Pot en ketel

Veelschrijver Spengler, de anonieme columnist van de Asia Times – naar de mening van Leon de Winter zelfs de beste columnist ter wereld – probeert in een column in de Asia Times en Opinio de verschillen aan te geven tussen de joods-christelijke God en Allah. Spengler zet daarin uiteen hoe het islamitische Godsbegrip buiten de rede valt. Allah is niet te kennen, ook niet via de rede en via de liefde, en er kan dus ook geen relatie ontstaan tussen de individuele gelovige en zijn God.

Een moslim moet zich onderwerpen om een goede gelovige te zijn. Begrip hebben voor de manier waarop Allah de wereld geconstrueerd heeft, is een onmogelijkheid. De wartaal waaruit de Koran voor een deel bestaat – zegt de Winter – , is precies de uitdrukking van de onbegrijpelijke willekeur van die absolute macht genaamd Allah die slechts blinde volgelingen eist die zich geen vragen stellen over zijn orde. Opmerkelijk toch hoe de ene gelovige de andere verwijt dat zijn apocriefe boeken kul bevatten zonder de baarlijke nonsens uit zijn eigen Heilige Geschriften te vermelden.

Een persoonlijke relatie met God

Maar terug naar Spengler: doordat die persoonlijke band met de God die liefheeft, ontbreekt, verkeert de moslim continu in angst. Misschien is het de aardse onderwerping, verstoken van persoonlijke liefde, die veel moslims zo gevoelig maken voor kritiek en spot. Hun Allah is een Allah die zich nooit reduceert tot een menselijke stem vol tederheid en vergiffenis.

In de joodse en christelijke religieuze mythologie daarentegen, wemelt het van figuren die vechten met hun God, Hem aanspreken en ondanks de ongelijkheid gelijkheid opeisen. Wie een persoonlijke band met zijn schepper heeft, kan zich immuniseren voor aanvallen van derden. Wat deze gelovige bezit, is een individuele relatie die door geen andere stem kan worden verstoord. Maar met Allah kan zo’n relatie niet worden aangegaan. En dus hoort de moslim alle provocerende en kritische stemmen, en hij heeft geen ander beschermings-mechanisme dan te roepen om stilte.

Achter de wolken schijnt de zon

Wat Leon de Winter echter verzwijgt is dat Spengler vervolgens enorme kletsika begint uit te slaan en de Islam voorstelt als een soort polytheïstisch heidendom om daarna zonder ook maar de geringste adstructie plompverloren te verklaren dat de lege en willekeurige wereld van het atheïsme veel meer verwant is aan het islamitische universum dan aan de bijbelse wereld, waarin God uit liefde voor de mens het bestaan ordent, zodat wij in alle vrijheid de liefde kunnen beantwoorden, die onze Schepper voor ons koestert.

Aan het begin van zijn artikel maakt Spengler melding van miljoenen moslims die zich tot het Christendom aan het bekeren zijn maar constateert hij met spijt dat prominente Islam-afvalligen zichzelf vooralsnog bij het atheïsme parkeren: Salman Rusdie, Hirsi Ali, de Syrische dichter Adonis, de schrijver Ibn Warraq enzovoort. Hij eindigt dan ook met de verzuchting te hopen dat de reis van Hirsi Ali haar voorbij het atheïsme zal brengen. Of hij dan nog een voorkeur heeft voor het Christendom of Jodendom, laat hij in het midden.

Wel kwalijk overigens dat de Winter zo selectief winkelt in het gedachtengoed van deze Spengler, die wat mij betreft al veel eerder, onder andere in zijn artikelen over moderne kunst, bewees vooral uit te blinken in volstrekte wartaal. Dat Opinio zo ruim baan biedt aan het ongefundeerde redeneren van deze anonieme columnist, is een teken aan de wand. Dat de Winter alles goedkeurt dat als vanzelf naar het christendom of judaïsme leidt zonder zich om bewijslast druk te hoeven maken is een intellectueel onwaardig.

 

Enno Nuy

20 december 2007

 

Bronnen:

Asia Times, 3 december 2007
Opinio, 14-20 december 2007
Elsevier, weblog Ellian & de Winter 7 december 2007