De Geus, 408 pagina’s

 

Martin Walser, geboren in 1927 in Wasserburg aan de Bodensee heeft een specifieke plaats ingenomen in de zogeheten Historikerstreit in Duitsland met als inzet de vraag hoe de Duitse natie haar oorlogsverleden verwerkt. Walser heeft zich met kracht verzet tegen de neiging de Duitser, iedere individuele Duitser een eeuwig schuldgevoel aan te praten, alsof alleen langs die weg de Duitse natie gezuiverd zou kunnen worden. In dit verband sprak hij onder meer over de instrumentalisering van Auschwitz en de niet aflatende zelfbeschuldiging door de Duitsers. In Een springende fontein, dat zich in Wasserburg afspeelt in de jaren voorafgaande aan en tijdens de tweede wereldoorlog komt een passage voor die cruciaal is voor een goed begrip van de visie van Martin Walser:

Het verleden zit op zo’n manier in het heden dat het er niet uit gewonnen kan worden zoals je een stof die in een andere stof zit met een slimme procedure er uit kunt halen zodat je die stof als zodanig hebt. Het verleden als zodanig bestaat niet. Het bestaat alleen als iets wat in het heden zit, doorslaggevend of onderdrukt en vervolgens doorslaggevend omdat het onderdrukt is. Het idee dat je het verleden kunt wekken als iets dat slaapt, bijvoorbeeld met behulp van gunstige formules of via herkenningsgeuren of andere ver teruggaande signalen, zintuiglijke of psychische gegevens, dat is een illusie waaraan je je kunt overgeven zolang je niet merkt dat datgene wat je als teruggevonden verleden beschouwt een stemming of een humeur van het heden is, waaraan het verleden meer de stof dan de geest heeft geleverd. Zij die het hartstochtelijkst naar het verleden zoeken, lopen het grootste gevaar dat wat we zelf geschapen hebben te beschouwen als dat wat ze zochten. We kunnen niet toegeven dat er niets anders bestaat dan het heden . Want ook dat bestaat praktisch niet. En de toekomst is een grammatikale fictie. (-) Sommigen hebben geleerd hun eigen verleden af te wijzen. Zij ontwikkelen een verleden dat nu gunstiger wordt gevonden. Dat doen ze ter wille van het heden. Je krijgt maar al te precies te horen welk soort verleden je moet hebben gehad om er goed van af te komen in het heden dat op dit moment heerst. (-) Het is voorstelbaar dat het verleden helemaal gaat verdwijnen, dat het alleen nog maar iets is waarin je kunt uitdrukken hoe het je nu te moede is of beter gezegd te moede moet zijn. Het verleden als een voorraad waarvan je je kunt bedienen. Naar behoefte. Een geheel en al ontsloten, doorgelicht, gereinigd, goedgekeurd, volkomen voor het heden geschikt verleden. Ethisch, politiek nauwkeurig gecorrigeerd. Voorgedaan door onze slimste, meest onberispelijke mensen, de besten”.

Dit nu is het centrale thema van de Historikerstreit in Duitsland. Walser is helder: de Duitse geschiedenis is een betreurenswaardige geschiedenis; er werd een monstrum voortgebracht dat wandaden van een ongekende omvang en perversie tot stand bracht, een monstrum dat in staat bleek de grote volksmassa’s te mobiliseren en hypnotiseren en voor zover dat vermogen niet toereikend was werd de toevlucht tot terreur genomen. De nazi die zich schuldig maakte aan illegale vee- en vleeshandel eindigde in het gevang, evenals de gerespecteerde burger die geen tegenstander van het heersende regiem was maar ook met zijn handen niet van jongetjes af kon blijven. Wat er met de Joden is geschied, dat weten we; de wandelende of eeuwige Jood, wie paste beter in het Feindbild dat het regiem nodig had om haar daden op welk niveau dan ook te kunnen rechtvaardigen. Maar, zegt Walser, ondanks die massale steun voor Hitler en de zijnen, mag niet worden gekonkludeerd dat ieder Duits individu medeschuldig was en blijft aan de misdaad van het Dritte Reich; mag niet worden gekonkludeerd dat iedere individuele Duitser die tot de jaren van het verstand was gekomen op het moment dat Hitler de macht greep, tot in lengte van jaren persoonlijk medeschuldig, medeverantwoordelijk kan worden gehouden voor de wandaden, namens het Duitse volk gepleegd; het is onaanvaardbaar wanneer Duitsland haar verleden slechts zou kunnen verwerken wanneer iedere individuele Duitser het mea culpa uitspreekt, blijft uitspreken.

De titel van deze roman is afkomstig uit de Zarathustra, uit het Nachtlied om precies te zijn.

Nacht is het: luider spreken nu alle springfonteinen. En ook mijn ziel is een springfontein. Nacht is het: eerst nu ontwaken alle liederen van minnenden. En ook mijn ziel is het lied van een minnende. Iets ongestilds, onstilbaars is in mij; dat wil tot klinken komen. Een zucht naar liefde is in mij, een zucht die zelf de taal der liefde spreekt. Licht ben ik: ach, was ik maar nacht! Doch dit is mijn eenzaamheid, dat ik door licht omgord ben.[1]

 Het lied dat Johann het liefste voorlas aan zijn vader die hem de liefde voor dichters en schrijvers bijbracht. Zijn vader die niets moest hebben van de bruine bende maar overleed voor het uitbreken van de oorlog. De moeder van Johann werd wél lid van de partij zonder daar meteen een heldere argumentatie voor te hebben; ook bleef zij haar geloof trouw en kon ze niet uit de voeten met de goddeloosheid van de meeste nazi’s. Voor Johann maakte dit alles niet veel uit; pas in het laatste jaar van de oorlog was hij oud genoeg om zich aan te melden en hij deed dat uit overtuiging, maar niet als nazi. Hij wordt ook niet toegelaten tot de officiersopleiding omdat hij een te oorspronkelijke, te zelfstandige geest blijkt te zijn. Johann is een dromer, een dichter, een filosoof die met verwondering het leven dat hem overkomt ondergaat, die zijn weg zoekt in de chaos van zijn tijd; die het recht op eist om de mens te worden die in hem besloten ligt maar daar door het tijdsgewricht waarin hij geboren werd, de ruimte niet voor krijgt; Johann sluit zijn ogen voor de verschrikkingen van de oorlog en het nazidom of beter gezegd: hij neemt ze wel degelijk waar maar besluit ze niet tot zijn wereld toe te laten terwijl tegelijkertijd duidelijk is dat ook hij op jonge leeftijd al onherroepelijk door de terreur is aangetast. Maar wat overheerst is de wil om te leven, te onderzoeken, zijn dichterschap, zijn schrijverschap, zijn seksualiteit.

Deze Johann is een mens zoals wij allemaal, niet goed, niet slecht volgens de flaptekst, waar ik eerder zou zeggen: niet beter en niet slechter dan ieder van ons. Maar medeschuldig aan de wandaden en perversies van het Dritte Reich? Neen, dat is niet vol te houden, hoezeer Daniel Goldhagen ons ook anders wil doen geloven. Het ging Walser erom deze Johann te schetsen tijdens die jaren voorafgaande aan en tijdens de oorlog, niet hoe Johann daar zelf, jaren later, op terug zou zien. Walser vertrouwt onze reconstructies van het verleden immers niet, zeker niet waar het het individuele verleden betreft. Walser schetst Johann en zijn familie in een prachtige roman, een familieroman, een streekroman vol met schitterende en ontroerende anekdotes, prachtig verteld binnen het historische kader van de jaren dertig uit de vorige eeuw in een klein dorp in Zuid Beieren. Halverwege deze ongekend fraai geschreven vertelling past Walser een verrassende kunstgreep toe, het wonder van Wasserburg. Ik laat het aan de geïnteresseerde lezer over dit wonder zelf te ontdekken. Als voorheen: Walser is een groot schrijver, hij verdient het om gelezen te worden.

 

Enno Nuy

Mei 2006

 

[1] Vertaling van Albert Volbehr (http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/nietzsche/zarathoestraindex.htm)