. Ik zie ze al staan  op Mars, al die eengezinswoningen..

Ik had het over geloof in een hemels paradijs als tragische wens. Daarmee wil ik niet zeggen dat doodsangst de eerste oorzaak van deze wens hoeft te zijn, want dat kan evengoed ook doodsverlangen zijn. We sterven niet allemaal op dezelfde wijze. Maar wat ik hier versta onder tragiek is, dat we naar rust en zekerheid verlangen die het aardse bestaan ons niet verschaft. Bij de wens is inbegrepen dat het goede wordt beloond en het kwade bestraft. De wereldellende  stelt ons tijdens ons leven voor het onoplosbare probleem van de tegenstelling tussen het kwaad c.q. het lijden en het goede. De hoop van de gelovigen is dat er ooit rechtvaardigheid zal geschieden, als door God  de bokken van de schapen zullen worden gescheiden. Dat dit niet zal gebeuren is een onaanvaardbare gedachte. Het wachten is op een betere wereld die op aarde niet zal worden verwezenlijkt, maar na de dood, dankzij het geloof, reëel zal zijn.

Hemel of geen hemel, ik moet zeggen dat ik, hoezeer ik ook die betere wereld betwijfel, overhoop lig met de fenomenen goed en kwaad die mijn leven en dat van alle anderen juist grotendeels bepalen. Nu lijkt Spinoza het mij gemakkelijk te maken. Deze filosoof  ontkent het kwaad en de vrije wil. Wij maken deel uit van de Natuur – voor Spinoza hetzelfde als God – en zijn aan de natuurwetten onderworpen. In de visie van Spinoza bestaat er voor God-Natuur geen objectief kwaad, waaruit volgt dat ook de mens er niet verantwoordelijk voor kan zijn, immers hij beschikt bovendien ook niet over een vrije wil. Met de ontkenning van het kwaad kan, volgens Spinoza, de mens zich ten doel stellen, zich te verlossen van de angst. Pas dan is hij vrij. Ik citeer: ‘’Een vrij mens denkt aan  niets minder dan aan de dood; en zijn wijsheid bestaat niet uit het overpeinzen van de dood, maar uit dat van het leven’’ (Ethica). Dat is prachtig gezegd door een voortreffelijk mens als Spinoza was,  maar ik kan het slechts lezen als eenmansfilosofie. Achteraf beschouwd heeft hij het mij niet gemakkelijk gemaakt. Ik blijf met goed en kwaad overhoop liggen. Dat de mens in principe onderdeel van de natuur is en onderworpen aan haar wetten, kan ik niet ontkennen. Maar verder wil ik met deze lotsbepaling niet gaan, want de mens ligt er niet in vast. Hij is sinds zijn oorsprong niet dezelfde gebleven, maar heeft zich spectaculair ontwikkeld en is niet  blijven stilstaan bij Spinoza. Hij heeft zich losgemaakt van de natuur met behoud van zijn fysiek en zijn natuurlijke behoeften. Hij is het enige losgebroken dier in de tuin van God-Natuur en het laat zich niet vangen. Hij is ook het enige dier dat van zichzelf ‘’cogito, ergo sum’’ (Ik denk, dus ik ben) kan zeggen. En behalve zijn vrije wil om keuzes te maken, beschikt hij over een geweten dat hij naar believen kan in- en uitschakelen. Met zijn natuurwetenschappen is hij in staat natuurwetten zo niet onderuit te halen dan toch sterk naar zijn hand te zetten.

Ik zie geen kans, het kwaad waartoe de mens in staat is, noch het goede dat evenzeer tot zijn mogelijkheden behoort, te objectiveren. Daar komt nog bij dat over beide begrippen op deze wereld verschillend wordt gedacht  Simpel gezegd: wat in de ogen van de een goed is, kan kwaad betekenen voor de ander. Arthur Schopenhauer is van mening dat het absolute goede en kwade vanwege hun subjectiviteit niet of moeilijk kunnen worden vastgesteld, afhankelijk als zij zijn van doel en geloofsovertuiging of ideologie. Maar om het eenvoudig te houden, is het toch niet moeilijk te erkennen dat kwaad als genocide, terrorisme, (burger)oorlogen, politiële dictatuur als absoluut kwaad moeten worden aangemerkt, al zullen de aanstichters er anders over denken. Tot het absolute kwaad moeten bijvoorbeeld ook het bankwezen en de wapenindustrie worden gerekend.  En als noodzakelijk, maar niet minder kwaadaardig kwaad hoort veel politiek, waar ter wereld ook bedreven, hier eigenlijk eveneens  te worden genoemd. Als ik dan de rampzalige gevolgen van het menselijk kwaad overdenk en ze vergelijk met het kwaad dat natuurrampen aanrichten, meen ik een groot verschil tussen menselijk en natuurlijk kwaad te kunnen vaststellen. Het eerste kwaad  is in feite onnodig en onmenselijk, het tweede kwaad is van nature nodig en als zodanig geen kwaad te noemen. Natuurrampen als aardbevingen, orkanen en overstromingen zijn noodzakelijk én oorzakelijk binnen het natuurlijke systeem dat zich van kwaad noch goed bewust is. Dat wij daar aan onderworpen zijn, hoeft niet te worden betwist. Maar omdat wij ons juist wel bewust zijn van goed en kwaad en beide van elkaar kunnen onderscheiden en zij in ieders bestaan de hoofdrollen vervullen, kunnen wij het kwaad niet ontkennen. Doen we dat toch, dan spreekt ons geweten, hoewel het de vraag is, of we ons daar iets van willen aantrekken. We zijn er wel mee toegerust en het maakt deel uit van ons denkvermogen ofwel de rede. Door de rede staan we niet meer op één lijn met de natuur. We staan er met een voet buiten en met een voet in, want voor ons zelfbehoud  kunnen we niet anders. Daaruit volgt dat wij, ter handhaving van onszelf, verantwoordelijk zijn voor het behoud van onze leefomgeving. Dat doet een beroep op onze rede. En met die rede hebben we heel wat te stellen. De grote vraag is: wat is de reden dat wij ons door de rede onderscheiden van de dieren, terwijl wijzelf feitelijk ook dieren zijn? Deze vraag splitst zich in vele vragen waarover filosofen zich al eeuwen het hoofd breken. Vragen als die naar het waarom, het waarvoor, het waarheen, het hoe, het wat. Geen enkel antwoord is bevredigend, het komt neer op gissen en zich weer vergissen. Wat de zin van het leven is mag voor sommigen duidelijk zijn, anderen vinden het een onzinnige vraag of krijgen niet eens de gelegenheid zich die vraag te stellen. Allemaal proberen we het hoofd boven water te houden in de oceaan van de willekeur. Wat is het doel daarvan?  Ook weer een doelloze vraag! Waarom zoveel nood en leed dat niet wordt gelenigd? Geen antwoord.

Ik denk nu aan de eerste vraag uit de katechismus van mijn katholieke opvoeding: ‘’Waartoe zijn wij op aarde?’’ Antwoord: ‘’Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel te komen.’’ Tja, als het zo simpel zou zijn. Maar toch is de vráág terecht. Want in wezen is het niet het geloof die hem stelt, maar de rede waarmee ieder mens, gelovig en niet-gelovig, is begiftigd. Geen ander dier zal zich deze vraag stellen. Zou er dan toch zoiets als een hiernamaals bestaan, waarbij ons denkvermogen tekortschiet om het te bevatten?  Of leef ik slechts om mijn genen door te geven aan volgende generaties? Het succes daarvan moeten die generaties dan maar afwachten, ’t is maar net hoe die genen uitpakken. Tot mijn ergernis ben ik een piekeraar die zich aftobt met allerlei vragen en constateringen, waarvan mijn omgeving zegt: ‘’waar maak je je druk over?’’ of ‘’man, daar moet je niet aan denken’’. ’s Nachts, als ik wakker word, kom ik niet meer in slaap. Een chaos van beelden en gebeurtenissen uit heden en verleden, hetzij privéleven of wereldgebeuren, dient zich aan en laat me niet meer met rust. Gevoelens als spijt, medelijden, machteloosheid, verontwaardiging, ontzetting zorgen voor passende begeleiding. Ik kom er niet van los, maar zie tegelijk de nutteloosheid ervan in. Want wat heeft het inderdaad voor zin ermee bezig te zijn? Maar nu licht toch even het nagloeiende kaarsje uit mijn katholieke verleden op. Want waar dient dan die uitzonderingspositie voor die wij mensen door onze rede op aarde innemen? Ligt er toch nog iets anders in het verschiet? Ik laat de vraag maar voor wat het is en sluit mij aan bij Spinoza die onsterfelijkheid slechts in de onpersoonlijke vorm aanvaardde in het steeds meer verenigd worden met God-natuur ofwel de pantheïstische versmelting van het individu met het Al. Ook Arthur Schopenhauer denkt  in deze richting. In zijn verhandeling ‘Tod und Sein’ wijst hij erop dat ‘’achter ons aardse bestaan iets anders steekt dat voor ons pas toegankelijk wordt als wij de wereld van ons afschudden’’. Aan het eind stelt hij: ‘’want in zijn (Esse), niet in aardse bezigheden (Operari) ligt onze vrijheid’’.

Denkend en schrijvend in de eenzame natuur van Walden, waar hij zich had teruggetrokken,  noteerde de Amerikaanse filosoof Henry David Thoreau in zijn dagboek: ‘’Soms, als ik mij in mijn boot op de vijver van Walden laat drijven, houd ik op te leven en begin te zijn.’’ Een herkenbare ervaring die je bijvoorbeeld kunt hebben tijdens een wandeling, waarbij je genietend van het landschap er gedachteloos  in kan opgaan, even bevrijd van jezelf. En nu denk ik aan een gedicht van de Soefi-mysticus Mirzá Khán Ansári (11e eeuw) waarmee ik wil besluiten. Iedereen mag ‘’Hem’’ in de eerste strofe vertalen volgens zijn of haar eigen overtuiging. Voor de een is het God, voor de ander de Geest, voor deze de Natuur, voor gene een Onzegbare Scheppende Kracht. Voor mij is Hem het Zijn waarin ik ophoud te leven en waarin

 

IK BEN

 

Hoe zal ik omschrijven wat voor ding ik ben?

Volledig bestaand, en toch niet bestaand, ben ik door Hem.

 

Welk niets ook moge voortkomen uit het werkelijk bestaande,

De betekenis van dat niets ben ik.

 

Somtijds een spikkeltje op de schijf van de zon;

Op andere tijden een rimpeling van het watervlak.

 

Nu vlieg ik rond in de wind der gebondenheid:

Nu ben ik een vogel van de onstoffelijke wereld.

 

Ik noem mijzelf bij de naam van ijs:

Bevroren ben ik in het winterseizoen.

 

Ik heb mij in de vier elementen gewikkeld;

Ik ben de wolk in het aangezicht van de hemel.

 

Van eenheid  ben ik gekomen in oneindigheid:

Werkelijk, niets bestaat, dat ik niet ben.

 

Mijn levenskracht komt uit de bron van het leven zelf;

En ik ben de spraak binnen iedere mond.

 

Ik ben het gehoor voor ieder oor;

En ook ben ik het gezicht van ieder oog.

 

Ik ben de mogelijkheid van ieder ding:

Ik ben de perceptie binnen iedereen.

 

Mijn wil en neiging zijn met allen:

Met mijn eigen daden ben ik ook tevreden.

 

Voor de kwaden en verdorvenen ben ik slecht:

Maar voor de goeden ben ik weldadig

 

 

Tom van Ewijk

september 2015