Uitgeverij Nieuw Amsterdam 1991, 817 pagina’ s

 

Op een koude en winderige dag in januari 2009 bezocht ik Westminster Abbey in London om het graf van Darwin te bezoeken en er in weerwil van de verbodsbordjes toch enkele foto’ s van te maken. Darwin ligt er gebroederlijk naast zijn confrater Herschel . Ik kan u een bezoek aan deze kerk aanbevelen, juist vanwege alle er begraven grootheden uit kunsten, literatuur, poëzie en wetenschap. Pas op de dag van mijn vertrek las ik op een van de billboards in de London underground dat er in het Natural History Museum in Londen juist in die dagen een tentoonstelling over leven en werk van Darwin geopend was. O onoplettendheid, terwijl ik in mist en regen in The Eye of London hoog boven alles uittorende en relatief weinig zag, had ik dus ook een prachtige expositie kunnen bezoeken over de man in wiens leven ik mij de voorgaande weken zo gretig had verdiept. Voor het geval u het niet wist, 2009 is het Darwin jaar, hij werd immers geboren in 1809 en het is terecht dat we daar stil bij blijven staan. En dat rechtvaardigt zeker een recensie van een monumentaal werk, ook al werd het reeds in 1991 gepubliceerd.

Het was reeds de grootvader van Darwin, Erasmus Darwin die dichtte: “Onder warme zonstralen in oergrotten bedolven / Begon het organisch leven diep onder de golven…. / Zonder ouders derhalve, ontkiemd op eigen kracht / Ontstond stilaan de aarde in bezielde pracht”. Wat mij verbaasde – want ik wist dit niet – was hoezeer de evolutiegedachte ten tijde van Darwin onderwerp van discussie, actualiteit was. “Unitariërs (zij die de drie-eenheidsgedachte verre van zich werpen- e.n.) moesten niets hebben van de orthodoxe creationistische wetenschap zoals die op anglicaanse scholen werd onderwezen. Volgens hen waren de soorten niet als door een wonder ontstaan en stond de mens niet buiten de natuur” schrijven Desmond en Moore. En de Fransman Jean Baptiste de Lamarck (1744 – 1829) is eigenlijk een evolutionist avant la lettre, zij het dat hij de evolutie hand in hand met perfectionering zag lopen en een ladder der natuur veronderstelde.

Desmond en Moore beschrijven een opmerkelijk actieve en wijd verspreide vrijdenkerij in het Engeland van begin 19de eeuw. De democratie moest nog geboren worden, “toen het christendom het geloof van redelijke mannen was en redelijke mannen over de wereld heersten”. Ofschoon Darwin godsdienst niet al te serieus nam, heeft hij zich nooit gepresenteerd als een atheïst. Sterker nog, hij werd aanvankelijk voorbereid op een leven als plattelandsgeestelijke en hij keek daar ook naar uit, al was het maar omdat die status hem in de gelegenheid zou stellen zijn wetenschappelijke arbeid te verrichten. Naturalisme werd in die tijden als een ideale vorming en scholing voor een geestelijke gezien. Na zijn reis met de Beagle zou Darwin als zijn mening ontwikkelen “dat de Schepper schept door middel van wetten”. Darwin voelde haarfijn aan hoezeer de ontwikkeling in zijn wetenschappelijk denken op vijandige voet stond met het gangbare religieuze gedachtegoed en hij heeft zich zijn leven lang ingespannen om zijn theorieën in te bedden in de actuele maatschappelijke en wetenschappelijke stromingen, pleitbezorgers te vinden die hem uit de hoek zouden houden waar verdachtmakingen hem zouden treffen, salonfähig te worden in de gremia die er toe deden. De gangbare gedachte was dat “dieren, de mens incluis, ingewikkelde constructies (zijn) uit de goddelijke werkplaats – voortreffelijk toegerust voor de plek die zij in de wereld innemen. Het is zonneklaar dat ze ontworpen zijn, en dus moet er een Ontwerper zijn. Dit rationele godsbewijs zou de mens volgens Paley moeten doen zoeken naar tekenen van openbaring en hem zijn burgerlijke plichten moeten doen vervullen”.

Prachtig is de beschrijving van de bij tijd en wijle barre tocht die Darwin met de Beagle maakte, van de onderzoekingen die hij deed en van zijn gedachten- en ideeënstroom die de basis zouden vormen voor een theorie die sedertdien aan actualiteit niet meer in zou boeten. Het bleek nog niet zo eenvoudig om aan te monsteren op een schip, deel uit te kunnen maken van een expeditie die waarlijk interessant zou kunnen zijn. De regeringen van Europese staten stelden hogelijk belang in het ontsluiten van nieuwe werelden en handelsroutes. En  geologen en biologen waren minstens even interessant en noodzakelijk om die grotendeels onbekende wereld te ontsluiten. Zijn reis leerde hem hoe continenten hadden kunnen ontstaan, hoe soorten onderscheiden kunnen worden en dat het geen toeval kon zijn dat verschillende soorten op verschillende ver van elkaar gelegen plaatsen op de wereld voor kwamen. Darwin ontwikkelde de theorie van de transmutatie, een denkbeeld dat door Owen (die Darwin zijn leven lang ook met de meest unfaire middelen zou bestrijden), Herschel en Lyell met kracht verworpen werd. Zij waren van mening dat transmutatie en afstamming van de aap de mens dreigden te verdierlijken, hem omlaag zouden trekken, de goot in, en zijn verheven staat zouden vernietigen. Maar Darwin nam de mens niet langer als middelpunt en ergerde zich meer en meer aan de hooghartige theologie en aan het superioriteitsgevoel van de mens.

Darwin trouwde met Emma Wedgwood, telg uit het recent zo jammerlijk teloorgegane porseleingeslacht. Opmerkelijk genoeg, zeker voor iemand als Darwin die langzaam maar zeker zijn theorie over de natuurlijke selectie aan het ontwikkelen was, ging het hierbij om zijn nicht. In zijn latere leven is hij tot de slotsom gekomen dat de gewoonte om binnen de familie te trouwen, uit evolutionair standpunt bekeken niet erg verstandig was. Hij maakte zich ook zorgen over de gezondheid van zijn kinderen en vreesde dat hij vooral zijn eigen zwakke gestel had doorgegeven.

In 1844 publiceerde de Edinburghse uitgever Robert Chambers  een pamflet Vestiges of the Natural Histiry of Creation waarin de zelfontwikkeling van de natuur centraal stond. Het was voor het eerst dat een evolutiegedachte in een populair wetenschappelijk werk voor een breed publiek ter beschikking kwam. Hoewel het werk alom geprezen werd, konden mensen als Hooker en Darwin er weinig waardering voor opbrengen. Naar hun mening werden er teveel blunders op het vlak va de geologie en dierkunde begaan. Darwin was daarnaast benauwd voor een al te grote populariteit bij het gewone volk. Te gemakkelijk zou zijn theorie ‘misbruikt’  kunnen worden voor meer materialistische politieke doeleinden. Darwin streefde naar erkenning door de (wetenschappelijke) elite en was zich ervan bewust dat hij uiterst omzichtig moest manoeuvreren. Niet alleen om wetenschappelijke scepsis bij zijn vakbroeders te overwinnen maar zeker ook om theologische klippen te kunnen vermijden. Niet zelden waren die twee noties overigens nauw met elkaar verbonden.

Tijdens zijn jarenlange monnikenarbeid voor het bestuderen van de zeepok stuitte Darwin op de voortplanting van de eendenmossel.  Het vrouwtje draagt verscheidene minuscule mannetjes bij zich voor de bevruchting. “Wat voor moois zou een anglicaanse creationist kunnen vinden in parasitaire polyandrie bij eendenmossels en zeepokken? Als het waar was, kon men daar God toch nauwelijks lof voor toezwaaien? Verder dan dit kon de natuur zich niet van de ‘ nobelste nazaat van de tijd’ , de mens, verwijderen? Een dominant vrouwtje dat toestaat dat er een stelletje afhankelijke, minderwaardige mannetjes aan haar rokken hangt”.

Een belangrijke rol in leven en werk van Darwin is weggelegd voor Thomas Huxley, de grootvader van de latere schrijver Aldous Huxley. Deze Thomas Huxley zou gaandeweg de grote wegbereider voor Darwin blijken. Hij schuwde de strijd niet en beschikte over de moed en geesteskracht om de gevestigde wetenschappelijke en religieuze orde tegen de haren in te strijken. Hij is de geestelijke vader van de begrippen ‘agnost’  en ’seculier’. Een van de grote antagonisten – die uiteindelijk door met name Huxley onschadelijk gemaakt zou worden – was de advocaat Mivart die zijn bezwaren tegen de evolutieleer als volgt formuleerde: “Aanvaarding van uw opvattingen betekent voor velen dat zij afstand moeten nemen van het geloof in God en in de onsterfelijkheid van de ziel, tezamen met toekomstige beloningen en straffen[….] Ik denk dat de teloorgang van zulke overtuigingen uiterst belangrijk is bezien vanuit het [….] standpunt van het wereldlijk geluk van de mensheid [….] God behoede ons in Engeland voor een godsdienstig verval zoals dat in het midden van de achttiende eeuw in Frankrijk plaatsvond, en waarvoor de Fransen nu zo moeten bloeden!”  Kortom, Darwin werd gezien als veroorzaker van atheïsme, anarchie en nationale ondergang. Een groter schrikbeeld was voor hem niet denkbaar en zonder secondanten als Huxley zou hij die strijd ook jammerlijk verloren hebben.

Voorwaar, een prachtig boek, deze biografie. Geschreven uit liefde en eerbied. Darwin komt hier tot leven en zeker wanneer het erom gaat, wanneer bijvoorbeeld de dood in het spel is, of de liefde voor zijn vrouw en zijn kinderen, zijn vader en zijn broer, wordt het boek ronduit ontroerend. Een heuse page turner zoals dat heet. Ik beveel het u van harte aan.

 

Enno Nuy, Februari 2009