Renders, Hans – Zo meen ik dat ook jij bent

Renders, Hans – Zo meen ik dat ook jij bent
Biografie van Jan Hanlo
De Bezige Bij, 548 pagina’s

 

 

Jan Hanlo (1912-1969) stierf op 57-jarige leeftijd. In een psychiatrisch rapport was te lezen dat hij beheerst werd door puberale gedachten, alcoholisch was, een moederfixatie had en homoseksuele neigingen vertoonde. Jan werd op stand geboren, in het vroegere Indië, en had geen omgang met kinderen van boeren en arbeiders. Een verwend knaapje kortom. Jan zou tot zijn volwassenheid bij zijn moeder in bed geslapen hebben. Al gauw komen er namen voorbij die ook in mijn jeugd en herinneringen een rol speelden: Anton Coolen, Hendrik Wiegersma, Toon Kortooms en nog vele anderen. Hanlo had niets met meisjes, het liefste bleef hij altijd kind. Hij leed onder de afwezigheid van zijn vader. Later zou Hanlo onmatig roken en drinken en roekeloos gedrag vertonen. Hij had een zwak gestel. In het verlengde van zijn Peter Pan syndroom ligt het seksuele verlangen naar jonge kinderen. Nu ja, seksueel, daar had Hanlo niet veel mee, seksuele matiging zal hem nooit zwaar gevallen zijn. Het liefste was hij ‘kind onder kinderen’, hij beschouwde dat als een ‘edele pedofilie’. Bovendien was hij zeer gelovig, schuld lag altoos op de loer.

De eerste schrijfsels van Hanlo zijn schoolopstellen, verrassend goed, ze doen me in de verte aan Nescio denken. Hij hield van jazzmuziek en dat vind ik natuurlijk voor hem pleiten, zelf immers iemand die uitsluitend nog naar jazz luistert. Hij was katholiek, een actief katholiek. Hanlo stortte zich in de wereld van de katholieke film. Hanlo over kunst: “Kunst is het overbrengen van ontroeringen.” Wel, deze Hanlo maakt op mij een behoorlijk bekrompen en geborneerde indruk. Hij was een heuse moraalridder. Als zijn filmclub de film If I had a million draait achten de initiatiefnemers een zekere censuur noodzakelijk. Helaas laat de biograaf ons niet weten welke scène niet mocht worden vertoond! Heel verrassend hield Hanlo vooral van dansen, met name van de charleston en de black bottom. Toch meende Hanlo dat volksdansen aan banden gelegd moest worden omdat het erotische gevoelens op zou wekken. Ook meende hij dat dancings verboden moesten worden. Rare vent! Maar gelukkig zou hij langzamerhand begrijpen dat zoiets als katholieke kunst niet bestaat.

Langzaam maar zeker realiseert Hanlo zich dat hij pedofiel is en dat bracht hem in problemen. Het mocht simpelweg niet, zijn katholieke geloof verzette zich daar krachtig tegen. Hij wilde psychologie gaan studeren om wegwijs te raken in zichzelf. Je kunt je het nu niet meer voorstellen maar kennelijk werd Hanlo gemeden omdat hij een baard(je) had.

Gek genoeg leek de oorlog geen vat op hem te krijgen, het interesseerde hem niet. Hanlo was zwaar alcoholist. Hij werd door de Duitsers tot de Arbeitseinsatz verplicht en werd naar Berlijn getransporteerd en aan het werk gezet in een fabriek in Spandau. Hij kon relatief snel terugkeren naar Nederland wegens ziekte. Over hoe Hanlo de oorlog zelf ervoer en wat hij nou eigenlijk van die Duitsers vond komen we helaas niets te weten.

Na de oorlog probeert Hanlo te publiceren in de Gids maar hij wordt door Van Duinkerken volgens de biograaf hooghartig afgewezen. Die hooghartige afwijzing had de biograaf hier aan moeten leveren, vind ik. Desnoods in een voetnoot.

In een gedicht voor JAC. van Hattum schrijft Hanlo: In de verbeelding is de werkelijkheid een schim / in de werkelijkheid is de verbeelding een schim. Dat vind ik prachtig. Overigens vind ik de gedichten van Hanlo behoorlijk ondoorgrondelijk, niet een wereld die je zo maar even betreedt.

In mei 1947 laat Hanlo zich opnemen in een psychiatrische kliniek. Eerst in Amsterdam, daarna, een paar maanden later, in Heiloo, uit welke inrichting hij op zeker moment wegvlucht. Hij werd er behandeld voor schizofrenie. De biograaf lijkt hem goed en diep te begrijpen, hij weet althans genoeg manieren te vinden om Hanlo te analyseren en interpreteren. Ik kan daar niet zo veel mee, zeker niet als ook Renders zelfs in tongen gaat spreken. Zoals: “Zou Hanlo (hierbij) gedacht hebben aan Hegels sinnliche Scheinen der Idee als manifestatie van het absolute?” Las Hanlo Hegel überhaupt? En dan nog, wat staat hier nou eigenlijk? Schrijnend is de beschrijving van de periode dat Hanlo opgenomen was in een psychiatrische kliniek in Heiloo. Niet alleen had hij Christuswanen en was hij oedofiel, hij werd er ook voor zijn homoseksualiteit behandeld, die in die jaren nog als een ziekelijke afwijking werd beschouwd. De middelen die werden ingezet waren gasbehanding, elektrische schokken en castratie. In Deuteronomium staat nota bebe geschreven: “Hij, die door kneuzing ontmand is of wie het mannelijk lid is afgesneden, zal niet in de gemeente des Heren komen”. ‘T is maar dat u het weet! In de tekst suggereert de biograaf dat ook Hanlo werd gecastreerd maar dat schrijft hij niet. Wel schrijft hij dat ‘het castratiemes zijn werk had gedaan’ en verderop dat ‘hij zich vrijwillig had laten verminken’. En ‘door de ingreep in Heiloo’. Ik heb al die pagina’s over dit thema nog eens nagelezen maar nergens schrijft de biograaf dat Hanlo zich toen en toen heeft laten castreren dan wel werd gecastreerd. Als hij dat niet heeft kunnen achterhalen, hoe weet hij dan of Hanlo zich nu wel of niet heeft laten castreren? Merkwaardig! We weten het dus niet zeker (maar het lijkt wel alleszins waarschijnlijk!) en het is een gruwelijke gedachte.

Jan Hanlo werd met enige gedichten opgenomen in de bundel atonaal van Simon Vinkenoog, daarmee was hij de facto een vijftiger. Hij schreef in mijn geboortejaar 1950 zijn roemruchte gedicht Oote oote oote. Een hoe dan ook verbluffend gedicht waar heel wisselend op werd gereageerd. Maar de suggestie van de biograaf dat hier de homo erotische gevoelens van de dichter een ontlading vinden, wijs ik als klinkklare onzin van de hand. Dat is een sterk staaltje hineininterpretieren zonder ook maar de geringste bewijslast. Michel van der Plas kan er ook wat van als hij over een gedichtenbundel van Hanlo schrijft: “Ik geloof dat hier de simpelheid zó op de spits gedreven is , dat de expressie hier zózeer ontdaan is van alles wat meer is dan de primitiefste opwelling, dat men niet meer kan spreken van een herschepping, een poëtische her-rechtvaardiging van de simpele opwelling”. En nou nog een keer in gewoon Nederlands, Michel van der Plas! Trouwens, ook Hanlo zelf kon in onbegrijpelijke taal oreren over dichtkunst.

Hanlo was ongetwijfeld gek en gestoord en hij kon zich ook ongelofelijk irritant gedragen, zeker als hij gedronken had. Het zal niet eenvoudig zijn geweest iets van een normaal contact met hem te onderhouden. En dat hij niets van Nescio moest hebben neem ik hem ook niet in dank af. We zijn inmiddels in de jaren vijftig aangeland. Ik werd geboren en Jan Hanlo liet het dichten voor wat het was en ging proza schrijven. Wat me opvalt is dat in brede kring bekend was dat Hanlo een pedofiel was maar hij was geen paria. Sommigen meden hem misschien maar zeker in het literaire wereldje werd hij niet met de nek aangekeken. Ik denk dat men in die tijd misschien toch meer tolerantie opbracht dan heden ten dage denkbaar zou zijn. Misschien dat Edward Brongersma (1911-1998) hier een rol heeft gespeeld. Hij was namens de PvdA senator van 1946-1950 en van 1966-1970) en bepleitte acceptatie van pedofielen. Hij was zelf ook pedofiel en het klimaat in die jaren leek veel opener dan het momenteel nog is.

Overigens blijkt uit dagboeknotities van Hanlo dat hij zich tegenover kleine jongetjes als een roofdier gedroeg: altijd rondspiedend en onmiddellijk op hol slaande emoties wanneer hij de blik van zo’n jongetje wist te vangen. Het lijkt misschien niet waarschijnlijk dat Hanlo zich ooit daadwerkelijk aan een jongetje vergreep maar je krijgt toch de indruk dat hij een wandelende tijdbom was. Al moet ik hier meteen aan toevoegen dat het er alleszins op lijkt dat Hanlo weliswaar avances naar jongetjes maakte maar onmiddellijk ophield als zij daar niet op ingingen of niet in mee wensten te gaan. Anders gezegd: hij drong zich nooit op. Hanlo realiseerde zich donders goed hoe problematisch zijn geaardheid was en zocht naar manieren om er tenminste met anderen over te spreken. Veel verder dan een gesprekje met Brongersma is hij echter nooit gekomen.

Heel opmerkelijk is dat Hanlo wat geld verdiende met de handel in aandelen en effecten. Dat is wel het laatste wat je van deze excentriekeling zou verwachten.

Dan is er de aandoenlijke geschiedenis tussen Jan Hanlo en Ronald Dietz, de latere uitgever. Mooi beschreven, dit uiteindelijk treurige verhaal. Want zoveel is zeker, wie als pedofiel door het leven gaat, heeft de moeilijkste weg af te gaan. Teleurstelling lijkt onontkoombaar je deel, nooit is er de vervulling van een zo hevig gekoesterde liefde. En al helemaal niet als in je borst het seksuele, het erotische en het literaire met elkaar een gevecht aangaan.

Dan reist Hanlo naar Marokko, verliest zich in hevige promiscuïteit en krijgt het voor elkaar, hoe bizar, een Marokkaans jongetje te ‘adopteren’ en mee te nemen naar Nederland. Dat kan niet goed gaan en dat gaat het ook niet. Renders wil hier vooral overbrengen hoezeer Hanlo teleurgesteld raakt door het mislopen van dit avontuur, het mislukken van het door Hanlo zo gewenste vaderschap maar dat alles maakt niet ongedaan dat Hanlo geen enkel gevoel voor realiteit en haalbaarheid had en in feite op een onverantwoorde manier ook het leven van Mohamed in de waagschaal van zijn eigen volstrekt wereldvreemde verlangens had geplaatst. Overigens krijg je, gelukkig maar, nergens de indruk dat Mohamed schade heeft opgelopen door zijn contact met Hanlo, integendeel.

Hoewel Hanlo op zijn motoren vaak roekeloos gedrag vertoonde, wijst niets erop dat hij doelbewust een ongeluk veroorzaakte . Ook al verlangde hij na alle tegenslagen (merendeels door hemzelf in gang gezet) soms naar de dood. Hij bezweek aan een noodlottig ongeval omdat een boer (waarom moest deze met naam en toe naam worden vermeld?) had verzuimd het kapotte lampje in de richtingaanwijzer van zijn tractor te vervangen.

Ik vind dit een zeer knap geschreven biografie, zeker in die passages waarin Renders zich verdiepte in de psychiatrie en Jan Hanlo als psychiatrisch patiënt. Het is kennelijk een terrein waarop de biograaf zich thuis voelt. Ook al moet ik eerlijkheidshalve opmerken dat het inlevend vermogen hier en daar erg ver dreigt te gaan. Dan ligt hineininterpretieren op de loer. Ook de tekstduiding gaat mij soms iets te ver, althans, ik lees niet in de woorden van Hanlo wat Renders er in leest. Maar hij zou gelijk kunnen hebben.

Sommige vergelijkingen van Renders zijn wat merkwaardig en zinloos zoals die met Hegel waarvan we helemaal niet weten of Hanlo hem las. Ook ziet hij een verwantschap met Mondriaan maar neemt niet de moeite dat uit te leggen en ik begrijp daar niets van. En dan schrijft hij dat Hanlo “diepzinnig was, maar met een schitterende lichte vorm ‘a la Lewis Carrol en Edward Lear”. Tja, ik neem het maar op gezag aan maar wat ik ooit van de eerste las dateert van meer dan vijftig jaar geleden en van de tweede had ik nog nooit gehoord.

Maar dit is hoe dan ook een razend boeiende biografie van een zeer gecompliceerde persoonlijkheid, van een dichter en schrijver die niet altijd even doorgrondelijk was maar die wel enorm fascineerde en intrigeerde. Ik ga op zoek naar het verzameld werk van deze getroebleerde schrijver en dichter. En dank Hans Renders voor een prachtige biografie! Ook Hanlo zou hem, zo lijkt mij, hiervoor dankbaar zijn geweest. Aan het einde hou je toch echt een beetje van die man.

 

Enno Nuy
Februari 2026