Wetenschap aangaande God

Ik kende hem niet, deze Gijsbert van den Brink. Hij is universitair hoofddocent systematische theologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het gereformeerde protestantisme aan de Universiteit van Leiden.  In ABC 69 – juli 2008 publiceert hij een (boek)bespreking van met name een boek van J. Wentzel van Huyssteen (Human uniqueness in science and theology  met als subtitel Wetenschap aangaande God, een poreuze grens tussen wetenschap en theologie) alsmede een boek van Ted Peters (Anticipating omega, science, Faith and our ultimate future). Van den Brink verwijst ons naar Pannenberg die als een van de eersten theologie definieerde als de ‘wetenschap aangaande God’ en poneert dat “het geheel van de werkelijkheid waarin wij leven zich het beste laat begrijpen wanneer we uitgaan van het bestaan van een God die onze werkelijkheid geschapen heeft en zich met haar inlaat”.

God is Neptunus

Zoals het bestaan van Neptunus door Alexis Bouvard correct was voorspeld, zo zal eschatologische verificatie aan moeten tonen voor gelovigen én ongelovigen of de God-hypothese juist is. Pannenberg acht het redelijk om nu al te geloven in God omdat het christelijk-theïstisch paradigma een groter probleemoplossend vermogen zou hebben dan andere levensbeschouwingen. Bij het lezen van zulke zinnen dringt zich aan mij dan meteen al de boosaardige gedachte op: “ja, nogal wiedes als je achter elke vraag die je niet beantwoorden kunt God kunt plaatsen”. Maar Pannenberg heeft het niet over een God van de gaten; God dient bij hem niet als alternatieve verklaring voor verschijnselen waarvoor we vooralsnog geen sluitende wetenschappelijke verklaring hebben. Ook datgene wat we uitsluitend langs empirisch-wetenschappelijke weg kunnen verklaren vindt voor Pannenberg zijn laatste zin en grond uiteindelijk in God.

Osmose?

J. Wentzel van Huyssteen, hoogleraar Theology and Science te Princeton, volgt het voetspoor van Pannenberg en is stellig overtuigd van de menselijke uniciteit. De mens onderscheidt zich uiteindelijk van andere primaten in het gegeven dat menselijke intelligentie religieus kan zijn, iets wat we nergens elders in de natuur aantreffen. De stelling van Wentzel van Huyssteen is nu dat het merkwaardig is om de toename van cognitieve vermogens bij de mens als reële vooruitgang te zien terwijl de ontwikkeling van religieus besef ten hoogste een kennelijk voordelige fictie zou zijn. En ofschoon Wentzel van Huyssteen deze stelling niet koppelt aan of presenteert als een Godsbewijs, is hij wel overtuigd van de natuurlijkheid van religie – af te leiden uit de prehistorie van het menselijk brein – hetgeen een argument vormt voor de rationaliteit en plausibiliteit van godsdienstig geloof. En het is op dit punt dat Wentzel van Huyssteen de grens tussen natuurwetenschap en theologie poreus acht.

Vooruitgangsgedachte

De eerste faux pas die hier gemaakt wordt betreft het begrip ‘vooruitgang’. Een evolutie bioloog zal de mens niet als vooruitgang beschouwen en terecht want die propositie is ook niet vol te houden. De mens is slechts een van de vele diersoorten die tot nog toe in de evolutie overeind is gebleven. De door de mens ontwikkelde cognitieve vermogens zijn vooral een gevolg van het feit dat de soort mens in groepsverband van meer dan 120 leden is gaan wonen. Zonder lichaam geen brein en zonder lichaam geen bewustzijn, dat heeft die biologie ons inmiddels wel geleerd. De kwalificatie vooruitgang suggereert dat de mens een hoger doel dient en daartoe wel eens voorbestemd zou kunnen zijn maar niets is minder waar.

Maar ook om hele praktische redenen is de term ‘vooruitgang’ hier niet op zijn plaats: er is niet één soort in de natuur te vinden die zozeer in staat is een zelfdestructief vermogen te ontwikkelen als de mens, ook de lemmingen niet waarvan we inmiddels begrijpen dat het collectief een afgrond inspringen op een fabeltje berust. Als de mens zichzelf vernietigt in een nucleair inferno blijkt die vooruitgangsgedachte toch wel heel erg betrekkelijk. Zoveel is zeker dat in een dergelijke Apocalyps de soort mens definitief het onderspit zou delven terwijl de bacterie zonder enig probleem overeind en in stand zou blijven!

Ook religie een product van evolutie

En sinds Kris Verburgh en andere evolutie biologen weten we dat ook de oorsprong van geloven ons naar de evolutie voert: door intenties toe te schrijven aan zielloze dingen, verklaart de mens de hem omringende wereld op een voor hem begrijpelijke en aanvaardbare manier. Zo ontstonden regengoden en woudgeesten en bedenk hierbij dat het vanuit evolutionair standpunt bezien verstandig was dat kinderen hun ouders onvoorwaardelijk zouden geloven en gehoorzamen. En het was de evolutie die de mens over bewustzijn en zelfbewustzijn deed beschikken en begrippen als dromen en ziel ontwikkelde: de geest leek, aldus Verburgh, los te staan van het lichaam. En zo kon langzamerhand een Opperwezen een meer dan centrale plaats in het leven van de mens innemen. U begrijpt dat op basis van deze evolutionair-biologische redenatie de stelling van Wentzel van Huyssteen niet overeind blijft.

Ted  Peters (BA, Michigan State University; MDiv, Trinity Lutheran Seminary; MA, University of Chicago; PhD, University of Chicago; DHL, Wittenberg University; Assistant Professor, Newberry College; Associate Professor, Loyola University; pastorates in Illinois and New York) is een andere representant van moderne theologen die van mening zijn dat wetenschap religie versterkt. In tegenstelling tot Wentzel van Huyssteen onderzoekt hij niet de oorsprong van de mens maar diens doel. Zijn hoofdstelling is dat de evolutionaire ontwikkeling een enorme plasticiteit en variabiliteit te zien geeft in levensvormen en dat juist deze dynamiek het mogelijk maakt ons een transformatie voor te stellen naar een uiteindelijke vervulling van de geschiedenis zoals in de Bijbel wordt aangeduid.

Doelloos bestaan

Bij nadere beschouwing leren we dat theologen het vooral problematisch vinden dat de evolutionaire biologie geen doel in het vooruitzicht stelt en dat is op zich niet zo vreemd. Een theïstische wereldbeschouwing bestaat immers bij de gratie van een vooropgesteld doel. Ted Peters beschouwt de opstanding van Jezus als een voorbode van wat eens mogelijk zal blijken te zijn: het gaat niet om de herleving van een lijk maar om de omvorming van het leven naar een nieuwe bestaanswijze die niet langer vatbaar is voor veroudering, dood en bederf.

En hiermee raken we meteen aan een zeer actueel thema. Een bestaanswijze die niet langer vatbaar is voor veroudering, dood en bederf is slechts te bereiken door middel van genetic engineering, eugenetica en embryoselectie! Precies die fenomenen uit de moderne wetenschap waartegen iedere religie zich met alle macht en kracht verzet! En toch zegt Ted Peters: “Met Pasen kondigde God een nieuwe natuurwet af, die we ergens in de toekomst universeel zullen zien worden”. Van den Brink waardeert een dergelijke stelling als een creatieve bijdrage aan de discussie over geloof en wetenschap ook al laat deze zich niet verifiëren of falsifiëren. “In die zin bedrijft Peters theologie en geen wetenschap”, aldus van den Brink.

Een korte wetenschapsfilosofische verkenning

In Ars disputandi 6 (2006) stelt Maarten Wisse naar aanleiding van een bespreking van Een publieke zaak: theologie tussen geloof en wetenschap van Gijsbert van den Brink: “op het eerste gezicht lijken de claims van theologen, of preciezer gezegd: religieuze gelovigen sterker dan  de claims van de beoefenaren van andere wetenschappen, omdat de wetenschappelijke claims – in tegenstelling tot theologische claims –te allen tijde een hypothetische basis hebben. Axioma’s zoals dat leven bestaat in de biologie, betoogt van den Brink, zijn van dezelfde aard als de theologische claim dat God bestaat, een claim die de hypothese overstijgt; God heeft immers zichzelf geopenbaard. Wisse stelt hier tegenover dat de scepticus kan opmerken: “tja, ik doe wel biologische research maar misschien leven we wel in een bedrieglijke wereld; dingen bestaan enkel in onze ervaring maar niet in werkelijkheid”.  In deze context is de claim dat leven bestaat noodzakelijk want de conditio sine qua non voor het feit dat we überhaupt research doen.

Theologische claims laten zich, aldus Wisse, niet verenigen met de scepticus omdat theologische claims vooral van metafysische en niet van fysieke aard zijn. Francis Turretin heeft een en ander als volgt geformuleerd: “ Het axioma – “wetenschap bewijst haar onderwerp niet, maar neemt het voor waar aan”- is waar in mens- en inferieure wetenschappen, maar niet in theologie. Theologie is van een hogere orde omdat ze zich uitstrekt over het bewijs van alle dingen die bewezen kunnen worden door de middelen eigen aan zichzelf (door goddelijke openbaring). Zij doet dit niet instrumenteel maar gezaghebbend”.

Ja dit staat er allemaal echt! Wetenschap is de kunst van het verifiëren of falsifiëren van hypotheses. Iets is waar zolang het tegendeel niet aangetoond kan worden maar we moeten ons wel tot het uiterste inspannen om een bewering onderuit te halen en dat doen we door herhaalbaar en verifieerbaar onderzoek. Theologie vertrekt als enige niet vanuit een hypothese maar vanuit een waarheid, immers de Goddelijke openbaring. En de theologie, zegt Turretin, is nu eenmaal gezaghebbend. Het is niet voor niets dat hij alle wetenschappen inferieur noemt. Nu leefde deze Francis Turretin in de 17de eeuw maar Maarten Wisse vindt dat geen beletsel om bij hem te rade te gaan. Tja…

Metafysische mist

Ik weet niet hoe het u vergaat maar deze grensverkenningen tussen theologie en wetenschap charmant en elegant noemen, zoals van den Brink betoogt, gaat mij toch echt te ver. Het lijkt er veel eerder op dat de theologie vreest ver achter te blijven bij de bevindingen van de door Augustinus zo verfoeide nieuwsgierigheid: de wetenschap. Hier is geen sprake van osmose of porositeit van een grens tussen theologie en wetenschap maar hier is sprake van niets anders dan een verdediging ex ante. Wat mij betreft hoort deze theologische ‘wetenschap’ thuis in het rijtje creationisme en intelligent ontwerp. En al deze quasi wetenschappelijke metafysische mist kan niet verhullen dat hocus pocus blijft wat het is: hocus pocus. De hier geciteerde theologen lijken met een zekere gretigheid het gezelschap van de wetenschap op te zoeken alsof daar een extra rechtvaardiging van hun eigen pseudo-wetenschap te vinden zou zijn. Want laten we over een ding toch vooral helder zijn: theologie is géén wetenschap en zal dat ook nooit worden. De theologie staat tot aan haar nek in de mystiek en gaat definitief kopje onder wanneer de dogmata onderuit gehaald worden. Het mag allemaal hoor, eerbare mensen, maar  vruchteloze arbeid, alleen geschikt voor mensen die de gedachte niet verdragen dat het aards geploeter wel eens géén hoger doel zou kunnen dienen.

 

Enno Nuy

Juli 2008

 

Bronnen en verwijzingen

Gijsbert van den Brink, Philosophy of science for theologians, Peter Lang, Frankfurt am Main 2008
ABG # 69 juli 2008, Gijsbert van den Brink, Wetenschap aangaande God
Kris Verburgh – Fantastisch, over het universum in ons brein
Ars disputandi 6 (2006) Maarten Wisse: Review of Een publieke zaak: theologie tussen geloof en wetenschap
http://www.arsdisputandi.org/publish/articles/000253/article.pdf
http://nl.wikipedia.org/wiki/Alexis_Bouvard
http://faculty.plts.edu/profiles/peters.htm
http://www.giffordlectures.org/Author.asp?AuthorID=267
http://www.ptsem.edu/PTS_People/faculty/vanhuyssteen.php