De Geus, 336 pagina’s

Ach wat houd ik van de kust, al sinds onze eerste heuse vakantie in de zomer van 1959, een weekje Vlieland! Maar op Vlieland kom ik niet meer sinds het ten prooi viel en haar schatten verkocht aan de superrijken. De laatste keer dat ik het eiland bezocht is alweer meer dan 15 jaar geleden toen ik met de Stortemelk (hogelijk verrast dat dat schip nog in de vaart was) van Terschelling naar Vlieland voer waarbij we onderweg vastliepen op een zandbank. Op Terschelling hebben ze van het strand in de periode september tot april een heuse snelweg voor de lokale SUV-bezitters gemaakt, met dank aan de firma Landrover godbetert! En in Zeeland is de kust vrijwel volledig bezet door camper en caravan. Gelukkig zijn er oorden aan de kust waar je nog steeds kunt genieten zonder in een massa op te moeten gaan. En hoe het ook zij, op een of andere manier lijkt het aan de kust en zeker op de eilanden altijd lichter in beide betekenissen van het woord, alsof de zwaartekracht zich er minder doet gelden.

Als er dan een boek verschijnt met de titel Aan zee, behoor ik tot een van de eerste kopers. Zeker nadat ik zeer genoten had van het vorige boek van deze schrijver, Martin Hendriksma, De Rijn. In zijn nieuwe boek volgt de schrijver min of meer hetzelfde procedé: wat gaat schuil achter de waarneembare werkelijkheid, wat kunnen we nog achterhalen van de geschiedenis en hoe werkt die geschiedenis door in het heden?

Een even heerlijk als verontrustend boek. Hendriksma laat ons zien hoe onze kust in krap honderd jaar tijd is geëvolueerd van een ruige en nauwelijks bezochte kuststrook naar een overbevolkte toeristenverzamelplaats, beheerd door projectontwikkelaars, een reep land die tegelijkertijd bedreigd wordt door klimaatverandering en zeespiegelstijging.

Deze kustgeschiedenissen van Hendriksma beginnen met twee oorden die al lang verdwenen zijn: Saeftinge en West-Vlieland. Vooral het eilandverhaal is prachtig. Veel minder fraai is de korte geschiedenis over de MCC, de Middelburgse Commercie Compagnie, een vol broertje van de VOC. Slavenhandel, hoe kort ook beschreven, het blijven droeve verhalen, diep treurig. Vooral het ontbreken van ieder vorm van mededogen, laat staan moreel besef is ronduit schokkend. Iedere keer weer en het lukt me maar niet me neer te leggen bij de wel vaker gehoorde verdedigingslinie: “ja, zo deden ze dat in die tijden”. Het argument van de historiciteit is een wansmakelijk voorbeeld van mentale gemakzucht.

In eerste instantie diende de kust vooral de elite ter vermaak en heling bij een zwakke gezondheid. Maar dan wel voor de meer  vermogende burger. Pas later vond ook de gewone burger zijn weg naar het strand. “Van adellijk strand naar allemanszand” schrijft Hendriksma. Het is knap hoe hij aan onze kustlijn zoveel verhalen weet te ontfutselen die ons, die vandaag hierover lezen, direct in contact brengen met gebeurtenissen en anekdotes van twee of drie eeuwen her.

Hendriksma kan schrijven en bezigt een fraaie stijl, waarvan hier slechts een enkel voorbeeld: “Hun handen staken in de lege zakken van een oliejas, waar de schuld schrijnde van het leven op de pof”.

Of: “De schuivende platen van het wad leken onaangedaan. De vijftig tinten grijs waarop de majesteitelijke kluut en zijn eeuwig opgewonden adjudant de scholekster over het ondervolk van strandlopertjes regeerden”.

Prachtig en indrukwekkend is het verhaal van de vissersramp in Moddergat waar wij onlangs nog waren en onze ogen goed de kost gaven. 83 Vissers vonden de dood op 6 maart 1883. Hulp aan de nabestaanden bleef veel te lang uit en de plaatselijke middenstand was in een keer een groot deel van haar clientèle verloren, waardoor de gevolgen van de ramp zich alleen maar uitbreidden. De hervormde gemeente was zeer bemiddeld maar stak geen poot uit naar de vele weduwen. Vijf jaar na de ramp stapte het hervormde Moddergat in 1888 met zijn allen over naar de gereformeerden. De enige visser die gered werd was Gerben Basteleur. Hendriksma: “Luttele dagen na zijn redding trok hij alweer met een aak de zee op. Hij had direct heet. Het eerste wat hij ving was het lijk van zijn broer”.

Heerlijk is het verhaal over het kamperen in Hoek van Holland, ook wel Rotterdam aan Zee genoemd. Maar ook het treurige verhaal over Monster met het monument van zinloosheid, de Bloedberg of de kinderkolonie-verhalen uit Egmond aan Zee zijn meer dan lezenswaard. Net als het verhaal over de naaktrecreatie in Callantsoog. Maar sinds de nieuwe preutsheid zijn (her)intrede deed, is er van bloot op het strand niet veel meer te merken.

Bepaald niet zonder belang is Hendriksma’s vaststelling dat het Rijk de inrichting van de kuststrook overliet aan de gemeenten waardoor projectontwikkelaars overal alle ruimte leken te krijgen. Een ontwikkeling die zich nu in Coronatijden lijkt te versterken door een zichtbare toename van het binnenlands toerisme. In Katwijk, zo lezen we verderop, kunnen ze daar inmiddels ook over meepraten.

Nog meer vakantieparken en eindeloos stijgende prijzen. De provincie Zeeland vormt eigenlijk een triest dieptepunt, jonge Zeeuwen trekken weg uit de provincie zo gauw ze de kans krijgen. Buiten het toerisme en wat industrie rond Terneuzen lijkt er niet veel te zijn dat jonge Zeeuwen ertoe kan verleiden binnen de grenzen van de provincie hun heil te zoeken. Nooit geweten, by the way, dat je ooit van Rotterdam naar Haamstede kon vliegen!

Prachtig ook zijn de waarnemingen die Hendriksma in Katwijk doet: “als de dominee preekt, vult de zee de komma’s”. Ja, dat is jaloersmakende taal. En juist dat verhaal over Katwijk met die fraaie Andreaskerk gebruikt de schrijver om uit de doeken te doen welke uitdagingen ons staan te wachten als gevolg van zeespiegelstijging en klimaatveranderingen. We kunnen die toekomstscenario’s niet serieus genoeg nemen. Doen we dat door rigoureuze ingrepen of doet zich onze polderdrift aan zee gelden en bedenken we een heel scala aan lokale oplossingen? En hoe gaan we ons verhouden tot het almaar stijgende toerisme, zeker ook aan de kust en dan hebben we nog niet eens helder zicht op wat zich allemaal in die Noordzee afspeelt!

Hoe dan ook, een heerlijk boek, dit Aan Zee. Van een schrijver die met liefde over zijn thema schrijft, die de moeite neemt in archieven te duiken en geschiedenissen naar boven te halen. Een goed stilist bovendien. Ik houd van zulke literatuur, het is me vele malen liever dan fictie.

 

Enno Nuy
Juni 2021