Uitgeverij Atlas372 pagina’s

 

In Waarom de hel naar zwavel stinkt gaat de geoloog Salomon Kroonenberg op zoek naar wat verondersteld wordt de thuishaven voor de hel te vormen. Aan de hand van de vroegste beschrijvingen van de hel bij Grieken en Romeinen gaat hij op zoek naar de plekken waar de ingang tot de onderwereld gelegen zou moeten zijn. Hij laat heel fraai zien hoe Dichtung und Wahrheit met elkaar verward worden. We komen terecht bij verdwijngaten en onderaardse rivieren en meren, die de ene eeuw in Griekenland worden gesitueerd om enkele eeuwen later plots in Italië op te duiken omdat de dichter-historicus dat nu eenmaal een aantrekkelijker gedachte vond. Op onnavolgbare wijze laat Kroonenberg zien hoe allerlei fysiologische en fysieke omstandigheden, die voorheen werden uitgelegd in termen van de hel, eenvoudig verklaard kunnen worden door de geoloog of bodemdeskundige. Hij doet dat op een uiterst aanstekelijke manier met een subtiel gevoel voor humor, waardoor dit boek juist voor niet-geologen zo genietbaar is geworden.

Uiteraard speelt Dante’s Inferno een centrale rol in dit boek. ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt’ is zo’n dichtregel die nog steeds tot huivering leidt. Maar Kroonenberg laat nog maar eens zien dat Dante op een ongehoorde wijze plagiaat pleegde, zoals in 1919 al werd aangetoond door don Miguel Asin Palacios. Dante haalde zijn inspiratie uit een aantal Arabische legendes uit de negende eeuw, de Isra en de Mi’raj. Het maakt De Goddelijke komedie niet minder fraai maar het werpt wel een heel onverwacht en ander licht op Dante, dan we gewend waren.

De Islam van Mohammed als de geestelijke vader van de Inferno. Dat Dante zijn inspiratiebron niet noemt is al erg genoeg maar hij gaat nog verder, schrijft Kroonenberg. In plaats van enige dankbaarheid jegens Mohammed bedenkt Dante voor de profeet de ergste straffen voor het ‘splijten’ van de mensheid:

 

Geen vat zou door verlies van duig of klamp

Zoals degeen die ‘k nu zag, openvallen:

gespleten van zijn kin tot aan zijn reet.

 

Tussen zijn benen hingen ingewanden,

hart, lever, longen, en, het smerigst nog,

de zak die wat de strot passeert, tot stront maakt.

 

(Inferno, 28, 22-27 vert. Rob Brouwer)

In de derde eeuw voor onze jaartelling toonde Eratosthenes reeds aan dat de aarde bolvormig was en Aristoteles wist zelfs te melden dat “als de aarde is ontstaan, moet dit de manier van zijn wording zijn geweest: zij moet gegroeid zijn in de vorm van een bol”. Een citaat dat prachtig aansluit bij het centrale beeld dat Kroonenberg in zijn boek hanteert om zijn verhaal te doen: de toverbal. Er staan nog veel meer wetenswaardigheden in dit prachtige boek, zoals het feit dat veertigduizend jaar geleden al mijnbouw plaatsvond. Of dat de Grieken Thucydides en Demosthenes al aandelen hadden in mijnputten.

Behalve Dante volgt Kroonenberg ook Jules Verne en andere wetenschappers die een poging hebben gedaan tot het midden van de aarde door te dringen. Dieper dan 12 kilometer is de mens nog niet in de aarde doorgedrongen. Met behulp van seismologische technieken weten we inmiddels veel meel over het binnenste van de aarde maar die kennis is volledig gebaseerd op metingen en registraties, interpretaties en extrapolaties. De afstand tot het binnenste van de aarde bedraagt 6.370 km terwijl de continentale aardkorst 20 tot 70 km dik is. Maar Kroonenberg brengt ons naar de binnenmantel, de vloeibare buitenkern en de vaste binnenkern van onze planeet. En als hij daar eenmaal is aangeland onderneemt hij de terugreis en beschrijft op een buitengewoon fraaie manier hoezeer de mens al tot op grote diepte erin geslaagd is de aarde te bevuilen. En tussen al dat afval door beschrijft Kroonenberg ook nog eens op een heldere manier hoe die grote toverbal nu eigenlijk is ontstaan en is geworden tot de planeet zoals wij die nu kennen.

Puur leesgenot, dit fraai geïllustreerde boek. Wij zijn zozeer gewend onze blik naar de ruimte te richten. We zijn op de maan geland, hebben permanente ruimtestations ingericht, speculeren over multiversums en denken nu al na over enkele reisjes naar Mars om tijdig te beginnen met de kolonisatie van nieuw ‘Lebensraum’ voor het geval wij het op onze eigen planeet echt te bont hebben gemaakt. Kroonenberg laat zien dat de blik naar beneden richten minstens even fascinerende beelden en kennis oplevert. Er zouden veel meer van dit soort prachtige boeken geschreven moeten worden.

 

Enno Nuy, augustus 2011