Uitgegeven bij De Geus, 222 pagina’s

Het boek dat in Duitsland een storm van kritiek oogstte. Het zou antisemitisch zijn en een infame aantasting van de naam Reich-Ranicki. Het eerste heb ik na lezing niet vast kunnen stellen en bovendien past dat ook niet bij de persoon van Martin Walser. Het tweede kan niet worden ontkend maar mag niet als een wandaad worden betiteld. Walser beoogde met dit boek een aanklacht te schrijven tegen de manier waarop schrijvers zichzelf soms prostitueren om maar in het gevlei bij de gevestigde critici te kunnen geraken. Alles voor de omzet niewaar en massale verkopen leiden vanzelf tot een plaats(je) in de literaire geschiedenis.

Dat Marcel Reich-Ranicki hier ten tonele wordt gevoerd – wie kent hem niet deze Duitse literatuurpaus? – is zo vreemd niet. MRR heeft zich bepaald niet bij iedereen geliefd gemaakt en heeft het zelfs eens gepresteerd zich op de cover van Der Spiegel af te laten beelden terwijl hij een boek verscheurt, nadat hij de roman van Günther Grass tot de grond toe had afgebrand. Me dunkt, dat is een actie, een goed criticus onwaardig. Maar MRR leek zichzelf als plaatsvervanger van de literaire God te beschouwen, publiceerde zelfs zijn Canon en het spreekt voor zich: wie daar niet op voorkwam was tot in het oneindige gedoemd tot een plaatsje aan de literaire zelfkant. Zelfingenomenheid kan deze MRR niet ontzegd worden en hij leek inderdaad omgeven te worden door een tamelijk kritiekloze coterie. Het is precies dát fenomeen dat Walser in dit boek beschrijft.

MRR heet hier André Ehrl-König, een wat opzichtige verbastering van Erlkönig. Deze Elfenkoning is beroemd geworden door Goethe en Schubert. Goethe dichtte over deze sprookjesfiguur als volgt:

Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind;
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.

Mein Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht?
-Siehst, Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron und Schweif?
-Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif.

-“Du liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel ich mit dir;
Manch bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand.

“Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht?
-Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind;
In dürren Blättern säuselt der Wind.

-“Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn,
Und wiegen und tanzen und singen dich ein.”

Mein Vater, mein Vater, und siehst du nicht
dortErlkönigs Töchter am düstern Ort?
-Mein Sohn, mein Sohn, ich seh es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau.

-“Ich liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch ich Gewalt.
“Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan!

-Dem Vater grausets, er reitet geschwind,
Er hält in Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Mühe und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.

Deze elfenkoning is geen Duits volksgeloof maar vindt zijn oorsprong in Scandinavië; een bovennatuurlijk wezen dat bij nacht de kinderen der mensen rooft. Op dezelfde wijze berooft de (verbasterde) Elfenkoning van Walser de schrijver van zijn schepping.

Het boek is vernuftig opgebouwd en is een onmiskenbaar Walser-boek. Knap geschreven in zijn typische grammatica, waarbij zinnen vaak als gedachten worden opgeschreven; soms ontbreekt het onderwerp, soms het gezegde, soms het lijdend voorwerp. De “slordigheid” die we ons ook in ons denken regelmatig veroorloven. Toch valt er wel het een en ander op dit boek aan te merken.
In de eerste plaats is de opening wat ongeloofwaardig: de bekende criticus is verdwenen en een door hem afgekraakte, gesloopte schrijver is opgepakt op verdenking van de moord op de criticus. Er is echter geen lijk en uit niets kan worden afgeleid dat hij vermoord is. Pas tegen het einde wordt kenbaar gemaakt dat er een pull-over met bloed van de criticus in de sneeuw is aangetroffen maar ook dat rechtvaardigt nog niet de conclusie dat hij dus vermoord zou zijn. Toch wordt het hele betoog opgebouwd rond de veronderstelde moord. Sterker nog, de ik-figuur, een collega-schrijver, heeft zichzelf de taak opgelegd te bewijzen dat de beschuldigde het niet gedaan kan hebben.

De beschuldigde is de schrijver van het boek De wens, misdadiger te zijn. Politie, journaille, scribenten en de coterie rond de Elfenkoning menen hierin een impliciete bekentenis te lezen. Maar het geschrift zelf is volstrekt hermeneutisch, ontoegankelijk. Tenminste, de passages die Walser citeert waren aan mij niet besteed. Ik begreep ze niet, klinkklare kletsika als je het mij vraagt.
Ook wordt een Saturnica met de naam Julia Pelz ten tonele gevoerd. Ook haar geschriften zijn voor een gewone sterveling als ik niet te volgen. Wat moet je ermee?
En eigenlijk geldt dit voor het gehele slothoofdstuk waarin de ik-figuur van personage wisselt: niet langer is hier de schrijver aan het woord die de beschuldigde hoopt vrij te pleiten maar nu is opeens de beschuldigde, die we in het hieraan voorafgaande hoofdstuk nog in een diepe psychose zagen verkeren, aan het woord. Je voelt je op het verkeerde been gezet: zijn beschuldigde en vrijpleiter een en dezelfde figuur? Neen, dat kan toch niet. Heb ik iets over het hoofd gezien? Ik weet het niet.

Dat ik het boek desondanks waardeerde komt in de eerste plaats door het schrijvers- en vooral verteltalent van Martin Walser. De manier waarop hij zijn personages tot leven brengt is schitterend. Dit was eerst het tweede boek dat ik van hem las en ik heb het gevoel dat dit een van zijn mindere werken zal blijken te zijn. Althans, mijn bezwaren tegen deze roman wegen behoorlijk in het eindoordeel.

Tot slot nog twee opvallende zaken, overeenkomsten zo u wilt met De levensloop der liefde: ook in dit boek komt Andy Warhol voor met dit verschil dat hij hier een portret geschilderd zou kunnen hebben waar hij dat in het leven van Edmund en Suze Gern tatsächlich deed; en ten tweede de zelfmoord van de al evenmin toegankelijke maar wonderlijk beschreven Mani Mani (en dat een krankzinnige ook in zijn geschriften ontoegankelijk is, dat mag Martin Walser niet verweten worden; sterker nog, ik vond het razend knap hoe hij een krankzinnige in een hopeloos geschrift toch tot leven wist te wekken) die net als de ongelukkige schoondochter van Suze Gern van een brug afsprong (het was niet dezelfde brug, want schoondochter deed het in Düsseldorf en Mani Mani in München).

 

Enno Nuy 2003