VERZUCHTING VAN MOEDER NATUUR

Dat ik je moeder ben…ik kan er niet aan wennen.
Soms denk ik: is het waar of is het waan?
Maar ’t is een feit, ik kan het niet ontkennen,
want, hoe dan ook, je bent uit mij ontstaan.

Primaten zijn er, ruim tweehonderd soorten,
maar geen van alle doen ze kwaad.
Eén uitgezonderd, want van al die soorten
ben jij de enige piraatprimaat.

Jij vindt mij wreed, of hoe dat ook mag heten.
Wat mij verbaast is dat je niet beseft
dat ik niet zoiets heb als een geweten
en jij mij met je wreedheid verre overtreft.

Die gruwelkelder van je seksuele aberraties,
behalve jij, gaat daar geen aap in mee.
De put van je excesseks stinkt naar de frustraties.
Ik hou me bij bonobo en bij chimpansee.

Je hebt de top bereikt van kunnen en van weten.
Je voelt je oppermachtig. Toch ben ik zo vrij
erop te wijzen dat je dít vooral niet moet vergeten:
ik kan goed zonder jou, maar jij niet zonder mij.

Jij bent de delinquent op deze, op míjn aarde.
En ik? Ik ben van jou de moeder-vijandin.
Jij spaart mij niet, zomin ik jou zal sparen.
Wat mij betreft kan jij de boom weer in.

Waarom nog over evolutie praten?
Zijn wij al niet te ver verwijderd van elkaar?
Had ik je maar in een vacht gelaten
met een weekje bronst per jaar.

 

VERZUCHTING VAN DE MENS

Moeder Natuur, hoe is het toch gekomen
dat ik geworden ben tot Homo sapiens…?
Dat ik ooit onbezorgd leefde in de bomen,
maar blijkbaar moest veranderen in mens.

Waarom moest ik per se evolueren,
de fles ontkurken van de geest
die mij de vrijheid gaf tot onbeperkt jongleren,
maar met gevaar en met behoud van beest?

Reden te over om mij aan te klagen
wegens vergrijp aan al wat groeit en leeft.
Maar deze schuldige zou willen vragen:
wie is de schuldige die mij geschapen heeft?

Die ene ware god en andere ware goden,
ik schiep hen naar míjn beeld en mijn gelijkenis
met al mijn grillen, geboden en verboden,
ook al beweren gelovigen dat ik mij vergis.

Met al mijn wetenschap, mijn diepgaand geestesleven,
de macht van mijn gesproken en geschreven woord,
ben ik als sapiens een neotene larf gebleven,
qua libido ook nog eens zwaar gestoord.

Soms weet ik mij een vreemde op jouw aarde,
ontheemde van een onbekend en onbetreden heem.
Voor jou ben ik een monster zonder waarde
omdat ik niets te geven heb, alleen maar neem.

Geen dier, behalve ik, stelt zich de vragen
zolang de wereld draait: waarom? waarvoor? waarheen?
waarop het antwoord nooit zal dagen
dan met het antwoord dood alleen.

Als eens mijn wereldeinde is gekomen
en wij niet langer meer verwijderd van elkaar,
laat, moeder, mij mèt vacht weer leven in de bomen
en met dat weekje bronst per jaar.