Je keek te ver. Dat wat je zoekt is hier. Schrijft Marjoleine de Vos, dichter en essayist, redacteur bij de NRC. In dit essay verkent ze het wandelen in de natuur en maakt ze ons deelgenoot van al haar invallen, associaties en overwegingen. Wandelingen die ze dagelijks maakt in en rond het Groningse dorpje Zeerijp, waar wijzelf onlangs een week verbleven. Je moet sporen leren herkennen, anders zijn er eenvoudigweg geen sporen, schrijft ze en dat kan ik alleen maar van harte onderschrijven.

Ook al zien ook wij in Groningen rechtgetrokken sloten en monocultuur van raaigras, ontbreken al die vogels, bloemen en insecten die er ooit waren en die niet zonder elkaar kunnen – valt er een soort weg, dan delven ze uiteindelijk allemaal het onderspit – toch is er hier genoeg te zien. Vaak wordt agrarisch gebied als natuur beschouwd maar niets is minder waar. Maar wie geen herinnering heeft aan natuur, zal het ook niet herkennen en zich met veel minder al tevreden stellen.

En, schrijft de Vos, wie het landschap niet leest, die ziet niets wat in stand gehouden moet worden. Pas als je hardnekkig blijft kijken naar steeds maar hetzelfde doe je ontdekkingen, dan zie je gebeurtenissen in kleine veranderingen.

Het ligt voor de hand het landschap te vergelijken met de stad. Het landschap is per definitie zoveel kwetsbaarder dan de stad. Ingrepen in het landschap zie je onmiddellijk, misschien ook omdat er bij het overgrote deel van die ingrepen sprake is van verarming. In dit essay meandert de Vos van stad naar landschap, van herinneringen naar melancholie. En dat laatste brengt haar bij de film  Melancholia van Lars von Trier, een film waar de schrijfster maanden naar van was, schrijft ze, vanwege de zinloosheid van alles. Op mij maakte het tweede deel van de film eveneens diepe indruk en ik vermoed vanwege diezelfde zinloosheid, vanwege het onvoorstelbaar overweldigende van zo’n kolossale onontkoombare natuurramp. Als zelfs al onze sporen met ons zijn uitgewist, was alles vergeefs en volstrekt zinloos. Haast onvoorstelbaar en tegelijkertijd fascinerend wat een wereld van verschil ook maar het miniemste spoortje, teken van ooit onze aanwezigheid kan maken. De schrijfster kan niet uit de voeten met de onbevattelijkheid van Melancholia en zij verlangt naar een God als ze dicht:

We zijn vergaan tot voor ons leven
Niets had dus zin. We waren er niet even,
we waren niet. Tenzij iemand ons ziet.

Ze vindt mij hier niet in haar voetspoor, ik die het met die niets ontziende onbevattelijkheid zal moeten doen, ik heb geen keus. De echtgenoot in de film bezwijkt aan zijn verbijstering over zijn aanstaande lot en pleegt zelfmoord voor het onvermijdelijke einde zich voltrekt. Veel moediger zijn de vrouwen die van takken een denkbeeldige hut of tent bouwen waarin ze zich met het zoontje terugtrekken tot ze uit het leven weggeblazen worden, de laatste en definitieve vergetelheid in. Dat is schokkend om te zien, schokkend om je voor te stellen. Maar verlangen naar een god? Nee, dat is mij vreemd.

Waarom wonen wij toch zo in woorden en is er geen ontsnappen aan de taal? Vraagt de schrijfster zich af. De hevigheden die je soms in je voelt, de ongeordende, de diepgaande, die van waaruit je meent te leven, ze zijn onuitdrukbaar, meent ze. Dat mag zo zijn maar we zijn als talige wezens nu eenmaal primair aangewezen op dat prachtige communicatiemiddel van het gesproken woord. We kunnen dan misschien niet alles onder woorden brengen, maar juist dichters en schrijvers laten ons zien wat taal allemaal vermag. Sterker nog, we kunnen ons niet voorstellen dat er een alternatief voor taal als communicatiemiddel zou bestaan. Niet in een wereld als de onze waarin onze verworvenheden direct samenhangen met ons vermogen tot directe communicatie met al die soortgenoten waarmee we samen willen of moeten werken.

 

Het denken brengt ons niet tot de zin van de dingen. De zin, of beter nog: de betekenis, is gelegen in vanzelfsprekendheid en die betekenis, die geen diepere betekenis is, moet ons ook vanzelfsprekend toevallen. Dat is de les die de Portugese dichter Alberto Caeiro ons lijkt te leren. En de Vos lijkt graag bereid hem daarin te volgen. Maar waarom dan wel naar een god verlangen? Rilke dichtte in 1899:

Was wirst du tun, Gott, wenn ich sterbe?
Ich bin dein Krug (wenn ich zerscherbe?)
Ich bin dein Trank (wenn ich verderbe?)

Bin dein Gewand und dein Gewerbe,
mit mir verlierst du deinen Sinn.

Dat is toch een fraaie zin met een diepe betekenis: met mij verlies jij je zin! Zonder mij, denkend en gelovend mens, ben jij, God, niets, voeg je nergens iets toe. Je wilde immers dat ik heerste over de natuur, over plant en dier. Ik ben jouw schepsel maar als ik er niet meer ben, waaraan ontleen je dan voor jezelf nog enige zin? Als er niemand meer is die jou als leidsman volgt, die je aanbidt? Is dit gedicht van Rilke niet een prachtig bewijs voor de stelling dat niet god de mens maar de mens god schiep?

Ik houd van zulke essays als dit Je keek te ver van Marjoleine Vos. We hoeven het niet in alles met elkaar eens te zijn. Het gaat erom dat de gedachten en associaties van de ander voor jezelf aanleiding zijn je eigen gedachten te formuleren. Ook al brengt het denken ons niet tot de zin der dingen en ook al is taal uiteindelijk imperfect, we proberen ons te verhouden tot de wereld om ons heen en zonder taal gaat dat nu eenmaal niet. Het is het beste wat we hebben, en dat geldt al helemaal voor een dichter (die ik niet ben maar Marjoleine de Vos wel is).

 

Enno Nuy
Juni 2021