De bezige bij 2009, 213 pagina’s

Vertaling Henry Kammer

 

Imre Kertész werd geboren in 1930, woonde in Boedapest, en werd op veertienjarige leeftijd uit de bus geplukt en naar Auschwitz getransporteerd, eenvoudig omdat hij joods was. Het leven was simpel in die dagen van de grote verschrikking. Maar de jongeling, in dit boek György Köves geheten, onderging de gebeurtenissen als een merkwaardig avontuur en ook in het jaar dat hij in Auschwitz, Zeitz en Buchenwald verbleef, voltrokken de gebeurtenissen zich als een rolprent waarin hij geacht werd zijn rol te spelen. Telkens wanneer je van en over de Holocaust leest, verbijstert je het meedogenloos en methodisch handelen van de nazi’s. Wat me in dit boek het meest frappeerde was dat de orthodox religieuze joden seculieren als Kertész met de nek aankeken: “di bist ni ka Jid”. “En waarom ben ik dan hier?” Maar deze vraag wordt niet beantwoord.

Door honger en uitputting belandt Kertész uiteindelijk in het ziekenhuis of wat daarvoor door moest gaan in Buchenwald. Artsen en verplegend personeel waren (uiteraard) ook gevangenen. Hij vraagt zich af waarom de Duitsers moeite deden om hem nog op te lappen, hij lag al op de kruiwagen te midden van andere halfdoden en lijken om op de grote hoop gekieperd te worden maar werd er toch uitgehaald om weer opgekalefaterd te worden. Maar uit tal van studies weten wij nu wat de Joden toen niet wisten. Tegen het einde van de oorlog kwamen de Duitsers handen te kort om te produceren ten behoeve van de oorlogvoering. De nazi’s zagen in dat hun strenge houding jegens de joden wel tot een versnelling van de Endlösung leidde maar hen tevens beroofde van arbeidscapaciteit die ze juist nu zo node misten. Daarom werd tegen het einde van de oorlog besloten de rantsoenering van de gevangen zodanig aan te passen dat ze langer zouden leven en dat iedere zieke die nog opgelapt kon worden, opgelapt móest worden.

De jongeling vertelt op een droge, bijna afstandelijke manier van al hetgeen hij ziet, meemaakt en ondergaat. Hij lijkt te registreren zonder tot een veroordeling op morele gronden te komen. Soms zelfs lijken de maatregelen die genomen worden hem in zekere zin logisch voor te komen, als je het eraan ten grondslag liggende principe eenmaal als uitgangspunt hebt genomen of als een vaststaand gegeven hebt geaccepteerd. Als zijn buurmeisje hem vraagt wat het in haar, in hen is dat hen tot de Jodenster veroordeeld heeft zegt Kertësz dat dat puur toeval is, simpelweg omdat ze jood zijn. Het buurmeisje accepteert dat antwoord echter niet en is ervan overtuigd dat het iets ín haar, ín hen moet zijn dat hen tot vervolgden heeft gemaakt.

Als hij na de bevrijding weerkeert in Boedapest raakt hij in gesprek met zijn oude buren die het geluk hadden niet opgepakt te worden. Zij willen hem wel laten praten maar staan niet echt te trappelen om het hele verhaal te horen en dat zou ook pijnlijk zijn geweest. Zij waren immers ook jood en dus slachtoffer maar ze hebben die hel niet meegemaakt. Maar Kertész weet niet wat die hel is, dat vergelijk kent hij niet en heeft hij ook nooit gemaakt. Hij weet wel wat Auschwitz en Buchenwald zijn. Zelf zegt hij tegen zijn oude buren: “ik wil alleen maar duidelijk maken dat de dingen niet alleen maar zijn ‘gekomen’, wij zijn zelf ook ‘gegaan’. Alleen achteraf, als we terugblikken, lijkt alles zo afgesloten en voltooid, zo onveranderlijk en definitief, zo razendsnel en onverklaarbaar, zo vanzelf ‘gekomen’, en hetzelfde gaat natuurlijk op als we de toekomst kennen. In die gevallen, als we het verleden of de toekomst kennen, is het enige wat ons interesseert het verstrijken van de tijd.” (–) En opnieuw realiseert hij zich dat het jood zijn aanvankelijk niets betekende, geen ander bloed, geen verschillen… Pas nadat de eerste stap gezet is, ontstaat dat perverse beeld van de verwerpelijke jood en pas dan gaat dat wat uitmaken. “Ik heb een bepaald lot aanvaard. Het was niet mijn lot, maar ik heb het toch aanvaard en nu, nu moet ik er iets mee doen, ik moet me erin voegen, me eraan vastklampen. Nu kan ik er geen genoegen mee nemen dat alles wat ik heb meegemaakt slechts een vergissing was, een blind toeval, een uitglijder van de geschiedenis of – erger nog – iets wat vergeten moet worden”.

Vandaar de titel van dit boek. Wat moet je hierna nog zeggen of denken? Een huiveringwekkend boek.

 

Enno Nuy

December 2009

 

 

Imre Kertész – Het fiasco

De bezige bij 2009, 330 pagina’s

Vertaling Henry Kammer

 

In dezelfde band zijn nog twee titels opgenomen. Een daarvan is Het fiasco. Hier is György Köves aan het woord als hij schrijver is geworden en hij meldt ons dat zijn roman Onbepaald door het lot door de uitgever werd afgewezen. Het gedrag van zijn hoofdpersonage wordt als eigenaardig en ongeloofwaardig gezien. Zijn gedrag en zijn absurde opmerkingen zouden kwetsend voor de lezer zijn. Maar ook de stijl van het boek kan de uitgever niet bekoren. Kertész lijdt hier niet heel erg onder, zij het dat de inkomsten hem welkom zouden zijn geweest. Maar hij schreef het boek omdat hij het moest schrijven, niet voor de toekomstige lezer. Hij beschrijft hoe hij een gevangene van zichzelf is geworden, als hij schrijft en als hij niet schrijft. En dan, “op zekere dag – “heel vanzelfsprekend en bovendien enigszins” zou hij zelf gezegd kunnen hebben – begint hij aan de wederwaardigheden van Köves die is beland in een wereld waarin hem een lotsbeschikking heeft overvallen. Het is Kafka ten top en we begrijpen al snel dat de schrijver hier het naoorlogse communisme in het Oostblok beschrijft. Het is een volslagen surrealistische vertelling maar al lezende realiseer je je dat dit surrealisme zich in miljoenvoud heeft voorgedaan. Het boek verscheen in 1988 kort nadat in Hongarije de eerste bres in het IJzeren Gordijn werd geslagen. Daar eindigt ook de absurde maar o zo ware vertelling van Köves. “Vrijheid, bevochten op zichzelf en zijn lot; geweld, de omstandigheden aangedaan; een aanslag om de beperkingen van de noodzaak te ondermijnen – wat anders is een kunstwerk, elk menselijk werk?” Wat een kapitale roman!

 

Imre Kertész – Kaddisj voor een niet geboren kind

De bezige bij 2009, 96 pagina’s

Vertaling Henry Kammer

 

De laatste roman in deze band beschrijft hoe en waarom de schrijver het leven niet wilde, niet kon doorgeven. In Wikipedia lezen we: “Kaddisj wordt slechts door de voorganger hardop gelezen of door de rouwenden in de zogenaamde kaddisj voor de rouwenden. Het mag alleen gelezen worden in de aanwezigheid van een minjan (tien joodse mannen die de leeftijd van bar mitswa bereikt hebben; in het liberale jodendom tellen ook vrouwen, die de leeftijd van bat mitswa bereikt hebben, mee).

Een algemeen misverstand is dat kaddisj het gebed voor de doden is. Kaddisj is een gebed waarin God in zeer veel termen geprezen wordt, en dat vraagt om de snelle komst van de Messias. Er komt geen vermelding van overleden in voor. Er zijn verschillende vormen van kaddisj, die ieder iets verschillen. Er is het volledige kaddisj, het halve kaddisj, het kaddisj van de rabbijnen, en het kaddisj van de rouwenden. Het laatste gebed wordt door nabestaanden gezegd; de eerste drie zijn reguliere onderdelen van de synagogedienst die door de voorganger hardop voorgelezen worden”.

Het is wel verhelderend om deze romans in deze volgorde te lezen als Kertész schrijft: “Was het achterwege blijven van jouw geboorte de noodzakelijke en radicale vernietiging van mijn leven?” En verderop: “Dader en slachtoffer staan in het totalitarisme beiden op de meest totale wijze in dienst van dezelfde zaak, de zaak van het Niets, hoewel het, zei ik, natuurlijk bij lange na niet om het even is welke diensten men verricht”.

En een van de thema’s uit het eerste boek keert ook hier weer terug als zijn geliefde verzucht dat er nooit een einde aan zou komen, dat ze de vloek nooit van zich af zouden kunnen schudden en: “waarom ben ik in ’s hemelsnaam een Jodin, als ik noch qua taal noch qua leefwijze noch qua wat dan ook verschil van mijn omgeving?” En zo ziet de ik zijn kind zich al voor zich als het krijst: “Ik wil geen jood zijn”. Na deze romans begrijp je waarom de schrijver nooit vader, levenslot, god van een ander mens kon zijn.

Deze roman leest niet gemakkelijk maar is des te indrukwekkender naarmate je in het verhaal vordert. De schrijver legt zichzelf onder het fileermes, is genadeloos jegens zichzelf maar laat tegelijkertijd zien welk peilloos verdriet en leed schuilgaat achter het leven dat hij leidde, onbepaald door het lot.

 

Enno Nuy, januari 2010