Haring, Bas – Plastic panda’s

image_pdfDit artikel downloadenimage_printDit artikel uitprinten

Nijgh & van Ditmar, 237 pagina’s

 

Haring stelt dat als je alle mensen een vierkante meter geeft, je dan 7 miljard vierkante meter nodig hebt om ze allemaal onder te brengen ofwel – stelt Haring – de oppervlakte van de provincies Utrecht en Gelderland samen. Nu kun je wel zeggen dat de plek die een mens inneemt bestaat uit een bed, een wasbak en een plee maar de feitelijke footprint van een mens is natuurlijk vele malen groter. Uitgedrukt in globale hectare, verbruikt de mens gemiddeld per persoon 2,7 ha, terwijl de aarde per persoon momenteel slechts 2,1 globale hectare ter beschikking heeft. Mij is niet duidelijk geworden waarom Haring niet deze laatste rekensom heeft gebruikt. Van de enorme hoeveelheid soorten die wij kennen kunnen we er best een paar missen, aldus Haring, het zou ons niet eens opvallen en de wereld zou er niet minder van worden. Mijns inziens is dit een onzinnige opmerking. Maar dat ligt grotendeels aan de opgeworpen vooronderstelling dat biodiversiteit goed of nuttig of noodzakelijk zou zijn. Dat is niet zo, biodiversiteit is een feit ongeacht de mate van verscheidenheid. Maar de natuur geeft daar geen enkel adjectief aan mee. Dit alles neemt niet weg dat door roofbouw van één soort, de mens, de biodiversiteit in belangrijke mate onderuit wordt geschoffeld. Voor wie biodiversiteit waardeert op grond van welke overweging dan ook, is die roofbouw een onwenselijk fenomeen. En als je stelt dat een soort meer of minder eigenlijk weinig uitmaakt, dan maakt een lid van een soort meer of minder toch ook niet uit? Dan maakt het toch ook niet uit of we nu 6 miljard mensen hebben of maar 5 miljard? Sterker nog, er zou wat voor te zeggen zijn de soort mens in aantallen een beetje kort te houden, gezien de roofbouw die er door de mens op de natuur gepleegd wordt.

In een kort hoofdstukje over musea stelt Haring dat het eigenlijk onzin is om in musea allerlei potten en scherven te bewaren die nooit meer tentoongesteld worden. Het is wat kort door de bocht allemaal. Waarom hier niet het voorbeeld van de archeologie erbij gehaald? In een bouwput treft men interessante en/of belangwekkende restanten uit ouder tijden aan en de bouw kan pas verder gaan zodra archeologen die site goed hebben onderzocht, in kaart gebracht en eventueel geconserveerd. De bevindingen kunnen worden gedocumenteerd en tezamen met uitgegraven artefacten worden tentoongesteld en in ieder geval worden bewaard. De rest wordt voor eeuwig opgeborgen, zonder dat iemand er last van heeft.

Maar terug naar de biodiversiteit. Haring is op zoek naar nut en noodzaak van de biodiversiteit en die kan hij maar nergens vinden. Hij maakt geen bezwaar tegen biodiversiteit maar als het fenomeen niet kan worden gekoppeld aan nut en noodzaak, dan is het ook niet zo erg als die biodiversiteit afkalft of geminimaliseerd wordt. Haring deelt ons mee dat de belangrijkste drijfveer voor zijn boek bestond uit het idee dat er niet zoiets bestaat als ecosysteemselectie als een variant op de natuurlijke selectie uit de evolutieleer van Darwin. Nee, dank je de koekoek, daar hoef je geen onderzoek naar te doen. Het begrip ecosysteem is een taalkundige constructie om een verzameling fenomenen in de natuur aan te duiden. Hoe kun je nu veronderstellen dat daarop dezelfde wetten van evolutie van toepassing zouden kunnen zijn als die welke gelden voor soorten en leden van populaties? Kortom, de vraagstelling, de probleemstelling van Haring deugt niet.

Het aantal soorten heeft geen specifieke bedoeling of functie, al die verschillende soorten zijn er nu eenmaal, voortgekomen uit de oersoep en onder verschillende omstandigheden ontwikkeld tot specifieke soorten die het best aangepast bleken aan specifieke omstandigheden. Een van die soorten, de mens, pleegt dermate roofbouw op de aarde dat een groot deel van de bestaande biodiversiteit ten onder gaat. Er is niets mis mee om dat te betreuren maar dat betreuren beperkt zich wel tot de menselijke geest die een dimensie toevoegt aan het bestaan die in de natuur niet voorkomt. Die dimensie kun je ethiek noemen, geweten of moraal en de belangrijkste karakteristiek van die dimensie is dat ze een product van de menselijke geest is, geen fysiek natuurlijk verschijnsel. Ethiek, geweten of moraal, hoe je het ook noemt, is in feite een door de mens vervaardigde bril waardoor we naar onszelf en onze omgeving kijken. Die bril zegt meer over onszelf dan over het object dat we bekijken. Ook de door Haring geïntroduceerde vergelijking tussen een ecosysteem en de economie gaat niet onverkort op. Als buurtwinkels verdwijnen is dat wellicht geen indicatie voor een verslechterende economie maar als dat fenomeen leidt tot een afnemende sociale cohesie, voortgaande individualisering, toenemende vervreemding enzovoort, dan kunnen de gevolgen van die economische vooruitgang onder aan de streep wel degelijk tot een nadelig saldo leiden.

Wat voor Haring van belang is, is het erváren van het leven en daaruit vloeit voor hem voort dat uiteindelijk alleen of vooral ‘goed in je vel zitten’ van échte waarde is. Dat zou gelden voor mens en dier maar niet voor planten, die zitten niet in hun vel, aldus Haring. Dit is natuurlijk een wel erg antropocentrische opvatting van onze wereld, ofschoon Haring jegens dieren wel mededogen wil opbrengen. Wat de flora betreft, vergist Haring zich echter deerlijk. Planten hebben een nauwelijks ontwikkeld brein en dat is logisch. De evolutie heeft planten tot statische in de grond gewortelde levensvormen gemaakt. Een plant hoeft geen besluiten te nemen over linksaf of rechtsaf en om dezelfde reden hebben planten ook geen ogen nodig. Het is niet leuk om je leven lang naar dezelfde omgeving te moeten staren en je kunt als vastzittende plant of boom niets doen met je visuele waarnemingen. Maar dat betekent niet dat planten en bomen niet waarnemen, integendeel. Uit recent onderzoek blijkt dat planten kunnen horen en we weten al veel langer dan planten met elkaar communiceren door het uitwisselen van chemische stoffen. Ook kunnen planten, als zij bedreigd worden door voor hen kwalijke insecten, signalen afgeven waardoor natuurlijke vijanden van die insecten de boom of plant komen redden. Maar ja, in de definitie van Haring kunnen planten en bomen niet lijden en dus zijn ze minder waardevol. En daarom is dierenbescherming logischer dan natuurbescherming.

Haring schrikt even als hij zich realiseert dat individuen inwisselbaar zijn en soorten niet. Daarmee zou je soorten als waardevoller kunnen beschouwen dan individuen. Maar hij blijft erbij dat dat niet opgaat omdat “er zijn anderen nodig om iets waarde te geven. In dingen die van zichzelf waarde hebben geloof ik niet”. Maar je blijft je wel afvragen waar Haring nu eigenlijk naar toe wil. Inderdaad er zijn geen dingen die van zichzelf waarde hebben. Maar ‘waarde’ is net zo’n bril als  ‘geweten’ of ‘moraal’. En als je het begrip ‘waarde’ het belangrijkste toetsingscriterium vindt, dan sneuvelt per definitie alles wat niet mens (of in mindere mate dier) is. Het lijkt wel logisch, wij hebben nu eenmaal een brein dat ons ethiek, moraal en geweten heeft opgeleverd. Maar is er niet wat voor te zeggen om onszelf wat nadrukkelijker te relativeren? Gaat het er inderdaad slechts om dat wij goed in ons vel zitten? Maar hoe goed zitten wij nog in ons vel wanneer we alle bossen gekapt hebben en veengebieden hebben drooggelegd waardoor er geen CO2 meer wordt vastgelegd? Het evenwicht in ecosystemen is makkelijk en snel verstoord. Zou het niet beter zijn om in plaats van het hedonistische me-goed-voelen-belang iets verder te kijken en te beargumenteren waarom respect voor biodiversiteit op termijn belangrijker is voor mijn feel-good-scenario dan de instant bevrediging die we ons nu permitteren? Daarbij gaat het dan niet om taken die ons gegeven zijn, maar om taken die wij onszelf opleggen, uit welbegrepen eigenbelang.

Aan de overbevolking gaat Haring niets veranderen zegt hij. Hij neemt daarbij aan dat mensen niet bereid zullen zijn om te accepteren dat ze kinderloos door het leven gaan. Ook vindt Haring het volkomen logisch dat biodiversiteit sneuvelt als gevolg van een groeiende wereldbevolking. Misschien moeten we ook eens na gaan denken over bevolkingskrimp. Overigens blijkt uit demografische studies dat in steeds meer regio’s en landen het geboortecijfer onder de kritische grens van 2,1 kind per ouderpaar blijft. Op enig moment in de niet al te verre toekomst zal de wereldbevolking af kunnen gaan nemen in plaats van de nu nog waarneembare trend van bevolkingsgroei. Van de panda kan Haring zich nog voorstellen “dat die er als soort toe doet, omdat het zo’n boeiend beest is. Maar voor de insecten gaat dat niet op. Wat is hun waarde dan? Leg me dat maar eens uit.” Dit is echt ongelooflijk, dat een denker als Bas Haring hier zo’n enormiteit begaat. Ik wil hem van harte het prachtige boek Muggenzifters en mierenneukers van Ties Huigens, Peter de Jong e.a. van de WUR aanbevelen. Hij zal ervan staan te kijken hoe ongelooflijk belangrijk insecten ook voor hem zijn. Buitengewoon merkwaardig – to say the least – dat hij zich in dit onderwerp niet tenminste minimaal heeft verdiept.

In een uitgebreid relaas over grasveldjes beperkt Haring het ecosysteem en de biodiversiteit tot de begroeiing sec, daarbij even vergetend dat een ecosysteem niet alleen uit flora bestaat maar zeker ook uit fauna. Ook hierover valt veel wetenswaardigs te leren uit het boek Muggenzifters en mierenneukers. Helaas heeft Haring daarvan geen kennis genomen. Maar laten we voor het gemak van de discussie nu eens aannemen dat biodiversiteit eigenlijk niet zo belangrijk is. Hoe komen we dan tot een aanvaardbare mate van vermindering van die biodiversiteit? Laten we dat over aan de grillen van de menselijke natuur of laten we er beleid op af? Als je op deze vragen door gaat denken zul je al snel moeten vaststellen dat rationeel biodiversiteitsbeheer zo eenvoudig nog niet is. Het is een systeem met teveel variabelen. Beleidsmatig biodiversiteitsbeheer is in mijn ogen net zo gevaarlijk als dat beheer overlaten aan het toeval van de grillen van de mens. Dat een klein eilandje in de Stille Oceaan met een relatief geringe biodiversiteit kan voortbestaan in redelijke stabiliteit mag natuurlijk niet gebruikt worden om te beargumenteren dat we dus wel met wat minder biodiversiteit uitkunnen. Als de hele aarde een ecosysteem als dat kleine eilandje zou hebben, betekent dat dus dat overal op aarde dezelfde condities gelden. En dat is evident niet het geval. Mij is niet duidelijk wat Haring hiermee aan denkt te kunnen tonen.

Haring erkent dat we niet weten of er sleutelsoorten zijn en zo ja, welke soorten dan zo cruciaal voor de stabiliteit van de aarde als ecosysteem zijn. Soms kan het verdwijnen van een soort grote gevolgen hebben, maar rampzalig is het bijna nooit en zeker niet per se. De vraag is dan wel hoe lang je je deze laisser faire houding kunt permitteren. Die vraag wordt door Haring echter niet gesteld. Er komt natuurlijk een moment waarop de biodiversiteit echt te gering is geworden maar niemand weet wanneer dat het geval is. Haring ziet het nut van ecoducten wel in maar je hoort hem niet over staatssecretaris Bleker die een dikke streep door de Ecologische Hoofd Structuur zette. De economische wetten (Haring vergelijkt een ecosysteem voortdurend met de economie) lieten de EHS niet toe, te kostbaar, zo simpel was het. Is het daarmee ook een verstandige keuze geweest? Ik meen zeker te weten van niet. Ik moet aannemen dat Haring daar evenwel géén problemen mee heeft. Dan maakt Haring een vergelijking tussen een oerbos en een secundair bos. Hij ziet niet in waarom we dat primaire regenwoud nu per se moeten bewaren. Als er secundair woud voor in de plaats komt, soit een beetje armer, is er toch niets aan de hand? Maar waarom zouden we al die moeite doen om oerwoud af te breken om secundair woud te laten groeien? Die vraag wordt door Haring gesteld noch beantwoord.

Een groot deel van de natuur is onkruid, aldus Haring. Weer zo’n vreemde opmerking. Onkruid is een term die we reserveren voor flora die de mens onwelgevallig is. Ongedierte is een term die we reserveren voor fauna die de mens onwelgevallig is. Dat is het centrale punt in deze hele antropocentrische discussie van Haring. Onkruid en ongedierte zijn in feite onzinnige begrippen, die alleen binnen de menselijke context iets betekenen. De natuur zelf kent niet het onderscheid tussen kruid en onkruid, tussen dier en ongedierte. De natuur discrimineert niet, de mens doet niet anders. Blikjes achterlaten in de natuur is zo erg niet, die natuur lijdt daar niet onder, het zijn er maar een paar, aldus Haring. Tja, zo kun je alles wel beweren en ook hier geldt dat het een kwestie van maatvoering is. Iedere keer als een schipper wat rommel overboord kiepert denkt hij net als Haring: ach het is maar een beetje, dat kan die oceaan wel hebben. Maar inmiddels hebben we een gigantische plastic soep gecreëerd die een reëel gevaar voor de natuur is gaan vormen. Valt allemaal wel mee, denkt Bas Haring dan. Als die vissen niet sterven door gif of plastic, sterven ze wel door giftige kwallen of agressieve orka’s. Ook beweert Haring dat we reservesoorten wel in een koelkast kunnen bewaren (de zadenbank op Spitsbergen), dat hoeft niet per se in het wild te gebeuren. Dit is echt een onzinnige bewering. Hij suggereert hiermee dat de flora het zonder fauna kan of andersom. Haring merkt herhaaldelijk op dat hij geen bioloog is en dat is maar al te waar. Reden temeer om wat terughoudend te zijn als je beweren wil dat we ook wel met de helft minder biodiversiteit toe kunnen. Zo’n bewering is gratuit en volkomen ononderbouwd. Een gevaarlijke bewering die maar al te graag gelezen wordt door een groeiend leger aan klimaatsceptici.

In zijn laatste hoofdstukken rekent hij ons voor dat Nederland zelfvoorzienend zou kunnen zijn. Tja, het zijn rekensommen van grote stappen, snel thuis. Anders gezegd, er klopt geen donder van. Waarom niet gewoon uitgaan van de footprintbenadering, die rekenmodellen zijn tenminste goed onderbouwd en doorgerekend (natuurlijk zitten ook daar aannames in, maar laat maar zien waar die aannames ondeugdelijk zijn, dan kan het rekenmodel worden aangepast. Zelfs wanneer Haring gelijk heeft en Nederland zelfvoorzienend kan zijn, dan betekent dat nog steeds niet dat dat dus voor de hele wereld zou gelden. Mijn grootste bezwaar tegen de benadering van Bas Haring is dat hij een gestaag voort groeiende wereldbevolking als uitgangspunt neemt. Waarom niet nagedacht over een serieuze aanpak van de overbevolkinsproblematiek. Dat thema mag toch niet ontbreken wanneer je bereid bent de helft van de nu nog bestaande biodiversiteit over boord te kieperen?

Haring vraagt zich af waar we ons druk om maken: ooit werd bijna de hele biodiversiteit vernietigd door een komeet. Nu doen we het zelf. Of je nu door de hond of de kat gebeten wordt… En aan het einde van onze reis wordt het hier toch te heet, dus als de menselijke soort er tegen die tijd – we hebben gelukkig nog even – niet in geslaagd is een veilig heenkomen te vinden ergens in dit heelal, dan is het sowieso einde oefening. Nog één opmerking tot slot. De volledig gerationaliseerde wereld die Bas Haring beschrijft lijkt mij een prikkelarme omgeving voor de nieuwe mens te bieden. Afbraak van de biodiversiteit gaat ten koste van onze verbeeldingskracht. En die verbeeldingskracht zullen we nog hard nodig hebben. Het lijkt erop dat bij Bas Haring de mens in alles de maat der dingen is. Ik ben ervan overtuigd dat enige zelfrelativering ons ten goede zou komen.

 

Enno Nuy. Juni 2012

2018-10-24T09:45:14+00:00