Uitgeverij Atlas, 348 pagina’s

 

O’Hanlon behoeft geen nadere introductie, we kennen hem van Congo en Tussen Orinoco en Amazone en natuurlijk van de documentaireserie The Beagle. Al in 2003 verscheen Storm en pas nu ben ik eraan toe gekomen dit boek te lezen nadat ik zojuist het onvergetelijke Zeezicht van Adam Nicolson over The Shiant Isles uitlas. In Storm beschrijft O’Hanlon zijn reis als assistent van de jonge wetenschapper Luke Bullough – die bezig is zijn proefschrift over vissen in de Atlantische Oceaan te schrijven – op de Norlantean K508 van schipper Jason Schofield. Schofield is een van de weinige schippers die het aandurft de Atlantische oceaan bij windkracht 12 op te varen, een avontuur dat O’Hanlon dolgraag eens mee wilde maken.

O’Hanlon stelt me teleur dit keer en niet vanwege het reisverhaal zelf, hij weet als geen ander hoe hij zo’n tocht op een trawler (de oorspronkelijke titel van dit boek) spannend en meeslepend moet vertellen. Ook niet vanwege alle details over vogels en vissen en hun plaats in de evolutie want ook op dat terrein is wetenschapper O’Hanlon meer dan thuis.

Nee, er is iets anders aan de hand en aanvankelijk lukt het me niet meteen de vinger op de zere plek te leggen. Gaandeweg het boek realiseer ik me echter wat me stoort en dan blijkt die irritatie vooral te ontstaan vanwege het eindeloze gekoketteer van O’Hanlon met zichzelf, hij wordt steeds pedanter in dit boek. Al op de eerste pagina’s imiteert hij een Chinese serveerster op een irritante wijze zonder dat daartoe ook maar de geringste aanleiding bestaat. Vervolgens geeft hij een beschrijving van de techniek van het vissen op een trawler maar verzuimt uit te leggen wat al die technische termen betekenen. We komen handles, haken, winches en god mag weten wat tegen maar al lezende heb je geen idee hoe het er in de praktijk op zo’n vissersboot toegaat. O’Hanlon maakt het er met zijn geschrijf in ieder geval niet helderder op.

Maar zoals gezegd, echt storend wordt het wanneer O’Hanlon begint te ouwehoeren, voortdurend zijwegen in slaat en voor zijn gehoor en lezerspubliek niet of nauwelijks meer te volgen is. Ondanks de hectiek van het varen en vissen in een zware storm, slaagt O’Hanlon erin enorme discussies met zijn gesprekspartners te voeren waarbij hij tijdens zijn geredekavel voortdurend terugdenkt aan talloze associaties uit zijn jeugd. Dat is ongeloofwaardig maar vooral storend. O’Hanlon hoort zichzelf wel heel graag praten. Het wordt nog vervelender wanneer je je realiseert dat alle personages in het boek – en dat zijn dus bestaande personen – dezelfde gesprekstoon en verteltrant blijken te bezigen. Alleen gooien die Schotten er dan voortdurend de kreet ‘oh aye’ tussendoor. Maar verder is er geen enkel verschil te ontdekken, of ze nu Jason, Bryan, Luke of Redmond heten.

Ondanks het hevige gestamp van het schip in de storm en het oorverdovende lawaai van alle machines weet O’Hanlon dus eindeloze ouwehoerverhalen op te hangen waarbij hij zich niet uitlaat over zijn geluidsvolume. Maar als hij dan eens een zinnetje van amper zes woorden met Luke communiceert, vertelt hij er opeens bij dat hij moet gillen om zich verstaanbaar te maken. Hoe heeft hij die ellenlange lulverhalen dan gecommuniceerd, vraag je je af. Ook zijn kinderachtige kletspraat tegen meeuwen – als hij Luke teveel eerbied voor vissen toedicht – is tenenkrommend en ongeloofwaardig.

De vertaling van Inge Kok is adequaat maar zij laat de Chinese serveerster “Wij hebben móóld” zeggen en ik heb geen idee wat zij daarmee bedoelt. Dan komt het woord presgang voor en ook daarvan is een betekenis nauwelijks te achterhalen. Ook merkwaardig is dat elk hoofdstuk begint met een tekening van een vogel of een vis maar de uitgever vond het niet nodig mee te delen van wiens hand die tekeningen zijn. Dit alles neemt niet weg dat er ook veel wetenswaardigs en fraais uit dit boek te halen valt maar dat komt toch vooral doordat Luke Bulloughs eigenlijk de échte verteller van dit boek is. Hij weet zo waanzinnig veel over de oceanen en de vissen en weet daar met een dusdanig enthousiasme en kennis van zaken over te praten dat je maar al te graag aan zijn lippen hangt. O’Hanlon tekende het allemaal op en dat siert hem. En als je eenmaal besloten hebt je maar niet meer te storen aan de narcist O’Hanlon, dan blijkt Storm toch een heerlijk en lezenswaardig boek.

 

Enno Nuy, April 2018