Uitgeverij Bas Lubberhuizen,110 pagina’s

 

Na de reis van Nicloas Bouvier en Thierry Vernet via Yoegoslavië, Turkije, Iran en Pakistan naar Afghanistan, zo schitterend beschreven in De wegen der wereld, reisde Bouvier alleen door naar India. Zijn kameraad vertrok vanuit Afghanistan naar Ceylon om daar met zijn geliefde in het huwelijk te treden. Over het verblijf van Bouvier in India weten we vooralsnog niets. In De schorpioenvis, gepresenteerd als het logische vervolg op De wegen der wereld, is Bouvier inmiddels aangeland op het eiland Ceylon, dat tegenwoordig Sri Lanka heet. Jammer, omdat ik wel had willen weten hoe het verblijf in India Bouvier was bevallen. Misschien zit die episode nog verborgen in het nog niet uit het Frans vertaalde oeuvre. Zeker is dat Bouvier er in De schorpioenvis niets over mededeelt. En na Ceylon, moet hij zijn doorgereisd naar Japan. Ook dat houden we dan maar tegoed.

Het eiland krijgt geen naam in dit boek en wordt steevast aangeduid met het Eiland. Maar uit enkele plaatsnamen en chronologie is duidelijk dat het hier om Ceylon gaat. Bouvier neemt met verbazing en steeds groeiende ergernis waar hoe de bevolking van dit eiland, dat later nog zo geteisterd zou worden door de strijd tussen Tamils en regeringstroepen, reageert op een leven onder extreem tropische omstandigheden.  Het lijkt alsof de zon iedere vorm van activiteit onmogelijk maakt, elk initiatief bij voorbaat doet mislukken en het de mens onmogelijk maakt de eigen verantwoordelijkheid op te pakken. In plaats daarvan legt men zich neer bij wat kennelijk de onontkoombare werkelijkheid is en ter verzekering van de onmogelijkheid tot eigen initiatief wordt er driftig magie bedreven, alsof de mens er bij voortduring aan herinnerd moet worden dat hogere krachten de wereld bestieren. Ook al is het bedrog en doorgestoken kaart. Bouvier beschrijft daar enkele prachtige staaltjes van. Maar langzamerhand gaat ook hij ervaren dat hij geen keuze meer lijkt te hebben, niet meer de kracht op kan brengen om die eigen keuze te maken.

Door tal van omstandigheden kan hij pas maanden later dan gewild de oversteek naar Japan maken en zo wordt hij veroordeeld tot pure indolentie op een naar het schijnt onaangenaam eiland. “Een eiland is als een vinger op een onzichtbare mond en we weten al sinds Odysseus dat de tijd er op een af andere manier niet verstrijkt” schrijft Bouvier. Een prachtig eiland, dat wel maar Bouvier noemt het zinloze schoonheid. Schoonheid die geen enkel doel lijkt te dienen en die niet kan verhullen dat de hypocrisie hoogtij viert, de mens er niet vooruit te branden is en hij en passant ook nog eens geconfronteerd wordt met vreemdelingenhaat. Integreren in een dergelijke door magie beheerste samenleving is niet mogelijk, je bent en blijft te allen tijde de buitenstaander en dus ben je verdacht. Wat kom je er doen, wiens belang dien je er eigenlijk? Voor wie ben je een vooruitgeschoven post?

En zo wordt dit boek een beklemmende beschrijving van een steeds benauwder bestaan. Hetgeen nog eens extra versterkt wordt doordat Bouvier er ziek wordt en in het ziekenhuis belandt. Steeds meer glijdt hij af naar een hallucinatoir bestaan, waarin maar een wezen de echte baas is: het insect. De gedragingen die Bouvier optekent van deze onverstoorbare wezens zijn werkelijk schitterend, soms zelfs angstaanjagend. Twee stijlfiguren die Bouvier hier bij tijd en wijle toepast zijn het zichzelf in de derde persoon enkelvoud beschrijven en het uitnodigen van lezer om even naast hem te komen zitten om getuige te zijn van het komende fragment. Wel je mond houden, voegt hij er dan aan toe, alleen maar toekijken. Beide werken vervreemdend omdat ze opeens een afstand creëren.  Een beroepsgroep waar Bouvier helemaal niets van moest hebben waren de kaalhoofdige monniken (hij spreekt van ‘kaalgeschoren politiespionnenkoppen’) die zich schuldig maakten aan vrouwenverkrachting en die door hem als religieuze terroristen avant la lettre worden voorgesteld. En nu we het over religie hebben: Bouvier schrijft ergens dat zijn protestante opvoeding nagenoeg gelijk staat aan een eenzijdige verlamming. En om nog een ander aforisme van hem te citeren: Wie praat weet niet, wie weet praat niet. Dat zij toch formuleringen om jaloers op te zijn. Die had ik zelf wel willen bedenken.

Bouvier heeft ontmoetingen met een tweetal figuren die wat mij betreft tot de prachtigste avonturen uit de literatuur behoren: een dikke winkelierster en de priester Alvaro. Ik zal er hier niet over uitweiden, deze geschiedenissen zijn zo schitterend beschreven dat ze het verdienen niet te worden naverteld. Ze behoren integraal gelezen te worden. Anders gezegd: koop dit boek, het is fantastisch.

Over reizen schrijft Bouvier dat het een vorm van afpellen is, “jezelf kaalplukken, uitspoelen en uitwringen tot je net zo’n versleten handdoekje bent als dat je met een stuk zeep krijgt aangereikt in een bordeel”. En inderdaad, de gemakkelijke reizer, de moderne toerist reist rond en registreert, op zijn best verdiept hij zich enigszins in de vreemde omgeving die hij bezoekt maar uiteindelijk beperkt hij zich tot oh en ah. Reizen is voor Bouvier pas reizen als het hem iets over zichzelf leert, zichzelf als het ware transparant maakt. In De wegen van de wereld schrijft hij over dat thema ook veelvuldig. Niet de meest eenvoudige levenshouding, er zijn er maar weinigen die op die manier hun leven kunnen leiden. Het is een eenzame manier van leven waarin de omgang met medemensen vervluchtigt als benzinedampen in de zon. Pas door er, vaak jaren later, over te schrijven maakt de reiziger Bouvier zichzelf tot onderdeel van een groter (samenlevings)verband.

De vertaalster schreef een verhelderend nawoord bij dit boek, waaruit blijken mag dat we hier van doen hebben met ‘een half autobiografisch en een half fantastisch sprookje’. Het maakt mij allemaal niet uit, dit was een geweldige leeservaring. En nu de rest van zijn oeuvre of moet ik daarvoor eerst mijn Frans ophalen?

 

Enno Nuy, augustus 2011