Uitgeverij van Oorschot, 782 pagina’s

 

Opstellen en essays over Hillenius, Reve, Kousbroek, Tinbergen. Wie a priori niet geïnteresseerd is in zulke namen begint maar beter niet aan deze vuistdikke verzameling opstellen, essays en brieven van schrijver en evolutiebioloog Tijs Goldschmidt (1953) Zowel zijn opstellen en essays als zijn brieven hebben zijn beroep en passie als centraal thema.

Nu ja, het is een thema dat mij mateloos boeit en ik las al eerder werk van hem, zoals Wolven op het ruiterpad, zeer tot mijn genoegen. Zo schrijft hij naar aanleiding van het geklepper van ooievaars: “Ik kreeg ook het gevoel naar iets heel ouds te luisteren: een pterodactylische echo uit een diep geologisch verleden”. Ik had  zo’n zelfde ervaring toen ik de klepperende ooievaars in Aerdt Gelderland wekenlang kon gadeslaan maar ook toen ik in Friesland een reiger uitvoerig kon bekijken en fotograferen.

Prachtig is het hoofdstuk Vis in bad waarin hij laat zien dat lummelen op lange termijn ook voor dieren van levensbelang is. Harder werken kunnen dieren wel maar daarvoor betalen ze op enig moment tol, soms zelfs met vervroegde dood als gevolg. Kennen dieren vrije tijd en hoe nuttig is dat bezien vanuit evolutionair perspectief? Goldschmidt maakt aannemelijk dat vrije tijd voor dieren vaak schijn is: ook tijdens het biologisch vaak noodzakelijke lummelen bereiden ze zich al voor op de komende jacht.

Onmiddellijk valt op hoe enorm veel kennis de schrijver vergaarde over zijn vakgebied, jaloersmakend vind ik dat en ik neem er diep mijn pet af. En dan kan hij daar ook nog eens goed over schrijven waardoor je als lezer geboeid blijft en gretig verder leest. ‘Science writing’ noemt Frans de Waal deze wetenschapsliteratuur.

Overigens wil ik er hier nog maar eens voor pleiten noten bij de tekst vooralsnog als voetnoten te presenteren. Ik heb er een enorme hekel aan voor een verklarende tekst telkens weer achterin een boek te moeten gaan bladeren om na veel gezoek eindelijk de relevante toelichting te kunnen lezen. Helemaal frustrerend als je dan alleen het woord ‘ibidem’ tegen komt!

Heel interessant is het hoofdstuk Waterapenangst waarin Goldschmidt onderzoekt hoe het nu precies zit met de mogelijkheid dat homo sapiens aanvankelijk een zeezoogdier zou zijn geweest. In de paleontologie een thema dat men massaal vermijdt om niet de risee van de wetenschappelijke gemeenschap te worden. Ons brein is maar twee procent van het totale lichaamsgewicht maar verbruikt 20% van de energie van een volwassene (bij kinderen zelfs 60%) We komen uit bij de guts-brain-swap en leren dat hier de noodzaak van hoogwaardig voedsel vandaan komt. Hersenen bestaan voornamelijk uit vet maar slaan geen voorraden op waardoor het brein afhankelijk is van de directe toevoer van glucose en essentiële vetzuren. Sommige dieren verplaatsen een deel van hun spijsverteringskanaal naar buiten het lichaam. Krokodillen laten te grote buit eerst rotten alvorens het te eten. De mens is gaan koken, alle mensen doen dat. Het gebruik van vuur zou al bijna twee miljoen jaar oud zijn. Waarom de neanderthaler uiteindelijk verdween is nog een groot raadsel maar, aldus Goldschmidt, niet ondenkbaar is dat Sapiens beter kookte.

Nog interessanter haast vind ik de fibonaccireeksen die voorspellen hoe spiraalvormen in de natuur eruit zien. Bijna niet te bevatten en wat te denken van wat er gebeurd zou zijn als de komeet 65 miljoen jaar geleden de aarde net had gemist; dan waren er nooit zoogdieren ontstaan en was sapiens nooit opgedoken. Heerlijk om hier allerlei wat-als-scenario’s op los te laten. En waar komt taal vandaan? En rechtshandigheid? En ik heb nooit geweten dat linksdraaiende aminozuren een universele eigenschap van levende wezens vormen. En DNA-spiralen draaien uitsluitend rechtsom, dat u het maar weet. En duiven schijnen links en rechts niet van elkaar te kunnen scheiden maar onder en boven wel. Ze bleken, toen ze een links-rechts-probleem voorgelegd kregen simpelweg hun kop te kantelen zodat het een onder-boven-probleem werd. Verbluffend!

Dit hoofdstuk De andere linkerkant getiteld is werkelijk een van de hoogtepunten van deze heerlijke bloemlezing. En ik ben het hartgrondig eens met de vaststelling dat de overwegend rechtshandige mens met zijn sterk gelateraliseerde brein geen kroon op de schepping is, en zeker geen eindpunt van een progressieve evolutie. Sapiens is niet meer dan een “miniem twijgje aan de breed vertakte struik van het leven” en bestaat op een geologische tijdschaal gezien nog maar net.

Een fraaie taalvondst: “Dat waren klankschappelijk kale gebieden” over gebieden waar relatief weinig zangvogels huisden.

Nog zo’n prachtig hoofdstuk onder de titel On The Poetic Origin of Species waarin de schrijver Schieffelin introduceert die bewerkstelligde dat talloze vogels in de VS werden geïntroduceerd op basis van slechts één criterium: ze moesten genoemd zijn door Shakespeare. Alleen de spreeuw zou het redden. In 1890 en 1891 werden honderd spreeuwen uitgezet in Central Park in New York en in 1978 zouden er meer dan 100 miljoen spreeuwen in de VS geteld zijn!

Ik ben nog niet halverwege dit prachtige boek en kom terecht in het veruit meest interessante hoofdstuk: De verbreiding van het neonietsisme. Toegegeven, het is geen fraaie titel maar de inhoud is dat des te meer. Goldschmidt zet zich hier af tegen de creationist Cees Dekker en dezulken die menen dat een ontwerper een centrale rol moet hebben gespeeld. Zulke lieden zijn er ook van overtuigd dat God ons de moraal heeft geschonken maar onder verwijzing naar Bill Hamilton laat Goldschmidt zien dat moraal ook onder dieren teruggevonden wordt. Hamilton zag in dat natuurlijke selectie niet alleen plaats vindt op het niveau van het individu maar op dat van het individu inclusief zijn verwanten. Anders gezegd: je kunt je genen efficiënt verspreiden door zelf voor nageslacht te zorgen maar ook door verwanten te helpen gunstige voortplantingscondities te creëren. Goldschmidt komt met talloze voorbeelden en konkludeert: “Het begin van moreel gedrag, zorgzaam en aardig voor elkaar zijn, en dan niet alleen voor eigen familie, is in de natuur waarschijnlijk wijder verbreid dan onder mensapen en intelligente zeezoogdieren alleen.

In een leuke brief aan Darwin neemt Goldschmidt opnieuw Cees Dekker te grazen die van creationist aanhanger van het intelligent design werd om tenslotte als Theïstisch Evolutionist verder door het leven te gaan!

Nog zo’n geweldig essay is Het gen van de ziel. En in zijn laatste paragraaf van dit essay, Afgeleverd door een blind, doelloos proces beschrijft Goldschmidt hoe en waarom een levenshouding zonder religie voor hem zo inspirerend is. Ik had dit zelf zo kunnen schrijven. Een gedenkwaardige tekst. U moet het boek zelf maar lezen om erachter te komen waarom dat zo’n gedenkwaardige tekst is.

Ronduit schokkend zijn de passages waarin Goldschmidt beschrijft hoe zijn vader hem seksueel misbruikt. Hij schrijft dan: “Ik ben personage non grata geworden in eigen hoofd. Ik kom er niet meer in bij mij”. Afschuwelijk! Schokkend onder meer omdat deze tekst zomaar uit het niets opduikt. Wel het laatste wat je verwacht tegen te komen in dit boek.

Goldschmidt weet heel trefzeker te formuleren zoals naar aanleiding van een titel van ‘n schilderij van Marlene Dumas: “Titels verschaffen een werk context, zetten de beschouwer niet alleen op een kijk- maar vooral ook op een denkspoor. Waardoor een werk zijn materiële begrenzingen verlaat en zich daarbuiten kan voortzetten en in het hoofd van de beschouwer vragen, associaties of herinneringen oproept”. Dat is precies wat ik zelf ervaar als ik een schilderij bezie en kijk of het van een titel is voorzien. Ofschoon ik vaak heel blij ben als er ‘zonder titel’ staat vermeld, dan kan ik tenminste mijn eigen gang gaan. En dan, opeens, een prachtig aforisme: “Elk moreel stelsel wordt gebouwd met bakstenen van schaamte en schuld”.

Aan Goldschmidt is in 2023 de PC Hooftprijs toegekend en wat mij betreft is dat zeer terecht. Hij heeft inmiddels een zeer consistent oeuvre bij elkaar geschreven rond het thema evolutiebiologie. Ik denk dat zijn belangrijkste stijlmiddel de milde ironie is die telkens weer lichtjes aan de oppervlakte treedt. Heel subtiel, nog net merkbaar. Een uitstekend stilist en, niet onbelangrijk, een schrijver-wetenschapper die zijn materie beheerst.

Jammer is dat de afzonderlijke stukken niet werden gedateerd in dit heerlijke boek. De brieven wel maar ik had graag willen weten wanneer Goldschmidt zijn artikelen en essays schreef. In dit opzicht had dit voortreffelijke boek een uitgebreidere index verdiend.

 

Enno Nuy
Augustus 2023