Uitgegeven bij De Geus, 571 pagina’s

Nog nooit iets gelezen van deze Martin Walser, wel over hem. Over de controverses die hij oproept als hij schrijft over de nimmer aflatende zelfbeschuldigingen van Duitsers inzake de tweede wereldoorlog en de instrumentalisering van Auschwitz. Over de opschudding die hij veroorzaakte met zijn De dood van een criticus dat in 2002 verscheen en waarin de moord op een bekend criticus wordt geschetst, een boek dat geacht werd te verwijzen naar de grote Pools-joodse literatuurpaus Marcel Reich-Ranicki, wiens familie grotendeels is omgekomen in Duitse concentratiekampen.. Een vaak onaangename man, deze Marcel Reich-Ranicki die met zijn literaire kritiek wel voor vuurwerk in de wereld van de Duitse literatuur zorgde maar soms ook zo ongenadig schrijvers en hun werk neersabelde dat het vaak weg had van een persoonlijke vete. Zo heeft hij ooit eens een boek van Günther Gras voor de camera verscheurd. Maar zoals gezegd, in zijn programma´s gebeurde altijd wel iets sensationeels en de man was onmiskenbaar buitengewoon belezen en erudiet.

Het schandaal rond De dood van een criticus was reeds geboren toen de Frankfurter Allgemeine Zeitung na lezing van het manuscript een voorpublicatie weigerde en een van de hoofdredacteuren, Frank Schirrmacher, het besluit in een open brief aan Walser als volgt motiveerde: «Dit boek is een document van haat vol antisemitische clichés.» Zonder één letter in het boek te hebben gelezen, betoogden critici dat Walser dit keer écht te ver was gegaan. Martin Walser is als schrijver de hemel in geprezen. In de vele controverses die hij achter zich heeft liggen, kreeg hij altijd veel lof vanwege zijn moed «om de verlammende werking van de herinnering aan de catastrofe van Hitler-Duitsland te doorbreken». Maar nu heeft de beroemde en veel gelauwerde schrijver, met een ruim oeuvre van tien romans, toneelstukken en honderden essays, zelfs de steun van zijn trouwe aanhangers, zoals tot voor kort ook Schirrmacher, verloren. Het uitgebroken nationale debat in de Berliner Republik toont andermaal hoe sterk gepolariseerd de politieke cultuur is — links en rechts verwijten elkaar morele chantage van het geweten — en hoe het nazi-verleden daarin een open zenuw blijft.

Walsers bekendste controverse is zijn dispuut uit 1998 met de toenmalige president van de Centrale Joodse Raad van Duitsland, Ignatz Bubis. In zijn dankwoord bij de aanvaarding van de vredesprijs van de Duitse boekhandel sprak Walser over de «instrumentalisering van onze schande voor eigentijdse doeleinden», en betoogde dat de eindeloos herhaalde beelden van de concentratiekampen een uitnodiging zijn tot wegkijken. Bubis betichtte hem na afloop van «morele brandstichting». Hij zou een nieuw nationalisme propageren dat verlost is van het slechte geweten. De bevrijding daarvan loopt volgens Bubis uit op een ontkenning. Walser zegt dat het precies omgekeerd is: hij wil absoluut niet de ellende van de holocaust ontkennen of relativeren. Maar hij vraagt zich af hoe men de vrijheid van geweten kan verdedigen tegenover de routine en dwang van het herdenken. Het geweten is volgens hem een private aangelegenheid — «iedereen is uiteindelijk met zijn geweten alleen» — en wordt door de publieke bekentenissen van schuld en boete misvormd. «Er is ook zoiets als de banaliteit van het goede, de dwang van de goede bedoelingen», zei hij als omkering van de Hannah Arendt-uitspraak «de banaliteit van het kwaad». «Men rijdt een tijdje mee met de schuld-en-boete-trein, omdat men zich verplicht voelt om mee te rijden, maar tijdens de reis denkt men aan andere zaken.» Het ritueel van herdenken is onderhevig aan inflatie. Tegen over monumentalisering van de schande stelt hij een privatisering van het herdenken. Hij vindt dat zijn land langzamerhand in de fase is gekomen waarin het normaal met zichzelf en het verleden moet kunnen omgaan.

Van Martin Walser kan niet worden gezegd dat hij in zijn lange loopbaan als schrijver, essayist en publiek spreker het verleden heeft ontkend. Zijn hele oeuvre kan zelfs worden gezien als een poging om werkelijk te willen doorgronden waarom Duitsland in 1933 massaal achter Hitler aanholde. Zijn eigen kleinburgerlijke achtergrond in de zuidelijke grensstreek hanteert hij bij zijn zoektocht als een prototypische nazi-voedingsbodem. Geboren in 1927 als zoon van een herbergier in Wasserburg am Bodensee beleefde hij de oorlog zoals de meeste gewone Duitsers. Hij bezocht de middelbare school en nam vanaf zijn zestiende deel aan de verplichte Arbeits- und Wehrdienst. Maar ook sneuvelde zijn broer en zag hij hoe zijn diepreligieuze moeder met overtuiging toetrad tot de NSDAP. Later heeft hij in zijn boek Ein springender Brunnen (1998) de omstandigheden beschreven waaronder zijn moeder tot deze keuze kwam. Ook in andere boeken probeert hij gewetensvol de wereld van de verliezers zorgvuldig uiteen te zetten.

Paul Scheffer zegt daarover in een essay in de bundel Gegijzeld door het verleden: «Zijn denken over Duitsland is gevormd door een genegenheid voor de verliezer die hij in zijn essays en in zijn literaire werk heeft getoond. De belangrijkste romanfiguren van Walser zijn helemaal geen helden, maar mensen die kommervol door het leven gaan. De verliezers zijn van alle tijden, maar hun levensverhaal is opgenomen in de grotere geschiedenis van een natie die het onderspit heeft gedolven. Zoals we weten wordt de geschiedenis geschreven door winnaars. Het is bijna een standaardformulering in het werk van Walser. Degenen die aan de foute kant van een historische afrekening terechtkomen, wordt het recht tot spreken ontzegd. Ze hebben verloren, maar zijn nog in leven, dus wat hebben ze te klagen?»

Diezelfde Reich-Ranicki vond een roman van meer dan 250 pagina’s onzinnig en per definitie mislukt. Ook deze Walser zal hem dan wel niet bevallen zijn maar ik weet niet of hij het boek ooit publiekelijk besproken heeft. En om dan maar te beginnen met mijn oordeel over deze roman: groots, meeslepend, buitengewoon ontroerend en liefdevol geschreven, een zonder meer schitterende roman! Maar voor ik zover was, is er veel gebeurd. Gedurende de eerste 30 à 40 pagina’s van deze roman behield ik het gevoel dat ik af zou haken, wilde ik dit allemaal wel weten, lezen, had ik wel genoeg interesse voor tal van details waar ik doorgaans niet aan wil? Maar ik kon het boek ook niet terzijde leggen om me er vervolgens geheel in te verliezen.

De roman vertelt het leven van Suzi Gern en is geheel vanuit haar belevingswereld geschreven. Ongelooflijk knap hoe Walser een vrouw van vlees en bloed tot leven brengt in deze roman; althans voor mij als mannelijk lezer ontstaat een volstrekt geloofwaardig beeld van een vrouw die haar eigen leven “denkt”. Deze Suzi is von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt. Niet alleen waar het haar wettige echtgenoot betreft die wel met haar getrouwd is maar sex uitsluitend met andere vrouwen beleeft; deze vrouw is liefde op een vrijwel onvoorwaardelijke manier en zo verhaalt zij van haar minnaars aan wie ze vaak te weinig eisen stelt en van wie ze telkens weer enorme verwachtingen koestert; maar echt onvoorwaardelijk is haar liefde voor haar gehandicapte dochter Conny. De relatie tussen moeder en dochter wordt werkelijk magistraal en buitengewoon ontroerend beschreven.

Maar ook de andere hoofdpersonen in deze geschiedenis worden, veelal aan de hand van anekdotes zodanig helder getekend dat ze tot leven komen zonder een uitgebreide psychologiserende karakterbeschrijving. Met name het uiteraard synchroon lopende relaas van de echtgenoot, Edmund Gern maar ook dat van Ottilie, een van haar hulpen in de huishouding zijn een genot om te lezen, in directe en vaak droge bewoordingen opgetekend, soms hilarisch en voortdurend volstrekt geloofwaardig. Enkel in het derde en laatste deel van deze roman neemt Suzi’s leven een wending waarbij ik me afvraag in hoeverre de geloofwaardigheid enigszins geweld wordt aangedaan maar om deze gedachte toe te lichten zou ik teveel van het boek nu al prijs moeten geven en dat wil ik de geïnteresseerde lezer(es) niet aandoen. Maar desondanks, is ook dit derde deel zeer, zeer fraai en eigenlijk het meest ontroerende deel. Suzi krijgt het slot dat je haar zo vurig toewenst en in de tussentijd is zij een vrouw geworden die zichzelf niet verloochende en die het leven aan bleek te kunnen, die al haar tegenslagen wist te overwinnen omdat ze von Kopf bis Fuss auf Liebe eingestellt was.

Wat een prachtig boek, nu de rest van deze schrijver maar aanschaffen!

Enno Nuy 2003

Geraadpleegde bron: De Groene 8 juni 2002 Margreet Fogteloo (Onverkramp