De Bezige Bij,3324 pagina´s

 

Helen Macdonald is schrijver, dichter, geschiedkundige en natuuronderzoeker. Haar bestaan wordt op zijn kop gezet door het plotselinge overlijden van haar vader. Ze besluit een jonge havik te kopen om deze te trainen (in het vakjargon noemt men het treinen) en ermee op jacht te gaan. Haar eerdere ervaringen met roofvogels deed ze op met valken. Zelf heb ik geen enkele ervaring met roofvogels en ben ook niet van plan me daarin te bekwamen. Een andere Engelse natuuronderzoeker, Robert Macfarlane maakte me destijds opmerkzaam op John A. Baker die een gedenkwaardig boek over de slechtvalk zou hebben geschreven. Dat boek heb ik vervolgens met veel plezier en fascinatie gelezen en het was de opmaat voor deze meer persoonlijke geschiedenis van Helen Macdonald.

In De slechtvalk komen we helemaal niets te weten over John  A. Baker maar des te meer over de slechtvalk en diens natuurlijke biotoop. Een donker boek, zou ik zeggen, waar de wreedheid en de schoonheid van de natuur op een onnavolgbare wijze tot uitdrukking worden gebracht. In De H is van havik komen we heel erg veel over Helen Macdonald te weten maar minstens even zo veel over de havik Mabel en haar biotoop. Haar zoektocht naar een havik, het treinen en voor de jacht geschikt maken van Mabel en  het jagen met deze roofvogel helpen haar uiteindelijk de dood van haar vader te aanvaarden. En ze beschrijft dat zo persoonlijke proces op een dringende en bijna dwingende manier. Ze maakt invoelbaar hoe ze rouwt en lijdt onder het plotselinge en definitieve verdwijnen van haar vader.

En wanneer ze zich verdiept in de literatuur over haviken komt ze onvermijdelijk gerecht bij een andere Engelse schrijver, T.H. White (1906-1964)  die een groot aantal boeken, onder andere over de havik heeft geschreven. In zijn The Goshawk beschrijft White zijn pogingen om een havik te treinen waarbij hij naar verluidt talloze fouten maakte. Uiteindelijk verliest hij dan ook zijn havik. Helen Macdonald gaat in haar boek zeer uitgebreid in op deze intrigerende T.H. White. In zekere zin is De H is van havik bijna een biografie van White. Zo schrijft ze: Je kunt The Goshawk op allerlei manieren lezen, en een ervan is het te beschouwen als een boek over onderdrukt homoseksueel verlangen, niet naar vleselijke liefde, maar naar bloedverwantschap, naar familiebetrekkingen. Op internet is een verfilming van The Goshawk te vinden maar gek genoeg maakt Macdonald daarvan geen melding in haar register. De film is gemaakt door David Cobham in 1969 en maakt een buitengewoon integere indruk. Vooral ook omdat Cobham erin is geslaagd talrijke passages van White heel toegankelijk en beeldend op film vast te leggen. Macdonald schrijft over het treinen, het zeeg maken  en het mantelen van haviken. Cobham laat het allemaal zien.

Beschavingen komen en gaan, maar roofvogels veranderen niet, schrijft Macdonald. De roofvogel lijkt ui geëvolueerd, een reliek uit het begin der tijden, onveranderd in de laatste paar duizend jaar. En Helen Macdonald beschrijft hoe ze verslaafd raakte aan het haviken en prijst zich gelukkig dat ze deze verslaving opliep. Dat is de loer; daarom verliezen we ons, wanneer we overmand zijn door pijn en verdriet, in drugs, gokken of drank, in verslavingen die de geknakte ziel bij de kraag vatten en hem door elkaar rammelen als een hond die zicht uitschudt, schrijft ze.

Wanneer ze met Mabel op jacht gaat, komen haar beschrijvingen dicht in de buurt van die van John A. Baker. Macdonald: van jagen word je een dier, maar bij de dood van een dier word je mens. En wanneer ze door de akkers, de bossen en de velden struint ziet ze al het plantaardig en dierlijk leven dat zich daar ophoudt. En ze parafraseert Peter Westbroek wanneer ze opmerkt dat we slecht zijn in het grote en het kleine. Wat in de bodem leeft vinden we te klein om ons druk over te maken; de klimaatverandering is zo groot dat we ons er niets bij kunnen voorstellen. En onthutsend is de onwetendheid waarvan ze een buitengewoon treffend voorbeeld geeft als ze na een wandeling met haar havik een ouder echtpaar tegenkomt dat net als zij heeft genoten van de pracht van de natuur waarin zij het oude Engeland bewaard zien gebleven. En vervolgens beklaagt de man zich over al die immigranten van de laatste jaren. Zich niet realiserend, zoals Macdonald fijntjes opmerkt, dat het overgrote deel van al die planten en bomen waarvan het oude echtpaar zegt te genieten, bestaat uit exoten die ooit uit allerlei streken werden aangevoerd, Engeland werden binnen gebracht.

Een prachtig boek van deze Helen Macdonald.

 

 

Enno Nuy

oktober 2015