De Bezige Bij, 516 pagina´s

 

De historicus Philipp Blom schreef met De duizelingwekkende jaren een prachtig boek, dat je het liefst in één ruk uitleest. Voor een deel mag dat misschien liggen aan het onderwerp, Europa in de jaren 1900 – 1914 maar daar is niet alles mee gezegd. Ook de structuur van het boek is helder en de manier waarop Blom zijn episodes presenteert en zijn hoofdpersonen schildert is zeer aanstekelijk. Uit alle hoeken en gaten tovert hij kleinere en grotere anekdotes tevoorschijn, plaatst hij zijn onderwerpen tegen de achtergrond van een wijder perspectief. En last but not least: de man kan schrijven, goed schrijven.

We beginnen in het Frankrijk van die jaren met een sterk teruglopend geboortecijfer waar het antisemitisme steeds salonfähiger werd. Maurice Barrès en Édouard Drumont waren de protagonisten van deze ontwikkeling. “Alles komt door de joden en alles gaat terug naar de joden” schreef Drumont in La France juive. En natuurlijk speelde dat antisemitisme een hoofdrol in de Dreyfus affaire. Emile Zola, de grote verdediger van Dreyfus zou jaren later om het leven komen door verstikking, nadat een dakwerker zijn schoorsteen had afgedekt uit wraak voor diens verdediging van de joodse kapitein. Fraai is ook de passage over Eugène Atget, de fotograaf die dertig jaar lang het Parijs fotografeerde waarvan hij vreesde dat het spoedig zou verdwijnen achter de moderniteit. Opmerkelijk is dat de foto’s van Atget bijna symbool staan voor het ontvolkt rakende Frankrijk. Er staan vrijwel geen mensen op zijn foto’s. De sporen van mensen zie je wel in afgesleten traptreden en natuurlijk is het bestaan van een grote stad al het bewijs van menselijke activiteit. Die moderniteit trad echter nog helemaal niet op de voorgrond en er leek een algeheel gevoelen van culturele neergang in Europa te bestaan, zeker in de literatuur.

Sinds de tweede helft van de 19de eeuw nam de macht van de adel in toenemende mate af. Prachtig is de beschrijving van de wisseling van de wacht na het overlijden van Queen Victoria in 1901. Met name de komst van de stoomturbine had een desastreus effect op de Engelse economie en daarmee op de positie van de kleine landadel die alle grond in Great Britain bezaten. In Frankrijk werd de macht van de katholieke kerk gebroken met de definitieve scheiding tussen kerk en staat. En ook in Rusland was de positie van de landadel tanende, zeker nadat de gratis arbeid door lijfeigenen werd afgeschaft. En de dubbelmonarchie in het hart van Europa kreeg het al evenzeer steeds moeilijker. Alleen de Duitse adel bleef overeind tot 1944 toen graaf Von Stauffenberg de doodzonde beging zijn staatshoofd te willen elimineren. Dit laatste nam overigens niet weg dat het Duitse Bürgertum vast in het zadel zat, zeker in de Hanzesteden en de grote Duitse industriesteden. Daar had men weinig op met de adel en creëerde men een eigen hiërarchie van titels die tot op de dag van vandaag in Duitsland zo belangrijk lijken te zijn.

De beschrijving van de dubbelmonarchie en de onvermijdelijke afloop daarvan leest als een trein en wie bekend is met het werk van Joseph Roth zal veel direct herkennen. Het Habsburgse Rijk dat van binnenuit werd bedreigd door nationalisme en van buitenaf door rivaliserende mogendheden, zoals Blom stelt. En dan deze heerlijke constatering: “Er werd wel gegrapt dat de Habsburgse diplomatie deed denken aan een Weense wals: eerst een draai naar rechts, dan een naar links, dan een volledige draai, en nog een, totdat je weer was beland waar je was begonnen”. Het was ook de tijd van Marie en Pierre Curie, Rutherford en Einstein. Elektriciteit en de auto deden hun intrede. Ook de tijd van H.G. Wells, Arthur Conan Doyle en Karl May, van Kandinsky, Picasso, Monet en Malevitsj.

Schokkend is het hoofdstuk over de genocide in de Congo, door de Belgische koning Leopold II. Meer dan tien miljoen Afrikanen werden afgeslacht. Tallozen werden mishandeld en verminkt. Vrouwen werden massaal en stelselmatig verkracht. Maar ook de Britten gingen zich te buiten in de goudoorlog – aangesticht door Cecil Rhodes – tegen de boeren-kolonisten die toen al een apartheidsstaat hadden gevestigd. En de Duitsers begingen onvoorstelbare wreedheden jegens de Herero-stam. En wat te denken van de genocide op de Armeniërs(1915) en de strafexpedities in Indonesië door de Nederlanders. Maar tegelijkertijd bleken de massamedia en dan met name de schrijvende pers een steeds belangrijkere rol te spelen in het aan de kaak stellen van misdaden en wantoestanden. Tegelijkertijd speelde zich in Rusland de kleine revolutie af die begon met Bloedige zondag in Petersburg op 9 januari 1905. Na ongekende wreedheden en het contre coeur toestaan van een doema echter, bleef tsaar Nicolas II in het zadel maar de toon was gezet. Het Russische volk leed onder de tirannie van een krachteloze vorst die niets van zijn volk begreep. De vraag was enkel hoe lang het nog zou duren voor het kruitvat zou ontploffen.

Fraai is ook hoe Blom samenhang ziet tussen de groeiende onzekerheid omtrent de rol van de man, de ontvolking van het Franse platteland, het militair machtsvertoon van de Duitsers en de lichamelijkheidscultus, ook onder de ‘Muskeljuden’ van Max Nordau. Het waren de jaren van spiritualiteit en mystiek, van madame Blavatsky en Rudolf Steiner, van Yeats en George Bernard Shaw, Gustav Klimt en Sir James George Frazer. Ook de alternatieve onderwijsvormen zagen in deze tijden het licht. En niet te vergeten de grootste massabijeenkomst ooit op dat moment, de demonstratie van kiesrecht eisende vrouwen in Hydepark, op 21 juni 1908. Er kwamen naar schatting tussen de 250.000 en een half miljoen mensen op deze bijeenkomst af. De suffragettes hadden een wereld te winnen maar stuitten uiteraard op veel en hardnekkig verzet. Pas nadat zij gedurende de Eerste Wereldoorlog het werk van mannen aan het thuisfront hadden overgenomen, verkregen de Engelse vrouwen eindelijk in 1918 algemeen kiesrecht, later dan de vrouwen in Nieuw Zeeland, Australië, Finland, Noorwegen en Canada maar veel eerder dan de vrouwen in Frankrijk, Nederland en Rusland.

Het vliegtuig, de auto, snelheid, records, dat alles dateert uit de beginjaren van deze eeuw. Vanaf deze zelfde tijd verspreidden ziekten zich veel gemakkelijker en sneller maar ook nam het aantal psychische en psychiatrische stoornissen in een ras tempo toe. Sterker nog, neurasthenie werd gezien als een teken van moderne ontwikkeling. Neurasthenie, de ADHD van het begin van de twintigste eeuw. Niet alleen de emoties en de gevoelens veranderden massaal en enorm, ook de taal en het was Virginia Woolf die op enig moment verklaarde: “In of omstreeks december 1910 veranderde de menselijke aard”. Het was gedaan met de tijd dat er stond wat er stond, poëzie en literatuur veranderden met de tijd. En zo voltrok zich het schandaal rond de première van Le Sacre du Printemps van Strawinsky waar het publiek van die dagen nog lang niet aan toe bleek. De film deed zijn intrede en de eerste camera’s kwamen op de markt, evenals de grammofoonplaat. De populaire cultuur werd steeds manifester in het dagelijkse bestaan. Alles werd onderhevig aan de wetten van de massaproductie.

Ook werd in deze periode de kiem gelegd voor de eugenetica. Het eerste congres met dit thema vond plaats in Londen in 1912, voorgezeten door de zoon van Darwin. DNA en de structuur daarvan waren in die jaren nog niet bekend en ook het bestaan en de werking van mutaties en recombinatie van losse genen werden nog niet begrepen. En er waren velen die in die jaren oprecht geloofden dat alleen eugenetica een samenleving kon behoeden voor degeneratie. Winston Churchill was een pleitbezorger van gedwongen sterilisatie. Bij velen vatte de gedachte post dat “individuen die niet langer waardevol zijn voor de instandhouding van de soort, gebaat zouden zijn bij een vroege dood”. En deze discussies werden niet alleen in Duitsland maar zeker ook in Groot Brittannië, Italië, Frankrijk en de Verenigde Staten met groot enthousiasme én instemming gevoerd, onder alle politieke gezindten. Alleen in Rusland was het sociaal Darwinisme lange tijd omstreden maar dat veranderde toen in 1917 de communisten aan de macht kwamen en hardop gingen nadenken over het scheppen van de nieuwe mens.

Belangwekkend en interessant zijn de passages waarin Blom weergeeft hoezeer Nietzsche werd misverstaan en even belangwekkend zijn de meningen van Steiner die een rasechte racist en antisemiet genoemd kan worden. En in Guido von List vond Duitsland de wegbereider van de mythe van het Arische ras inclusief de swastika en ene Adolf Hitler als een van diens meest fervente lezers. En het was in deze nerveuze tijden waarin aan alle conventies en taboes werd getornd, waarin de seksen geherdefinieerd moesten worden, waarin onzekerheden hand over hand toenamen, het was in deze tijden dat een politieke moord kon ontaarden in wat later bekend zou worden als de Eerste Wereldoorlog. Maalstroom, chaos, apocalyps. En later zou blijken dat ook alle ingrediënten voor een tweede, nog grotere tragedie reeds ontkiemd waren aan het begin van de twintigste eeuw.

Philipp Blom toont zich een groot stilist, bijvoorbeeld in een zin als: “Omstreeks 1895 had Freud het archimedisch punt bereikt waarop hij dacht dat hij de wereld van de geest uit zijn hengsels kon tillen”. Ook noteert hij verrassende opmerkingen, zoals die over de docenten van de Weense kunstacademie “die de loop van de geschiedenis hadden kunnen veranderen door Adolf Hitler wél toe te laten toen hij daar in 1907 vergeefs om verzocht”. Narratieve geschiedkunde van het allerhoogste niveau. Kortom, een buitengewoon fraai en goed geschreven studie van een fascinerend tijdperk, een duizelingwekkend boek.

 

Enno Nuy, november 2012