Nijgh & van Ditmar, 590 pagina´s

 

 

De nieuwe Pieter Waterdrinker, De rat van Amsterdam, wordt alom bejubeld. Maar heeft mij niet kunnen bekoren. Halverwege de roman overwoog ik in alle ernst het boek dicht te slaan, murw geslagen door de eindeloze avonturen die Waterdrinker hier opdiste. Ik besloot uiteindelijk het boek uit te lezen vanwege het plot: hoe zat het nu werkelijk en hoe zou deze geschiedenis aflopen? Dat Waterdrinker vertellen kan, liet hij eerder al zien met Tsjaikovskistraat 40. Een autobiografische roman, goed en meeslepend geschreven en buitendien ook stilistisch goed te pruimen.

In De rat van Amsterdam vliegt de schrijver wat mij betreft echter uit de bocht. Zijn wereldbeeld is tamelijk donker, zoniet inktzwart. In deze roman is er werkelijk geen sprankje hoop meer te bekennen. Iedereen is een rat en de mensen zijn er, waar ze ook geboren of woonachtig zijn, alleen maar op uit hun eigen belang te dienen, ongeacht hoeveel slachtoffers ze daarbij maken. En die slachtoffers zijn ook weer ratten en dit verhaal is geschreven door een van de grootste ratten, die ondanks die status niet ontkomt en ten prooi valt aan nog grotere ratten dan hijzelf.

En om zijn verhaal te kunnen vertellen heeft de schrijver twee hulpmiddelen nodig die in mijn ogen technisch en stilistisch niet erg fraai zijn: het toeval en de kafkaëske gedaanteverwisseling. De manier waarop Merel opduikt in het leven van de vader van de hoofdpersoon en daarmee in het leven van de hoofdpersoon zelf, tja het kan, het is niet onmogelijk maar hoe dan ook een ongelooflijk toeval. De manier waarop het zusje van Phaedra uiteindelijk opduikt in het leven van de hoofdpersoon, ook dat is niet onmogelijk maar wel weer een even ongelooflijk toeval. De laatste brief van zijn vader aan zijn moeder, idem dito. Dat hij vergeet die brief aan zijn moeder te overhandigen, kan gebeuren, maar in de daaropvolgende jaren waren er nog legio mogelijkheden om die fout recht te zetten. Maar dan raakt de brief zoek terwijl de hoofdpersoon nooit de moeite nam die brief te lezen. Dat laatste vind ik niet erg geloofwaardig maar dat die zoekgeraakte brief aan het einde van de roman zomaar weer opduikt in een oude koffer, tja, dat noemen we doorgaans toch echt een ongelooflijk toeval. En zo is er nog heel wat meer toeval in deze roman te ontdekken.

Dat de hoofdpersoon erin slaagt zich als een rat te gedragen is niet vreemd natuurlijk. Wie in staat en bereid is gewetenswroeging te negeren, wie simpelweg niet ontvankelijk is voor zoiets als een geweten, ja die kan gedragingen aan de dag leggen waar niet iedereen even trots op zou zijn. Maar dat de hoofdpersoon zich ook fysiek als een rat kan manifesteren na een merkwaardige gedaanteverwisseling waar alleen Kafka patent op heeft, dat is toch een ingreep waar ik niet echt enthousiast over word. Overigens is nauwelijks denkbaar dat dat vermogen tot gedaanteverwisseling de hoofdpersoon echt zal helpen zich aan zijn onvermijdelijk lot te onttrekken.

Wat me daarnaast tegenstaat aan deze roman is de ongelooflijke bizarre-wendingen-dichtheid van deze roman. Waterdrinker fabuleert er driftig op los maar na de zoveelste ontwikkeling in het plot van deze en gene en nog vele andere figuranten in dit verhaal val ik ten prooi aan hevige vermoeidheid en halverwege de roman overweeg ik dus serieus het boek verder ongelezen te laten. Het desondanks uitlezen ervan heeft me niet tot een ander oordeel gebracht. Als we ongeveer op tweederde van de roman zijn aangeland en het verhaal van de ‘Loterij van de Armen’ wel zo’n beetje verteld is, komt er opeens een geheel nieuwe verhaallijn tevoorschijn: het Siberië Front. En dan wordt het me echt teveel, zeker wanneer binnen die nieuwe verhaallijn zich ook weer talloze bizarre wendingen voor blijken te doen, dit alles alleen maar opdat de schrijver zijn roman af kan ronden. Nee, ik heb geen plezier aan deze nieuwe Waterdrinker beleefd. Hij kan goed en meeslepend schrijven, dat is het punt niet. En hij heeft zijn ogen goed de kost gegeven in dit tijdsgewricht en tijdens zijn verblijf in Rusland. Maar de manier waarop hij in zijn autobiografische roman de staat waarin de moderne mens verkeert beschreef, beviel mij heel wat beter dan het eindeloze gefabuleer van De rat van Amsterdam.

Natuurlijk kun je vraagtekens plaatsen bij de goede-doelen-kermissen die overal worden opgetuigd. En ja, goede doelen en loterijen gedijen bij de gratie van de hebzucht en hebzucht bestaat bij de gratie van bezit en eigendom. De pursuit of happiness is voor de meeste mensen vermoedelijk synoniem aan het vergaren van vermogen door eigendom en bezit. Dat is de essentie van het hyperkapitalisme dat nu overal ter wereld, op enkele enclaves na, hoogtij viert. De loterij is voor de armen en de beurs is voor de rijken. Een echt verschil is er niet of nauwelijks. En loterijen zijn nu eenmaal gesanctioneerd door de Wet op de Kansspelen. Ik geloof niet dat de actoren in loterijen grotere ratten zijn dan andere ondernemers. Evenmin geloof ik dat ondernemers grotere ratten zijn dan arbeiders.

Wat wil Waterdrinker ons eigenlijk vertellen? Dat Rutger Bregman er volledig naast zit? Ik weet het niet maar ik keer toch maar weer terug naar de non-fictie.

 

Enno Nuy, september 2020