De almachtige Knevel accepteert het niet

image_pdfDit artikel downloadenimage_printDit artikel uitprinten

Interview namens de EO met Paul Rosenmuller op 19 juli 2004, Radio 1.

 

Hedenochtend nam Andries Knevel, de directeur van de EO – die van mening is dat nog steeds niet wetenschappelijk is komen vast te staan dat Darwin het met zijn The origin of species aan het rechte eind had – Paul Rosenmöller de maat. In zijn onlangs verschenen boekje over zijn Haagse jaren had Rosenmöller gerefereerd aan zijn lidmaatschap van de Groep Marxisme Leninisme en zich in dit werkje omtrent dit onderwerp beperkt tot de kwalificatie jeugdzonde. Nu heeft Rosenmöller bij herhaling aangegeven dat hij deze groepering in 1982 definitief had verlaten en zich sedertdien ook nadrukkelijk had gedistantieerd van het gedachtegoed dat in deze kringen in zwang was. Knevel wenste echter geen genoegen te nemen met de kwalificatie jeugdzonde en verlangde groter woorden van Rosenmöller. Hij verwachtte, neen eiste spijt en diepe schaamte. Knevel speelde officier van justitie en rechter tegelijk in dit interview op de vroege maandagochtend.

Rosenmöller gaf aan dat hij zelf zijn lidmaatschap beoordeelde in de context van zijn Amsterdamse studentenjaren tussen midden jaren zeventig en begin jaren tachtig. Toen hij zich in zijn werk in de Rotterdamse haven realiseerde dat hij met het gedachtegoed van de ML beweging geen centimeter opschoot, liet hij, primair op pragmatische gronden, deze wereld achter zich. Het siert hem dat hij volkomen openhartig over deze episode spreekt en achteraf verantwoording aflegt zonder zich te verschuilen achter grote woorden die grote gevoelens of emoties kunnen suggereren maar evenzo vaak niet meer dan een dubbele bodem blijken te zijn.

Maar Knevel accepteerde het niet en werd meerdere keren tijdens het interview emotioneel; zo af en toe meende ik zelfs hem zelfgenoegzaam horen snuiven toen hij Rosenmöller weer eens met citaten uit de tijd van weleer confronteerde.

Rosenmöller erkende volmondig dat het Rode Boekje van Mao destijds als een soort bijbel gold, dat Stalin het voordeel van de twijfel kreeg omdat hij het Duitse monster had verslagen en dat de harde dagelijkse werkelijkheid niet voor werkelijkheid werd gehouden, simpelweg omdat die niet strookte met het wensbeeld van een menselijke samenleving en haar grote (veronderstelde) voorvechters.

Maar Knevel accepteerde het niet en gaf aan dat hij zelf destijds journalist was en niet had opgehouden de wereld ervan te overtuigen wat voor misdadigers Mao en Pol Pot wel niet waren. Rosenmöller hield hem voor dat ook de Bijbel en met name het Oude Testament wemelt van passages die niet langer als politiek correct worden beschouwd; de homofilie, de positie van vrouwen enzovoorts. Maar Knevel accepteerde het niet en riposteerde dat de kerkgemeenschap reeds honderden jaren geleden afstand had genomen van deze passages!

Ik weet niet in welke tijd Knevel leeft maar zijn zelfgenoegzaamheid was stuitend. Hij immers stond aan de goede kant, hij immers had zich nooit bezondigd aan idolatrie voor misdadigers uit de menselijke geschiedenis; hij zou deze Rosenmöller wel eens even vonnissen. Het gaat mij niet om Rosenmöller. Die heeft mijn hulp niet nodig, hij verdedigt zichzelf wel en blijft, althans wat mij betreft, probleemloos overeind. Ook ik heb in mijn studententijd, veel eerder nog dan Rosenmöller, geheuld met het gedachtegoed van ultralinks. Ik nam deel aan politeia groepen en maakte mij de beginselen van de marxistische economie eigen, ik verslond Het Kapitaal maar ook de boekwerkjes van Ernest Mandel, zelfs las ik Hegel en Engels, Herbert Marcuse.

Ook ik ben schoolgegaan aan universiteiten waar de waan van de dag heerste, waar niet-linkse hoogleraren of lectores a priori gewantrouwd, zo niet buiten de orde gesteld werden; universiteiten waar studenten activisten de dienst uitmaakten. In mijn studie antropologie – en ik geef meteen toe dat ik zelf wellicht een wat al te naïeve en romantische voorstelling van deze studierichting had – leerde ik helemaal niets en moest ik deel nemen aan projectgroepen over revolutionaire bewegingen in Cambodja en Zuidelijk Amerika. Ik leerde mensen kennen uit het Griekenlandkommittee, het Zuid Afrikakommittee en de Communistische Partij Nederland die mij op een donderdagnamiddag in het Utrechtse nog eens gescreend hebben in de tijd dat ik op de Rooie Akademie in Driebergen-Zeist vertoefde.

Ik herinner mij nog hoe Karel van het Reve verketterd werd en hoezeer ook ik wantrouwen koesterde jegens mensen die verhaalden van moord en doodslag aan het linkse front. Dergelijke geluiden waren mij niet welkom maar ik realiseerde me wel dat wanneer ze op waarheid berustten, ik daar onmiddellijk mijn consequenties uit diende te trekken. Lid geworden ben ik nergens van, nimmer in mijn leven (op een korte periode na waarin ik mij tot de PvdA had bekeerd). Van opzeggen is het dan ook nooit gekomen, van distantiëren wel. Maar ik heb mij nimmer gedistantieerd van deze linkse bewegingen vanwege de massamoorden, die drongen immers eerst veel later tot mij door. Neen, het was in 1972 of daaromtrent dat ik met mijn ‘kameraden’ – met wie ik al zo weinig ophad – een carnavalsavond in Nijmegen in de kroeg zou doorbrengen; ik had mij er wat van voorgesteld omdat het met deze knapen slecht kersen eten was gebleken: nimmer een gewoon gesprek, nooit eens gewoon lol trappen, nooit eens een menselijke maat; enkel de zaak, alleen de revolutie telde. En tot mijn verbijstering werd halverwege de avond, toen wij allen reeds veel meer bier hadden weggewerkt dan normaal gesproken goed voor ons was, plots de Internationale aangeheven. Ik herinner mij die ene gedachte die de kracht van een stellige overtuiging had: ik moet hier wegwezen. Ik heb hen nooit weergezien.

Maar Knevel accepteert dit niet en verlangt van mij groter woorden.  Ook Bolkestein heeft deze figuur wel eens toegepast, vergeefs overigens. Mulisch gaf geen krimp. Deze hele geschiedenis doet mij denken aan de wijsgeer die door een interviewer werd geconfronteerd met inconsistenties en inconsequenties in zijn gedrag; de wijsgeer bleek niet van gisteren en antwoordde: “maar beste man, heeft u ooit wel eens een wegwijzer naar zichzelf zien wijzen?”

Tja, wegwijzers hebben we genoeg. Bolkestein gaf ook geen krimp toen hij werd geconfronteerd met zijn Zuid Afrika en Saddam Hussein verleden. Alleen mijnheer Knevel, die doet het anders. Hij accepteert het niet en eist grote woorden. Mijnheer Knevel klaagt aan en veroordeelt. Ik krijg altijd een wee gevoel in mijn maag bij zulke lieden. Ook bij mij zult u geen spijt aantreffen. Ja, ik was naïef en heb een tijdje lang geflirt met het gedachtegoed van ultralinks. De communistische ballotage in Utrecht en de Internationale in Nijmegen openden mij de ogen: foute boel, wegwezen hier. Het was de menselijke maat die mij de weg wees, niet het politieke geweld waarvan ik mij eerst veel later in de volle omvang bewust werd. Wie zijn ogen definitief voor de werkelijkheid sloot mag men ter verantwoording roepen. Wie weten kan maar blijvend niet weten wil, die mag men als een paria van zich werpen. Wie de Goelag Archipel of de Holocaust ontkennen durft, die mag men de oren wassen. Enne…. hoe zat het nou ook alweer met het wetenschappelijke bewijs van Darwin, mijnheer Knevel?

 

Enno Nuy, juli 2004 (www.ennonuy.com)