Is het universum het panorama dat ons onze eigen nietigheid en daarmee betrekkelijkheid doet beseffen of mogen we hogere verwachtingen koesteren van het zwerk? Moéten we wellicht hogere verwachtingen koesteren van dat heelal en ons bijtijds realiseren dat het ons toekomstig huis zal zijn? Want zoveel is zeker: eens, als de zon ons steeds dichter naar zich toetrekt, zullen we (moeten) verhuizen.

Evolutie en eugenetica

In een uitvoerig en helder manuscript onder de titel Prospects for existence: morality and genetic engineering onderzoekt de Amerikaan John Hartung, Associate Editor of the Journal of Neurosurgical Anesthesiology en tevens Associate Professor of Anesthesiology at the State University of New York, de ethische basis voor gentherapie. We zijn het er over eens, stelt Hartung, dat levende materie een verbetering over niet-levende materie betekent. Levend zijn is het bewijs van die overeenstemming omdat levend zijn vereist dat er een inspanning wordt geleverd om levend te blijven. Men kan dus niet levend zijn en het er niet over eens zijn dat levend zijn superieur is aan niet-levend zijn. Het bestaansargument vergt niets meer dan deze premisse – dat leven beter is dan het alternatief!

Onze levens bestaan en zijn betekenisvol wanneer ze levens beïnvloeden die levens beïnvloeden die levens ….tenzij er een generatie ontstaat die geen nakomelingen meer oplevert. Wanneer ons leven alleen nog gevolgen heeft voor niet-levende materie, dan verliest ons leven zijn betekenis. Evolutie is een kwestie van methoden en technieken. Natuurlijke selectie kent geen doel. Maar de vraag naar het leven blijft: waartoe als het niet voor eeuwig en altijd is? Een toenemend aantal natuurkundigen lijkt geloofwaardigheid toe te willen kennen aan de mogelijkheid dat leven eeuwig voort zou kunnen duren. Die gedachte veronderstelt wel dat leven in staat zal moeten zijn of geraken om het universum aan te wenden voor het eigen doel.
Onze kennis van het universum mag dan ontzagwekkend zijn, de mens is vooralsnog niet toe aan het volledig ontrafelen van oorsprong en toekomst van het universum. Zolang een ineengeschrompeld universum tot de mogelijkheden blijft behoren, stelt Hartung, is alle bestaan strikt toeval. Van iets kan niet gezegd worden dat het bestaan heeft als van dat bestaan geen bewijs is. Welnu, stelt Hartung, het vooruitzicht dat ons bestaan empirisch reëel kan zijn doordat het tot iets leidt – en zelfs de moeite waard door te leiden tot iets dat levend is – dat vooruitzicht heeft de religieuze arena (waar eeuwigheid gegarandeerd werd) verlaten om via de arena van wat nog recentelijk de moderne natuurkunde bepaalde terecht te komen in de arena van het aangeven, benoemen van waarschijnlijkheden.

Toonaangevende natuurkundigen als Hawking en Geller neigen er steeds meer toe de hier vermelde noties voor mogelijk en zelfs aannemelijk te houden. Wanneer noties van een zingevende god uit de weg zijn geruimd, zou duidelijk moeten worden dat uitsluitend en alleen levende organismen een bron van ‘bedoeling, van ‘zin’ vormen. Een universum is een natuurkundig systeem dat geen doel kent. Als een systeem zijn doel zou hebben bereikt is verder bestaan volstrekt zinloos. Alleen levende organismen hebben een doel en dat doel is te bestaan en bestaan kan alleen betekenis hebben als het een eindeloze reis betreft.

Fetzer formuleerde in 1996: “de intrinsieke waarde van reproductie en overleven van de menselijke soort vormt een geschikte basis voor een evolutionaire ethische theorie”. Inderdaad, zegt Hartung en alleen de gewilde daden van een organisme dat zich bewust is van leven doordat het zich bewust is van de dood, kunnen en moeten moreel zijn. De standaard voor moraliteit is de logische aanvulling op de definitie van immoraliteit: gedrag dat de waarschijnlijkheid dat leven eeuwig zal duren in gevaar brengt is immoreel; en gedrag dat de waarschijnlijkheid dat leven eeuwig duurt vergroot is moreel. Moraliteit die is gebaseerd op de strijd om het voortbestaan levert geen oplossing voor elk willekeurig probleem op elk willekeurig tijdstip maar benadrukt wel het algemene doel dat nagestreefd moet worden, namelijk dat we altijd nakomelingen zullen hebben.

Davies voegt hier aan toe dat het er niet zozeer om gaat of onze soort onsterfelijk is maar of onze nakomelingen kunnen overleven. En het ligt niet voor de hand, stelt Davies, dat onze nakomelingen menselijke wezens zijn! Dit laatste lijkt een krasse veronderstelling maar reeds in 1794 merkte Thomas Paine op: “Als ik in dit lichaam al eens gestorven ben, en in hetzelfde lichaam als waar ik in geleefd heb verrijs, is dat een aannemelijk bewijs van de stelling dat ik weer zal sterven. Om in onsterfelijkheid te geloven zal ik dus een meer verlichte opvatting moeten koesteren dan welke ligt opgesloten in de duistere doctrine van de verrijzenis. Trouwens, ik had liever een beter lichaam en een geschiktere vorm dan nu maar los van alle andere argumenten is duidelijk dat het bewust zijn van het bestaan het enige bevattelijke beeld vormt dat we kunnen hebben van een ander leven, en het voortduren van dat bewustzijn is onsterfelijkheid. Deze bestaansbewustheid is niet noodzakelijkerwijs beperkt tot dezelfde vorm, noch tot dezelfde materie, zelfs in dit leven”.

Hartung trekt uit dit alles twee konklusies: in de eerste plaats moeten we van moraliteit binnen de groep omschakelen naar moraliteit voor alle groepen. Moraliteit binnen de groep leidt tot zelfdestructie terwijl we met moraliteit voor alle groepen eeuwigheidswaarde kunnen verwerven. In de tweede plaats zijn we moreel verplicht om de evolutie doelbewust te sturen. Als we dat namelijk niet doen, is de waarschijnlijkheid dat leven voort zal duren gereduceerd tot de kans dat een andere vorm van leven de gesel van de moraliteit binnen de groep zal overleven om langs de weg van natuurlijke selectie zodanig te evolueren dat het zelf controle over de eigen evolutie kan uitoefenen. In grote lijnen is dit de basis voor de opvattingen van Hartung aangaande de noodzaak van genetic engineering, als een stuk gereedschap om ook op lange termijn het voortbestaan van de soort te kunnen garanderen. Maar we verlaten hier het spoor van de genmanipulatie want we zijn geïnteresseerd in de vraag wat de mens in de ruimte te zoeken heeft. En of hij daar genetic engineering voor nodig heeft – ik denk van wel – is voor de nu volgende discussie niet heel erg relevant.

De zin van het bestaan van onze voorgangers is vastgelegd in de sporen die we met de C14-methode en de studie van fossielen kunnen analyseren. Wij hebben mateloze belangstelling voor de plaatsen waar we fossielen kunnen vinden en wat we kunnen leren uit de diepgaande bestudering daarvan. Onze belangstelling voor onze voorouders is geen tijdverdrijf maar helpt ons onszelf te begrijpen. En cruciaal voor de onderhavige bespiegelingen is de opmerking van Hartung dat er van zin geen sprake meer is wanneer alle sporen zijn uitgewist en uit niets meer kan worden herleid dat wij er ooit waren.

Het uitdijend universum en de groeiende leegte

Lawrence Krauss is natuurkundige en kosmoloog en heeft met zijn Universum uit het niets een boek geschreven dat even spectaculair is als destijds The origin of species van Charles Darwin. Zelden heb ik zo’n fascinerend boek gelezen, ook al is het merendeel hiervan voor mij als niet-natuurkundige niet of nauwelijks te doorgronden. Wat hem drijft is wat vele andere wetenschappers drijft: het willen weten hoe; niet de waaromvraag. Krauss stelt dan ook dat moeilijke vragen vermijden door een beroep te doen op ‘God’ gewoon intellectuele luiheid is. Een dergelijke zin plus het nawoord van Richard Dawkins is voor velen al genoeg om niet eens aan dit boek te beginnen, waarmee de luiheid dan gekwadrateerd is.
Welnu, stelt Krauss, het was Hubble die aantoonde dat er veel meer melkwegstelsels dan het onze bestonden door ons te wijzen op de Andromeda-nevel. Nu weten we dat er honderden miljarden melkwegstelsels bestaan in ons heelal. Welnu, de empirische wet van Hubble leert ons dat sterrenstelsels sneller van ons vandaan bewegen naarmate ze verder van ons verwijderd zijn.
Waar de snelheid van het licht de maximaal haalbare snelheid zijn binnen de grenzen van ons heelal, het heelal zelf zal een moment bereiken dat het uitdijt met een snelheid groter dan die van het licht! Ik kom daar verderop op terug. Maar eerst naar het begin. Er is inmiddels meer dan voldoende bewijs voor de oerknal, die nog nagalmt in de kosmische achtergrondstraling. Krauss: “Alleen een hete oerknal is in staat om de waargenomen abondantie van lichte elementen (waterstof, deuterium, helium en lithium) te produceren en de waargenomen uitdijing van het heelal te veroorzaken”.

Zwaardere elementen zoals zuurstof en stikstof zijn niet tijdens de oerknal gevormd maar later in de vurige kernen van sterren en doordat die sterren op enig moment ontploften, kwamen die elementen terecht op planeten en uiteindelijk in ons lichaam. Wij, de soort mens en al het andere leven op aarde, zijn ontstaan doordat er in ons melkwegstelsel zo’n tweehonderdmiljoen sterren zijn ontploft. De sterren zijn onze schepper! De aarde is een kleine 4,5 miljard jaar oud, ons heelal heeft een vrij nauwkeurig berekende leeftijd van 13,72 miljard jaar. We kunnen deze leeftijden meten dankzij het verschijnsel supernova, de standaardkaars van de kosmologie.
We leerden reeds dat het heelal steeds sneller uitdijt, spoedig met een snelheid hoger dan die van het licht. Het heelal wordt dus steeds leger, steeds donkerder en steeds kouder. Kosmologen hebben berekend dat die situatie nog wel twee biljoen jaar op zich laat wachten maar het gaat gebeuren en de consequenties zijn ontzagwekkend. In de tussentijd zullen onze sterrenstelsels als gevolg van de zwaartekracht samenklonteren(over vijf miljard jaar sluit de Andromeda-nevel zich bij ons aan) maar door het uitdijende heelal zal die samenklontering steeds meer een geïsoleerd eiland in het universum worden, omringd door steeds legere en donkerder ruimte. Tot het moment ontstaat dat de ons omringende materie die we nu nog kunnen waarnemen, zich van ons zo ver verwijderd hebben dat we die niet langer kunnen waarnemen. Vanaf dat moment zullen de sterrenstelsels waar wij ons bevinden zich inderdaad in een statisch heelal bevinden waar de oerknal niet meer kan worden waargenomen of bewezen!

Krauss geeft aan dat de kosmologie maar één volkomen onbegrijpelijke grootheid heeft opgeleverd: de energie van lege ruimte, waar we bijna niets van snappen. En hij voegt er samenvattend aan toe: : We begrijpen de aard van de kosmische uitdijing vanaf de eerste microseconden na de oerknal en hebben ontdekt dat er honderden miljarden sterrenstelsels zijn, die uit honderden miljarden sterren bestaan. We hebben vastgesteld dat 99% van het heelal onzichtbaar is voor ons, en is opgebouwd uit donkere materie die hoogstwaarschijnlijk uit nog onbekende elementaire deeltjes bestaat, en in nog grotere mate uit donkere energie, waarvan de herkomst vooralsnog een compleet raadsel is”. Nu lijkt de wetenschap te moeten accepteren dat de natuurkunde een soort omgevingswetenschap is, namelijk een wetenschap die tot natuurwetten komt die toevalligerwijs alleen gelden voor ons universum, een universum temidden van ontelbare andere universums waar geheel andere wetten van kracht kunnen en zullen zijn.

Hoe het ook zij, de theologie heeft sinds de dageraad van de wetenschap niets aan onze kennis bijgedragen, stelt Krauss. We kunnen de evolutie terug volgen tot aan de oerknal zonder dat we een beroep op iets anders dan de natuurkunde hoeven te doen. Er mag dan nog veel zijn dat we niet weten of begrijpen maar er is geen enkele aanleiding tot een God-van-de-gaten, ook dat concept is niets anders dan intellectuele luiheid. Krauss vat zijn langdurige studie van de kosmos nog eens samen: “de waarneming dat het heelal vlak is, en de lokale Newtoniaanse zwaartekrachtsenergie zo goed als nul, wijst er sterk op dat ons heelal is voortgekomen uit een inflatie-achtig proces – een proces waarbij de energie van de lege ruimte (‘niets’), tijdens een periode waarin het heelal op elke waarneembare schaal steeds vlakker wordt, wordt omgezet in de energie van ‘iets’.

De gedachte aan een steeds leger, stiller, donkerder en kouder heelal mag ons dan niet aangenaam voorkomen, onze reis – stelt Krauss – waarheen zij ook voert, is een beloning op zich. En daar kan ik mij geheel in vinden. De menselijke soort heeft een ongekende inspanning geleverd door het vermogen binnen enkele eeuwen een groot deel van de ons omringende mysteriën te ontrafelen. Hoe groot dat deel is weten we niet. Het is ontzagwekkend en nietig tegelijk. Voor waaromvragen bestaat feitelijk geen aanleiding. Analoog aan de wrede natuur hier op aarde, die geen onderscheid tussen kruid en onkruid, tussen gedierte en ongedierte kent, analoog aan de natuur die niet discrimineert en zich van nut of zin niets aantrekt, voltrekt ook de levenscyclus van ons universum zich volgens wetmatigheden die met ‘waarde’ niets van doen hebben. De rol die de menselijke soort in dit alles speelt is nagenoeg verwaarloosbaar. Als het leeg en stil om ons heen is geworden, zijn al onze sporen uitgewist om nooit meer teruggevonden te worden. Al ons aards geploeter was vergeefs en zonder zin of nut, afhankelijk van het kader dat we kiezen. De mens is en blijft op zichzelf teruggeworpen. Daar moeten we het mee doen.

De implicaties van deze bevindingen zijn natuurlijk immens. Straks zullen we in dit melkwegstelsel dus niet meer kunnen zien waar we vandaan komen omdat de tijdhorizon onoverbrugbaar ver van ons verwijderd is geraakt. We kunnen onze start nooit meer inhalen en staren dan tot in de eeuwigheid in lege ruimte. En stel je nu eens voor dat de mens erin geslaagd is zijn vermogen tot zelfdestructie in de praktijk toe te passen, we hebben de aarde nagenoeg vernietigd en zelf al onze sporen uitgewist. Niet meer in staat om onze biotoop ooit nog te analyseren, hebben we onszelf veroordeeld tot de status van Neanderthaler. En zelfs wanneer we erin geslaagd zouden zijn onze voorgeschiedenis vast te leggen, het zal vanaf dat moment alleen nog maar ‘van horen zeggen’ zijn. We zullen niets meer na kunnen doen, geen experiment meer uit kunnen voeren om het nog eens te bewijzen, want het is te leeg om ons heen geworden. En wanneer we er tegen die tijd niet in zijn geslaagd deze planeet te verlaten, zullen we uiteindelijk worden opgeslokt door de zon om een zeker en vooral heet einde tegemoet te gaan.
Heeft de mens iets in de ruimte te zoeken?

Vincent Icke is hoogleraar theoretische sterrenkunde aan de Universiteit Leiden en bijzonder hoogleraar kosmologie aan de Universiteit van Amsterdam. Desgevraagd verklaart hij in het Technisch Weekblad nr 25 van 2012: “Bemande ruimtevaart is heel dapper hoor, maar het stelt wetenschappelijk niets voor. De mens heeft in de ruimte niets te zoeken. Bovendien zit André Kuipers niet in de ruimte, maar in de bovenste lagen van de atmosfeer. Ingenieurs zijn erin geslaagd om een onbemande sonde naar Saturnus te sturen en vervolgens een kleine sonde (Huygens sonde) op de maan Titan te laten landen en beelden te maken. Dat is ontzettend knap. Het ruimtestation ISS is daarentegen een colablikje met een WC aan boord en wat zonnepanelen aan de buitenkant”.

Het is nogal kort door de bocht geredeneerd maar onlogisch is deze gedachte niet. Bemande ruimtevaart is nu eenmaal een stuk duurder dan onbemande ruimtevaart en op basis van financieel-economische overwegingen kan ik de uitspraak van Icke dan ook wel begrijpen, maar ik ben het bepaald niet met hem eens. Afin, zolang er maar geen overdrachtelijke betekenis aan zijn woorden wordt toegekend.

De ruimtereiziger

De essentie van de evolutieleer van Darwin is het instinct om tijdig voor nageslacht te zorgen en genen door te geven aan de toekomstige generaties. Alleen de succesvolle genen zullen overleven maar of en wanneer genen succesvol zijn is afhankelijk van moeilijk voorspelbare en continu wijzigende omgevingsfactoren. Succes is dus een uiterst betrekkelijk en vooral tijdgebonden begrip. Het succes van vandaag vormt geen enkele garantie voor enig succes morgen. Anders gezegd: wie de vooruitgangsgedachte wil koesteren, gaat vooral zijn gang maar het is wel
mateloos naïef en aanmatigend. Maar als we weten dat het bestaan van onze planeet, los van onze desastreuze aanwezigheid, eindig is en als we vrij nauwkeurig weten wanneer dat het geval zal zijn, dan zal de soort mens, in welke gedaante dan ook, tijdig een veilig heenkomen zoeken. De mens heeft aldus geen keus en is voorbestemd ruimtereiziger te worden. Dan kun je maar beter goed voorbereid zijn en dat is de rechtvaardiging voor een weldoordacht (bemand) ruimteprogramma, ook al hebben we nog wel even de tijd.
Kortom, als André Kuipers stelt dat ruimteverkenning biologische noodzaak is, dan borduurt hij voort op wat Thomas Paine al in 1794 stelde. Een ware gelovige daagt zijn god niet uit maar is zich in alle ootmoed bewust van zijn nietigheid en zijn aan de goddelijke wil ondergeschikte bestaan. Die nietigheid hoeven we niet af te leggen maar als we willen overleven als soort doen we er verstandig aan uitdagingen aan te gaan. Onze nietigheid is gelegen in het feit dat de zin van ons bestaan niet verder reikt dan het doorgeven van genen maar daarachter ligt een vergezicht dat steeds dichterbij komt en telkens nieuwe horizonten op zal leveren. Aan de einder zal het altijd wazig zijn en we kunnen niet anders dan die wazigheid naar ons toetrekken opdat we zicht krijgen op de verdere route.

Wie meent dat de mens per definitie in de ruimte niets te zoeken heeft, die stelt zich op als een gelovige die het aan de goddelijke voorzienigheid overlaat welke weg we te gaan hebben maar realiseert zich – kennelijk – niet dat hij zich daarmee bij voorbaat neerlegt bij een einde in vlammen. Het doel van het leven is dan het uitwissen van sporen geworden. Dat noem ik nog eens cynisch!

Enno Nuy, juni 2013

Bronnen:
John Hartung – Prospects for existence: morality and genetic engineering
Lawrence Krauss – Universum uit het niets
Vincent Icke – Technisch Weekblad, interview 2012, TW25