Meulenhoff, 490 pagina’s

 

Een fraai openingsstatement in dit boek over papier. Van Antonio Basanta in Lezen tegen het niets: “Lezen is altijd een verplaatsing, een reis, een weggaan om elkaar te ontmoeten. Lezen, hoewel doorgaans een zittende activiteit, maakt in ons weer de nomade wakker”. Dat is precies hoe ik zelf lezen ervaar, er nooit genoeg van krijg.

Over bezit gesproken, in een van de eerste decreten die de jonge Alexander afkondigde stelde hij: “de aarde beschouw ik als van mij”. En hij wilde ook alle boeken bezitten, waar ze ook maar geschreven waren. Niet dat hij er tijd voor had, hij voerde alleen maar oorlog, las dan vooral in de Ilias en stierf door koorts of verraad toen hij 32 jaar oud was. Maar het moet gezegd, het schijnt dat Alexander alle volken met elkaar wilde verbinden en zich met elkaar wilde laten vermengen. Racisme was hem vreemd, zo schijnt het en dat siert hem natuurlijk maar eerst moest hij al die volkeren wel veroveren. Hij was een imperialist avant la lettre. Het Hellenisme deed zich gelden van Europa tot de Indus. En zoals altijd en overal ontstond er xenofobie. Maar dat alles neemt niet weg dat Alexander een kosmopoliet in de ware zin van het woord was, die als eerste bewust globalisering nastreefde en dat maakt hem tot een fascinerend mens.

Opmerkelijk dat Erathostenes (276 – 194 aC) al doorhad dat de aarde rond was. Hij zag dat waar de zon op een zekere plaats geen schaduw vormde, er tegelijkertijd op een verder weg gelegen plaats wel een schaduw ontstond. De konklusie lag voor de hand. Hij berekende de omtrek van de aarde op 47.000 km en dat is verbluffend nauwkeurig gezien zijn meetmethode en -instrumenten. Ver voor Copernicus (1473-1543) en Galilei (1564-1642) begreep hij al dat wij ons in een heliocentrisch stelsel bevonden. De stoommachine is uitgevonden door Heron van Alexandrië en niet door James Watt. Of was het toch Archimedes? En fascinerend is The Rosetta Project: een tekst is in duizend talen vertaald microscopisch klein op een nikkelen plaat geëtst zodat de betekenis van taal kan worden achterhaald ook nadat de laatste native speaker is verdwenen. Na het papyrus kwam het uit dierenhuiden vervaardigde perkament in zwang, afkomstig uit Pergamon. Het zou een hele tijd duren voordat het papier ontwikkeld werd.

Interessant en belangwekkend is de constatering van de schrijfster dat de taal architectonische aanpassingen onderging toen de oraliteit werd verlaten: de syntaxis stond nieuwe logische structuren toe en het vocabulaire werd abstracter. Literatuur vind nieuwe wegen buiten het dwingende vers. Die verbreding van perspectieven lag aan de basis van de geschiedenis, de filosofie en de wetenschap.

Het schrift ontstond zesduizend jaar geleden in Mesopotamië, India en China. We gaan ervan uit dat bezittingen hier een grote rol speelden, de mensen bekwaamden zich eerst in rekenen (teneinde de eigen bezittingen te kunnen inventariseren) en daarna pas in schrijven, zo wordt nu algemeen aangenomen. We begonnen met tekeningetjes en tekentjes maar gingen langzaam over op letters. Maar vergeet niet, de D stond ooit voor deur, de M ooit voor golvend water, de N was een slang, de O een oog.

De eerste auteur die een tekst ondertekent met de eigen naam is een vrouw. Enheduanna (2285-2250 v chr), hogepriesteres van Nanna, schreef zo’n 1500 jaar voor Homerus. Ook de oudste astronomische waarnemingen staan op haar naam! Later zal Telemachos zijn moeder Penelope toebijten dat ze haar mond moet houden omdat haar stem niet in het openbaar gehoord mag worden. De Atheense democratie was gebaseerd op de uitsluiting van vrouwen. Zelfs vrouwenrollen in het Atheense theater werden door mannen gespeeld. De mannen die vrouwen verbeeldden droegen lange pruiken en acteerden op plateauzolen, dragqueens avant la lettre.

Het is niet ondenkbaar dat Europa een Arabische naam is, ‘erebus’ ofwel het land waar de zon sterft. “Europa werd geboren toen de letters, de boeken en het geheugen werden omarmd. Haar bestaan dankt ze aan de geroofde wijsheid van het Oosten. Laten we niet vergeten dat er een tijd was waarin wij – officieel – de barbaren waren”.

Buitengewoon interessant zijn de passages over de verontrustende en tegenstrijdige Plato en de directe link die Vallejo legt van Plato naar het hedendaags wokeisme. Een fenomeen dat zij, gelukkig maar, hekelt, op heldere en ondubbelzinnige manier. Wie uit Huckleberry Finn het woord ‘nigger‘ haalt, haalt de werkelijkheid van die tijd onderuit. Nieuwe lezers zullen dan nooit meer ervaren hoe die werkelijkheid echt voelde noch wat de gevolgen daarvan waren.

We zijn inmiddels in het tijdperk van de Romeinen beland en leren dat er halverwege de eerste eeuw voor Christus in Italië zo’n twee miljoen slaven zijn geweest. Vooral Grieken (heel vaak intellectuelen en filosofen) maar ook buitgemaakten uit Hispania, Gallië en Cartago. Cicero bezat zo’n twintig slaven!

Slaven speelden een hoofdrol in de Romeinse geschiedenis van boeken. En het waren de Romeinen die de basis legden voor het boek zoals wij dat heden ten dage kennen, zij bedachten de kunst van het boekbinden. En het boek (codex) betekende een enorme verdichting van informatie: in een boek pasten met gemak 15 rollen perkament.

Vallejo laat zien dat fans die hun popidolen adoreren geen verschijnsel zijn dat in de jaren zestig van de vorige eeuw ontstond maar werden voorafgegaan door aanbidders van grote dichters ten tijde van de Romeinen en later door de enorme schare bewonderaars van Liszt, waar hij ook maar kwam. Maar met boek kwam ook het verbod op het boek, de angst voor het boek, de censuur uitgeoefend door het bange gezag, de boekverbrandingen.

Nog zo’n opmerkelijk gegeven is de pedofilie onder Grieken en Romeinen, zij het dat pedofilie alleen was toegestaan met iemand van een lagere stand. En dan de teksten Ovidius! En plotseling bevind ik me weer in de derde klas van het gymnasium, bijna zestig jaar geleden, toen priesters mij de eerste beginselen van het Grieks bijbrachten, toen ik Homerus, Xenofon, Caesar, Cicero en Ovidius moest vertalen. Onbegrijpelijke verzen omdat onze leraren nog nooit van context hadden gehoord en ons daar ook niet in onderwezen. Stellig lazen ze zelf in de avonduren stiekem het proza van Ovidius over de liefde (Ovidius was in Minnekunst de eerste pleitbezorger van wederzijds genot) maar wij moesten het doen met dorre en saaie teksten die we, ook na moeizame vertaling, maar niet wisten te doorgronden, het onderwijs uit die dagen leidde niet tot enthousiasme. Had ik dit prachtige boek van Irene Vallejo toen maar kunnen lezen, ik zou heel wat beter hebben opgelet tijdens die jarenlange lessen. Ik zou hebben begrepen dat die Griekse en Romeinse schrijvers en dichters nog veel meer voor mij in petto hadden, ik zou nieuwsgierig zijn geraakt!

Wat je ook van de Romeinen mag denken, opmerkelijk is hun waardering voor de Griekse schrijvers en dichters. De Romeinen erkenden in de Grieken hun meesters en hadden totaal geen last van chauvinisme.

De Romeinen creëerden onder keizer Carvalho in 212 het eerste Europa avant la lettre, alle inwonenden van het rijk, inclusief de slaven kregen burgerrechten, het Romeinse burgerschap. Maar iets meer dan  tweehonderd jaar later zou het Romeinse Rijk instorten toen de laatste keizer, Romulus Augustulus, aftrad. We schrijven het jaar 476. Vanaf dat moment kregen ook boeken het moeilijk. En werden er weer heel veel verbrand. Het zouden vooral de kloosters zijn die zich over de boeken ontfermden tot de boekdrukkunst werd uitgevonden, rond 1450 door Johannes Gutenberg in Mainz. Het papier deed zijn intrede.

Vallejo herinnert ons nog maar eens aan Stefan Zweig die schreef: “Boeken worden geschreven om, los van de eigen adem, mensen met elkaar te verbinden en ons zo te verdedigen tegen de onherroepelijke keerzijde van elk bestaan: vluchtigheid en vergetelheid”.

Vallejo kan schrijven, zoals blijkt uit deze zin: “Het eerste boek uit de geschiedenis ontstond toen woorden, neergeschreven luchtstroom, vaste grond onder de voeten kregen op het binnenste van een waterplant”. Of: “We kennen de gevleugelde woorden via het tegendeel, de vaste woorden van het geschrift”. Of: “En juist die verbannen verhalen – literaire vluchtelingen in het vreemde land van geschreven teksten – vormen de ruggengraat van onze cultuur”. Of: “Want in de oprechtste lach klinkt nog de opstandigheid door tegen overheersing, gezag, tegen rangen en standen – de gevreesde ongehoorzaamheid “. Of: ”Er is een fractie van een seconde waarin elke vertaling raakt aan het duizelingwekkende, de verontrustende ontmoeting van een tekst die oog in oog staat met zijn dubbelganger, de kwantische verbijstering van de superpositie van toestanden”. Of: De weemoedige hartstocht, het smartelijke complex van de Romeinen, hun militaire overwicht, hun afgunst en hun toe-eigeningen zijn fascinerende verschijnselen. Want die moeilijke liefde, bestaand uit begeerte en woede, geweven net verschillende stukken stof, baande een weg naar de toekomst die wij zijn”. Of: “Ze vervlochten werkwoorden en wol, adjectieven en zijde. Vandaar dat tekst en textiel zo veel woorden delen: het stramien van het verhaal, de ontknoping van de intrige, de rode draad in het boek”.

Dit magistrale werk van Irene Vallejo werd voortreffelijk vertaald door Adri Boon (ik kwam slechts een slordigheid tegen, op pagina 335, waar hij schrijft ‘tot aan Catullus aan toe’ maar dit lelijke zinnetje is echt het enige dat men de vertaler voor de voeten kan werpen.

Kortom: een erudiet maar vooral schitterend boek! Het schrijfplezier spat van iedere pagina af, geen wonder dat ik hier zo waanzinnig veel leesplezier aan ondervond! Ik ben een verwoed en altoos enthousiast lezer maar ik heb in geen tijden zo’n prachtig boek gelezen. Een echte klassieker, een liefdevolle ode aan de klassieken.

 

Enno Nuy
Januari 2023