Cossee, 264 pagina´s

 

Arme onverbeterlijke Duitsers! Zo beëindigt Hans Fallada – schrijver van Alleen in Berlijn en Wat nu, kleine man – zijn herinneringen aan de naziperiode. Veel schrijvers verlieten Duitsland toen de bende van Hitler de macht greep om een van de meest navrante episodes uit de moderne geschiedenis in te luiden. Onder hen de gebroeders Mann, Bertold Brecht, Joseph Roth, Sandor Márai, Lion Feuchtwanger, Anna Seghers, Walter Benjamin, Stefan Zweig en vele, vele anderen. Hans Fallada verkoos thuis te blijven. “Wat voor Duitser zou ik zijn als ik er ten tijde van nood en vernedering tussenuit was geknepen en een makkelijk leven had verkozen? (–) Dit volk is zo trouw, zo geduldig, zo standvastig – en zo gemakkelijk te verleiden! Omdat het zo gelovig is – het gelooft elke charlatan”. Daarmee heeft hij in een enkele zin alle anderen hoogmoedig hun plaats gewezen en dat is niet fraai. Ernst Toller, Walter Hasenclever, Walter Benjamin, Kurt Tucholsky, Stefan Zweig en Klaus Mann benamen zich het leven nadat ze waren geëmigreerd. ‘Makkelijk leven’, schreef Fallada. En in diezelfde passage schrijft hij dat het niet de Duitsers zijn geweest die het pad voor de nazi’s effenden maar de Engelsen en de Fransen en hun herstelbetalingen en andere vernederingen van het Duitse volk. Je moet maar durven. Later, nadat de oorlog ten einde was gekomen probeerde Fallada dat beeld wel te nuanceren en wat meer kritische zin ten aanzien van zijn eigen volk aan de dag te leggen maar dat komt dan nauwelijks nog geloofwaardig over.

Zijn afkeer van de nazi’s is authentiek. Daarvan getuigen deze herinneringen in overtuigende mate. Hij stelde ze op schrift in de gevangenis onder het toeziend oog van de autoriteiten en liep daarmee grote risico’s. En hij zal ook daadwerkelijk niets tegen joden gehad hebben, ofschoon ook hij hier en daar merkwaardige opmerkingen over joden plaatst. Later zal hij daarvan zeggen dat ze een logisch gevolg zijn van jarenlange propaganda, die als de gestage druppel, ook de meest kritische geest beïnvloedt. Dat mag op zich zo zijn, het blijft uiterst merkwaardig dat Fallada met geen woord rept over het lot van de joden vanaf  begin jaren dertig. Hij meldt nog wel de Kristallnacht maar daar houdt het toch echt mee op. Het woord concentratiekamp of Endlösung komt in zijn herinneringen niet voor, terwijl de deportaties van joden toch voor iedere Duitser zichtbaar moeten zijn geweest. In dit opzicht doet Fallada sterk denken aan Rudolf Lorenzen die in zijn memorabele roman Allesbehalve een held ook met geen woord over de misdaden jegens de joden rept.

Ook zijn de herinneringen van Fallada hier en daar aantoonbaar selectief en onjuist. Hij suggereert dat hij nooit officieel lid is geweest van de Reichsschrifttumskammer maar hij was wel degelijk een geaccepteerd lid. Waarom hij daar niet voor uitkomt is merkwaardig. Hij schrijft wel dat hij het lidmaatschap heeft aangevraagd omdat je daar nu eenmaal niet onderuit kon als schrijver. Voor elke publicatie moest, zeker in de latere jaren, papier worden aangevraagd bij het Ministerie. Wie geen of een geroyeerd lid van de RSK was, kon het verder wel vergeten. Of er bleek geen uitgever bereid je in zijn stal op te nemen, of je kreeg simpelweg geen papier voor het drukken van je tekst. En hoe het ook zij, wie als schrijver verkoos te blijven, moest vroeger of later concessies doen aan de autoriteiten, anders wachtte hem of haar een publicatieverbod. Fallada deed zulke concessies en schrijft daar openhartig over. Zo accepteerde hij zelfs een opdracht van de nazi’s om een antisemitisch boek te schrijven. Het manuscript zou zelfs zijn gedrukt maar is in de laatste oorlogsmaanden verloren gegaan, gelukkig maar voor Fallada, ook al ben je er als Fallada-lezer wel heel erg nieuwsgierig naar geworden.

Maar er gebeurde meer, Fallada honoreerde de aanwijzingen van Goebbels om het einde van zijn roman Der eiserne Gustaf te wijzigen en deze niet te laten eindigen bij de reis van deze koetsier naar Parijs maar in plaats daarvan Gustaf te doen veranderen in een overtuigde nazi die de machtsovername meemaakt. En daar eindigt dus de door Goebbels bestelde versie twee van deze roman. Hoe moet je dat alles nu beoordelen? Wat het leven van Fallada laat zien is dat je jezelf op een hellend vlak brengt vanaf het moment dat je besluit actief te blijven in een samenleving die volledig en totaal door de machthebbers wordt beheerst. Want dat laat dit boek nog eens nadrukkelijk en overtuigend zien. De grip van de bruinhemden op de samenleving was inderdaad volledig en absoluut. En dat gold zeker ook voor de wereld van schrijvers en uitgevers. Op het moment dat je erin toestemt de eerste concessie te doen, volgen er dus meer, steeds weer en steeds weer word je voor de vraag gesteld waar je persoonlijke grens ligt. Je kunt om deze feiten niet heen en ze moeten dan ook aan de openbaarheid worden prijs gegeven. Maar in uiterste instantie is het natuurlijk niet aan mij om over Fallada te oordelen. Verkeer eerst maar eens zelf in zo’n situatie. Dat Fallada verkoos te blijven schrijven – de schrijvers die bleven spraken zelf na de oorlog vergoelijkend van ‘Innere Immigration’ – en dus veel pulp publiceerde om in zijn levensonderhoud te voorzien kan niemand hem euvel duiden. Het schrijven van een antisemitisch boek is natuurlijk van een geheel andere orde.

Dit alles gezegd zijnde blijft onverlet dat Fallada een goed schrijver is en dat is ook zichtbaar in deze herinneringen. Vaak met veel gevoel voor understatement en humor beschrijft hij het leven op het Duitse platteland in de jaren dat de bruinhemden het steeds meer voor het zeggen krijgen. Maar hoe vermakelijk al die scenes ook zijn, het blijven vooral kleinburgerlijke verhaaltjes en anekdotes, overgoten met een nazi-sausje. Echt interessant zijn de herinneringen aan Peter Suhrkamp en vooral Ernst Rowohlt. Prachtige verhalen over gedenkwaardige mannen die in tijden van waanzin persoonlijke moed paarden aan eigenzinnigheid en oorspronkelijkheid. Ofschoon Fallada zich ook hier lijkt te laten leiden door persoonlijke frustraties als hij de carrière van Suhrkamp veel bruiner schetst dan door de feiten kan worden gestaafd. Hoe het ook zij, van deze beide uitgevers heb ik vooral genoten in dit ondanks alle bedenkingen toch uiterst leesbaar en fascinerend boek.

Hopelijk wordt de biografie van Hans Fallada van de hand van Jenny Williams ook spoedig in een Nederlandse vertaling uitgebracht.

 

Enno Nuy

december 2013