Nalatenschappen van een schaapherder

Hollands Diep, 269 Pagina’s

 

We kennen James Rebanks van Het herdersleven, een prachtig boek over het houden van schapen en alles wat daarbij komt kijken. In dit Pastorale schetst Rebanks het boerenleven in dit tijdsgewricht, wetende dat de boer vele verwijten worden gemaakt, soms terecht. Het boeren heeft hij van zijn opa geleerd, met zijn eveneens boerende vader kon hij niet best overweg en hij geeft genoeg voorbeelden van het nurkse karakter van zijn oude heer om aannemelijk te maken dat hij weinig plezier aan hem beleefde, laat staan dat hij bereid zou zijn iets van zijn vader aan te nemen of te leren. Om uiteindelijk te erkennen dat hij zijn vader wel degelijk respecteerde en van hem leerde. De eerste hoofdstukken, waarin de schrijver vooral laat zien hoe hij het boerenvak leerde van zijn opa, doen me sterk denken aan de jeugdherinneringen van Maarten Toonder sr met de voogd op Schiermonnikoog, zo fraai beschreven in Klei en zout water en Meeuwenjong.

Rebanks kan schrijven, zoveel is zeker. Heel fraai is hoe hij soms in enkele zinnen een anekdote vertelt waar hij ook een heel hoofdstuk aan had kunnen weiden. Zoals de vier zinnen waarin hij vertelt dat zijn oma zijn opa had willen verlaten nadat hij een ander vrouw met jong had geschopt maar haar vader stuurde haar terug: “Je hebt je bed gespreid en nu moet je erin liggen”. Prachtig, zulke bijna droogkomische levenslessen à la Kalman Stefánsson.

Dan, als de grootvader overlijdt, trekt Rebanks naar Australië waar hem geleerd wordt dat boeren om schaal draait. Heimwee drijft hem echter snel weer naar de fells van het Lake District, waar hij zich realiseert dat zijn vader de oude veel te kleine boerderij op het ruige stenige land nooit winstgevend kan maken. Uitputting van de toch al schrale bodem vormde het grootste probleem, totdat Fritz Haber kunstmest op basis van ammoniumnitraat uitvond. Een product dat overigens eerst werd toegepast in giftig chloorgas dat in WO I werd gebruikt en later in Zyklon B dat in WOII zo’n sinistere toepassing kreeg. Maar ook pesticiden bleken onmisbaar om onkruid te verdelgen. En snel werd DDT grootschalig ingezet. En er werd steeds meer werk machinaal gedaan, met steeds zwaardere trekkers. Obstakels als bosjes, heggen, vijvers, moerassen of rivieren werden opgeruimd, afgewaterd, rechtgetrokken of opgevuld. Het landschap moest efficiënt zijn. Er ontstonden monoculturen. Het nieuwe boeren uit de VS verdrong de oude agrarische methoden overal. De producten brachten steeds minder op. Rebanks: Zodra de prijs van schapen dreigde te stijgen, kwamen er scheepsladingen vol bevroren schapenvlees uit Nieuw-Zeeland aan, zodat de prijs weer daalde. Rebanks laat heel beeldend en helder zien hoe de omschakeling van het oude boeren naar de moderniteit verliep, welke desastreuze gevolgen dat had voor de wereld die mensen gewend waren. Hij vergelijkt die strijd waarin grotere boerenbedrijven probeerden de kleinere op te slokken met een wapenwedloop. Rebanks: Het nieuwe boeren devalueerde een varken in feite tot een fractie van zijn historische waarde en deed de winstmarge op een individueel varken zo ver verschrompelen dat ze alleen nog konden worden geproduceerd door grote industriële bedrijven. En uiteindelijk gingen ook de lokale gemeenschappen hieraan ten gronde. Ook de dieren werden steeds meer tot productie-eenheden gereduceerd. Boerderijen werden machines, de bio-industrie ontstond. De genetica deed zijn intrede. En antibiotica werden niet alleen ingezet om ziekten te bestrijden maar ook om groei te bevorderen.

Dit proces is nog lang niet tot stilstand gekomen. De koeien in de elitekudden veranderen zo snel dat alleen de eerste dochters van elke generatie voor de kudden behouden worden want tegen de tijd dat ze voor de tweede keer kalven, een jaar later, is de genetische opbouw van de volgende generatie koeien (een jaar jonger) alweer superieur aan hen! Aldus James Rebanks. Ook de bevolkingssamenstelling in de dorpen wijzigde zich snel door al deze ontwikkelingen. En de weidevogels verdwenen. Al in de jaren zestig van de vorige eeuw maakte de Amerikaanse marien bioloog Van Carson duidelijk dat het ongebreideld toepassen van pesticiden hele ecosystemen vernietigden maar ze werd beschouwd als een hinderlijke milieuactivist. Ze kreeg het voor elkaar dat DDT verboden werd maar het systeem ging onverstoorbaar voort. Het is, aldus Rebanks, nu eenmaal een gegeven dat we moeten boeren om te kunnen leven en moeten doden om te kunnen boeren. En verderop schrijft hij: Het geld stroomt van het land naar de banken die de schuld waarop alles is gebouwd financieren, naar de technische bedrijven die de trekkers en machines verkopen, naar de kunstmest- en pesticide-industrie, en naar de zaadgroothandels en verzekeringsagenten.

Het derde en laatste deel van dit boek heet Utopia. Op een of andere manier moeten we boeren en natuur weer bij elkaar brengen. We zullen er wetten voor moeten maken en ervoor moeten willen betalen. Goedkoop voedsel bestaat niet. Ook een interessante konklusie van Rebanks is de volgende: Voor het vlees van oudere schapen die aan het einde van hun fokbestaan op de fells leven, zou niet eens een markt bestaan zonder de Brits-Aziatische gemeenschap, die het gelukkig nog steeds weet te bereiden en te waarderen.

De ploeg zou volgens Rebanks afgeschaft moeten worden en ideaal zou een terugkeer naar gemengde wisselbouw en veeteelt zijn. De beste en meest duurzame technologieën om een uitgeputte akkerbodem weer gezond en vruchtbaar te maken zijn koeien en schapen. Maar ook bijdragen van ecologen, botanisten en natuurkenners zijn onontbeerlijk. Pesticiden moeten uitgebannen worden, kunstmest teruggedrongen. En je moet niet rijk willen worden van boeren, dat laat zich niet combineren. Lokaal produceren is veel belangrijker dan de meeste mensen zich realiseren. Voedselproductie moet zichtbaar zijn, daardoor raken mensen verbonden met het land waarop ze leven. Niet-duurzaam geproduceerd voedsel moeten we zien te vermijden. En we moeten een eerlijke prijs voor voedsel willen betalen. Als we dit Utopia noemen, zullen we het nooit bereiken.

Ik vind dit Pastorale een heerlijk boek omdat het zo goed geschreven is (en voortreffelijk vertaald werd door Catalien van Paassen). Maar ook is het een uiterst leerzaam boek omdat het goed laat zien hoe boeren de moderniteit in getrokken, in gedwongen haast, werden. En in een paar hoofdstukken laat Rebanks ons zien waar dat moderne, efficiënte boeren ons gebracht heeft, de boeren gebracht heeft. Het is een doodlopende weg, ook al zal de intensieve landbouw en veeteelt (wellicht) nooit meer helemaal afgeschaft kunnen worden. Dit boek zou vooral door boeren en boerenorganisaties gelezen moeten worden. Dit is lectuur uit onverdachte hoek, me dunkt dat geen boer of LTO de bevindingen en konklusies van James Rebanks weerspreken kan. Bovendien, Rebanks is de laatste die boeren zou beschuldigen en hij schetst vooral hoe de schaalvergroting en efficiëntie sluipenderwijs geïntroduceerd werden waarbij niemand het totaalbeeld had van de enorme implicaties van deze modernisering. Misschien is mijn kijk op de boerenwereld te zeer bepaald door de gebeurtenissen van de afgelopen paar jaar, waarbij boeren de intimidatie niet schuwden en zich verenigden in agressieve clubs als de Farmers Defense Force. In dat beeld, van die boeren, zie ik weinig terug van de zorg van James Rebanks om ons milieu, onze voedselproductie, onze natuur, zie ik weinig terug van zijn pleidooi voor duurzaamheid. De moderne Nederlandse boer – ik weet het, we mogen ze niet over één kam scheren – lijkt zich vooral te beklagen over de wijze waarop hij dwars gezeten wordt door dat pleidooi voor duurzaamheid. Hij vindt dat hij al genoeg gedaan heeft om tegemoet te komen aan nieuwerwetse eisen van milieuzorg en duurzaamheid. Het lijkt er toch verdacht veel op dat die moderne Nederlandse boer nog lang niet het bewustzijn van James Rebanks heeft ontdekt: boeren zonder oprechte en serieuze zorg voor de natuur is niet vol te houden.

 

Enno Nuy
Augustus 2021