Wereldbibliotheek, 207 pagina’s

 

Györgyi Dandoy verklaarde in zijn recensie in de NRC het motto van deze roman: “Wat overdag werd opgebouwd, stortte ’s nachts weer in…“ nader. Het is een zin uit een Hongaarse ballade over een metselaar en zijn geliefde vrouw. Zij moet dood opdat de mortel, vermengd met haar bloed, het bouwwerk bij elkaar zal houden. En ook zinvol is de vermelding dat Komives niet alleen de achternaam van de hoofdpersoon is maar tevens het Hongaars voor ‘metselaar’.  Deze roman gaat over de heersende moraal en is in die zin van alle tijden. Hier betreft het de huwelijksmoraal tijdens het interbellum en men hoeft er geen weet van, wel belangstelling voor te hebben om deze roman te kunnen appreciëren.

We volgen het leven en denken van een rechter in echtscheidingsperikelen en we nemen kennis van de bagage die hij in zijn leven heeft meegekregen. Het is razend knap hoe Márai zo’n hoofdpersoon aan de hand van korte, ogenschijnlijk willekeurig gekozen schetsen uit diens persoonlijke geschiedenis tot leven weet te wekken. En deze schetsen bijna organisch in het verhaal weet te weven, zodanig dat hij geen kunstgrepen hoeft toe te passen om zijn personages niet alleen tot leven te wekken maar ook geloofwaardig te doen zijn.

Over de verhaallijn zelf hier geen enkele mededeling, het zou teveel van dit prachtige verhaal onthullen en de lezer van leesgenot beroven. Maar een  prachtig verhaal is het, ontroerend en beklemmend. Een verhaal over de overspannen verwachtingen die mensen van elkaar kunnen hebben en hoe ze binnen de heersende huwelijksmoraal zelfs ten onder kunnen gaan. En dit alles beschreven tegen de achtergrond van een naderende oorlog, weliswaar slechts terloops in het verhaal aangeduid, men spreekt erover op een tuinfeest in de vroege herfst maar op de een of andere manier lijkt de oorlog haar schaduw ver vooruit te werpen en is ze bij voortduring aanwezig.

Niet alleen moet men het persoonlijke leven dragen en ondergaan, ook het wereldtoneel overkomt de mens en overweldigt hem. De mens die Márai hier – en niet alleen hier in deze roman – neerzet is of wordt zich pijnlijk bewust van zijn gevangenschap, gevangen binnen de heersende moraal en is niet bij machte boven zichzelf uit te stijgen, in te breken en het lot een andere wending te geven. Zoals een konijn bevriest in de felle lichtbundel en niet meer in staat is het naderend onheil te ontvluchten, zo lijkt de mens uit het interbellum in het licht van de naderende oorlog niet meer in staat althans het persoonlijke leven een wending ten goede te doen geven. De roman verscheen in 1935 maar het verhaal speelt zich af in 1938 want zo oud blijken de beide hoofdpersonen te zijn en van de rechter wordt vermeld dat hij in het jaar 1900 geboren werd. Een merkwaardig detail. Maar minstens even opmerkelijk is het gegeven dat deze roman rond 1939 werd vertaald door het echtpaar L. Székely en M.H. Székely-Lulofs en dat mevrouw Lulofs destijds van haar rijke echtgenoot scheidde en Indonesië verliet nadat zij als een blok was gevallen voor de Hongaar met wie ze trouwde, wiens taal ze leerde spreken en met wie ze onder meer de boeken van Márai vertaalde, aldus wederom Györgyi Dandoy.

 

Enno Nuy

Februari 2007