Vangennep Amsterdam, 240 pagina’s

 

Keilson (Bad Freienwalde 1909) emigreerde in 1936 naar Nederland en nam daar deel aan het verzet, nadat zijn eerste roman Das Leben geht weiter door de nazi’s verboden werd.  In de ban van de tegenstander gaat over de bijna symbiotische relatie tussen vervolger en vervolgde. De vervolgde mag dan onderworpen zijn aan de vervolger, van hem afhankelijk zijn, de ratio voor het handelen van de vervolger vervalt volledig bij ontstentenis van een vervolgde. De vervolger is net zo afhankelijk van zijn slachtoffer als andersom. In een schitterend hoofdstuk verhaalt Keilson van een redevoering van Hitler (die in de roman overigens aangeduid wordt met B.) in een Duits provinciestadje. Wie wel eens opnamen van Hitler gehoord of gezien heeft, beseft dat Keilson buitengewoon treffend schetst hoe Hitler zijn redevoeringen opbouwde en zijn publiek in vervoering bracht. En op dat moment realiseert de hoofdpersoon van deze roman zich, die deze redevoering praktisch bijwoonde: zo ziet mijn ondergang er dus uit!

De kracht van deze roman is dat Keilson de verschrikkingen van deze periode uit onze geschiedenis op een uiterst treffende en beklemmende wijze weet te beschrijven zonder de misdaden letterlijk te verwoorden, ze worden zelfs niet aangeduid, er wordt op zijn hoogst heel terloops aan gerefereerd. De hoofdpersoon die geen naam of heldere identiteit krijgt en uitsluitend als ik-figuur wordt opgevoerd, krijgt de nodige ellende te verwerken maar meer dan dat zijn ouders worden weggevoerd door de nazi’s komen we niet te weten. In plaats daarvan laat Keilson zien hoe individuele levens langzaam maar zeker afgebroken en vertrapt worden wanneer men het ongeluk treft tot de vervolgden te behoren. Waarom overkomt ons dit, is het dan – al was het maar een klein beetje – waar wat ze van ons zeggen, dragen we misschien inderdaad schuld, moeten we ons verzetten, hoe moeten we ons verzetten, mijn vervolger is net zozeer een mens als ikzelf, is hij niet net zo afhankelijk van mij als ik van hem? Bijna surrealistisch is de beschrijving van grafschennis door vijf Duitse jongemannen, in een nachtelijke herfst, huiveringwekkend, luguber bijna. De hoofdpersoon spant zich tot het uiterste in om zijn belager te begrijpen, niet om daarmee diens gedrag te rechtvaardigen maar simpelweg om te doorgronden waarom juist dit lot hem overkomt.

Zijn oorspronkelijke uitgever in Duitsland S. Fischer Verlag wilde deze roman niet uitgeven; men vond zijn beschrijving van de nazi’s veel te mild. In Israël wekte zijn roman irritaties op. Helemaal onbegrijpelijk zijn die irritaties natuurlijk niet. Het is niet iedereen gegeven zich de gedachte eigen te maken dat vervolger en vervolgde “elkaar nodig hebben om te leven” zoals Keilson het formuleert in een interview in NRC boeken van 11 december 2009. Op een zeker abstractieniveau is die gedachte wellicht nog aanvaardbaar maar wie kan zich in zijn individuele lot schikken wanneer dat lot alleen maar tot een onterende en beestachtige, achteloze dood leidt. Voor velen is die gedachte gewoon teveel gevraagd.

Keilson is inmiddels de honderd gepasseerd, hij maakte twee wereldoorlogen mee , verloor zijn ouders in de laatste, hij was getuige van tal van andere grote militaire conflicten met al hun verschrikkingen. Hij maakt een uiterst levendige en gezonde indruk en heeft – zo lijkt het – zijn geloof in de mens niet verloren. Waren er maar veel meer van deze soort. Ik ga in ieder geval zijn andere romans ook verzamelen.

 

Enno Nuy

Oktober 2010