Boom, 271 pagina’s

 

“De hoop van de filosofie is dat het menselijke denken zichzelf kan bevrijden van kwade gedachten. Het is niet uitgesloten dat deze hoop ijdel is en dat de mensheid uiteindelijk aan haar eigen gedachten ten gronde gaat”. Schrijft Klaas Rozemond, filosoof en strafrechtwetenschapper in zijn Het menselijke kwaad. Eichmann, Bin Laden en Breivik zijn dan al kort de revue gepasseerd. Het betoog van Rozemond is geheel opgebouwd rond de Eichmann-casus en dan met name rond de analyse en interpretatie daarvan door de joods-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt.

Met betrekking tot Eichmann sprak Hannah Arendt over de “banaliteit van het kwaad”, juist omdat Eichmann volhield dat hij niets anders had gedaan dan wat zijn superieuren hem opdroegen. Zijn motivatie wortelde niet, zo meende zij, in enige vorm van antisemitisme maar in noties van tucht en orde. Niet iedereen nam Arendt deze observaties in dank af. Zij zag het kwaad als een seculier en vooral menselijk fenomeen. God en de duivel zijn in haar ogen niet nodig om het kwaad van Eichmann te analyseren en duiden.

En in de tweede plaats zag Arendt het kwaad vooral als een moreel en juridisch probleem. En als daders niet beseffen dat ze een vorm van kwaad begaan – en in Arendt’s visie was dit bij Eichmann het geval – dan kun je dat kwaad ‘banaal’ noemen. Ook Abel Herzberg zag Eichmann als een banale man die handelde volgens de geest van zijn tijd, de moraal van zijn volk en de politiek van zijn staat.

Voor Rozemond is de vraag van belang hoe kan worden verklaard dat mensen welbewust schade aan anderen toebrengen en daarbij morele en juridische normen overtreden.

Eichmann realiseert zich dat hij niet langer kan leven volgens de Kantiaanse regel en besluit zijn definitie van de categorische imperatief in die zin aan te passen dat hij wil leven en handelen zodanig dat Hitler, zou hij daarvan op de hoogte zijn, zijn leven en handelen zou goedkeuren. Precies deze discussie stelt Jonathan Littell aan de orde in zijn magistrale roman De welwillenden. Littell laat Eichman zeggen:

“Zoals ik het begrijp, zegt Eichmann, is dit de strekking van de imperatief: het principe dat ten grondslag ligt aan mijn individuele wil, moet van dien aard zijn dat het kan dienen tot principe van de algemene morele wet. Al handelend stelt de mens de wet.”. Op de vraag van Aue of Eichmann zich afvraagt of het handelen van de nazi’ s in overeenstemming is met die imperatief, antwoord Eichmann: “Dat is het niet helemaal. Maar een van mijn vrienden (–) beweert dat de Kantiaanse imperatief in oorlogstijd, vanwege de, laten we zeggen, uitzonderlijke toestand als gevolg van het heersende gevaar, is opgeheven, want we willen natuurlijk niet dat de vijand ons aandoet wat wij de vijand willen aandoen, en derhalve kan hetgeen wij doen niet de grondslag vormen van een algemene wet”. Vervolgens laat Littell Aue antwoorden: “We zijn het er allemaal over eens dat in een nationaal-socialistische staat de laatste grondslag van het positieve recht wordt gevormd door de wil van de Führer. Conform het welbekende principe Führerworte haben Gesetzeskraft. (–) Zo heeft bijvoorbeeld Dr. Frank in zijn verhandeling over het constitutionele recht, de definitie van het Führerprinzip als volgt uitgebreid: Handel zodanig dat de Führer, als hij uw handeling zou kennen, deze zou goedkeuren. Tussen dit uitgangspunt en de imperatief van Kant bestaat geen tegenstrijdigheid”.

De vraag blijft of Eichmann nu wel of niet in staat was om in te zien dat hij immoreel en misdadig had gehandeld. Inmiddels is aangetoond dat Eichmann tijdens zijn proces in Jeruzalem niet de waarheid sprak: hij had wel degelijk ideologische motieven voor de genocide op de joden. Hij was een overtuigd nationaalsocialist. Dit bewijs was ten tijde van het Eichmann-proces in 1961 slechts beschikbaar in de vorm van transcripties van zijn op band opgenomen gesprekken met Willem Sassen, de Nederlandse SS-er en wapenhandelaar. Eichmann verklaarde dat de transcripties vervalst waren waarop de rechter besloot ze niet tot de procesvoering toe te laten. Toen de tapes veel later opeens opdoken bleken de transcripties volledig synchroon te lopen met de feitelijke gesprekken tussen Sassen en Eichmann.

Arendt had wel lef door te stellen dat Ben-Gurion het proces tegen Eichmann misbruikte om het bestaan van Israël als Joodse staat te rechtvaardigen. Ze vergeleek de Joodse huwelijkswetgeving (joden in Israël konden alleen met joden trouwen) met de Neurenberger rassenwetten van de nazi’s. En ook het idee van een Joodse staat verwierp zij, immers onverenigbaar met de pluraliteit van nationaliteiten. Arendt verzette zich ertegen dat het proces tegen Eichmann vooral een antisemitisme-proces werd terwijl het er alleen maar om ging Eichmann ter verantwoording te roepen. Tot slot hekelde Arendt ook de medewerking die joodse leiders aan de nazi’s verleenden. Zonder die medewerking zouden er nooit zes miljoen joden zijn omgebracht, was haar oordeel.

Voor Arendt stond gedachteloze gehoorzaamheid aan politieke leiders centraal. Anderzijds was Eichmann zich bewust van de afschuwelijke consequenties van zijn handelen voor joodse burgers als individuen en de joodse gemeenschap als geheel. Zijn geweten vertelde hem kennelijk niet dat hij een grens was overgestoken en onbegaanbaar gebied had betreden. In plaats daarvan stelde Eichmann dat hij een eed van trouw aan de Führer had gezworen en dat hij daaraan gebonden was.

Eichmann verdiende ook in de ogen van Arendt de doodstraf omdat zij meende dat diens gehoorzaamheid tot genocide leidde. Hij koos voor het uitvoeren van de kwade bedoelingen van anderen.

Desondanks meende Arendt dat bij Eichmann het kwaad volledig afwezig was in diens bewustzijn en dat hij niet in staat was om na te denken over het kwaad waarbij hij betrokken werd. Het ontbreken van een kwaad bewustzijn leidde bij Arendt tot de kwalificatie ‘ de banaliteit van het kwaad’. Mij lijkt dit laatste standpunt of oordeel niet vol te houden. Ik baseer me hierbij op wat Eichmann hier zelf over zei. In de indrukwekkende documentaire van Rony Braumann en Eyal Sivan met de titel The Specialist – die verklaarden geïnspireerd te zijn door Eichmann in Jeruzalem van Hannah Arendt – antwoordt Eichman op de vraag van de openbaar aanklager Hausner of hij zichzelf schuldig acht aan de moord op miljoenen joden: “menschlich schuldig ja. — — … muss ich erklaeren dass ich diese Mord, diese Vernichtung an die Juden, einest den kapitalsten Verbrechen innerhalb den Menschlichheitsgeschichte betrachte”.

Eichmann verklaart dit, vastgelegd op film, desgevraagd tegenover zijn rechters in Jeruzalem. Op zijn zachtst gezegd opmerkelijk omdat het nogal in tegenspraak lijkt met het eindoordeel van Hannah Arendt! Want met deze uitspraak toont Eichmann aan wel degelijk een moreel bewustzijn te hebben maar dat kennelijk zijn gehoorzaamheidsplicht zwaarder woog. De konklusie van sommigen onder wie Hannah Arendt dat Eichmann niet zou hebben kunnen inzien dat hij immoreel en misdadig handelde houdt volgens mij dan ook geen stand.

In het meest pregnante moment in de documentaire werd een voormalige voorzitter van een Jodenraad, die in het proces tegen Eichmann optrad als getuige a charge, uit het publiek ter verantwoording geroepen en ervan beschuldigd dat die jodenraden hadden meegewerkt met de nazi’s om hun eigen hachje te redden. Schokkend vond ik de opmerking van de voormalige voorzitter dat de helft van de mensen die ze hadden geadviseerd om te vluchten, op hun vlucht waren gedood, dus – zei de voorzitter – deden ze er beter aan niet tegen hun geloofsgenoten te vertellen wat er met hen ging gebeuren!

Nog opmerkelijker haast vond ik de vaststelling dat Eichmann op mij een oprechte indruk maakte in die documentaire. Oprecht in die zin dat hij de indruk wekte voortdurend en consistent zijn persoonlijke mening weer te geven. Hij was precies en accuraat in het beantwoorden van de aan hem gestelde vragen en draaide nergens om heen. Ik realiseerde me dat Eichmann heden ten dage wellicht als autist zou worden gediagnosticeerd. De bandopnames van zijn gesprekken met Willem Sassen plaatsten me overigens direct in de harde werkelijkheid: Eichmann was een schurk en hij wist dat. En van berouw was geen enkele sprake, sterker nog, het speet hem vooral dat het hem niet gelukt was alle 10,3 miljoen joden om te brengen.

Iemand die meent dat een heel volk van de aardbodem weggevaagd zou mogen worden omwille van een racistische ideologie, verdient geen plaats meer in de menselijke gemeenschap. In het internationale recht met betrekking tot genocide bleek dat voldoende voor een ter dood veroordeling. Eichmann werd opgehangen in de nacht van 31 mei op 1 juni 1962. Zijn laatste woorden zijn volgens de overlevering: “Lang leve Duitsland, lang leve Oostenrijk, lang leve Argentinië. Ik moest de bevelen van mijn vlag uitvoeren”. Eichmann kreeg geen graf, zijn as werd verstrooid in de Middellandse Zee.

Rozemond wijst er voortdurend op dat de mens moet blijven denken, moet blijven proberen zelf tot een oordeel te komen. Anders verdwijnt de holocaust als gebeurtenis uit de geschiedenis. Ik kan dat alleen maar onderschrijven. De Holocaust is een dermate groot, indringend en afschuwelijk fenomeen geworden dat het denken daarover nooit zou moeten, mogen stoppen.

De standaardtheorie van het kwaad houdt in dat mensen welbewust schade aan anderen toebrengen, terwijl ze weten dat dat immoreel en misdadig is. Het menselijk kwaad heeft dus een subjectieve (het bewustzijn), een objectieve (de gedraging of handeling) en een normatieve (de norm dat iets niet mag) component. De bewuste keuze voor schending van de moraal uit eigenbelang is typerend voor het menselijk kwaad. Rozemond: “ De holocaust was de grootste misdadige misleidingsoperatie uit de menselijke geschiedenis en daarin overtrof Eichmann in extreme mate de schurken van Shakespeare”.

Uiteindelijk was er sprake van overvloedig en overtuigend bewijs van verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij talloze misdaden tegen de menselijkheid en genocide door Adolf Eichmann. Hij had ook vele massa-executies zelf bijgewoond.

Er is een video* Eichmann’s Confession Is Heard In Court te vinden waarin een taperecorder wordt afgespeeld maar het opgenomen gesprek is helaas niet te verstaan. Ik ga er van uit dat het hier niet om de Sassen tapes gaat. Onmiddellijk hierna verklaart Eichmann dat hij zich ervan bewust dat hij ter dood zal worden veroordeeld en dat hij geen genade kan vragen omdat hij dat niet verdient. “Misschien zou ik me zelf publiekelijk moet verhangen” zegt hij. Is deze scène niet hét bewijs dat Eichmann wel degelijk morele overwegingen kende en begreep?

Rozemond wijst er nog eens op dat de nazi’s met hun mislukte poging een voorbeeld hebben gegeven van het menselijke kwaad dat bestaat uit de welbewuste vernietiging van de moraal ten gunste van het recht van de sterkste. Hij refereert hierbij aan de dialoog Gorgias van Plato waarin hij Callicles ten tonele voerde die de moraal als een uitvinding van de zwakken beschouwde om de sterken aan banden te leggen. De interpretatie dat Hitler de overtuiging had dat de heersende moraal werd bepaald door de winnaar van de strijd, lijkt mij zeer plausibel. Voor Hitler was moraal irrelevant en hij wist dat zijn plannen in de ogen van zijn vijanden misdadig en immoreel waren. Maar de moraal van zijn vijanden was niet de zijne. In uiterste instantie accepteerde Hitler dat het Duitse volk ten onder zou, moest gaan als het niet de kracht bleek te hebben om de eindoverwinning af te dwingen. De menselijke moraal is in de ogen van de nazi’s ondergeschikt aan de natuurlijke strijd.

En precies dit laatste werd bepleit door Callicles, die meende dat de sterken de moraal van de zwakken, hun belangrijkste wapen, dienden te vernietigen. Alleen door uitoefening van macht zijn de sterksten in staat hun begeerten te bevredigen maar Socrates stelt daar tegenover dat de sterken beheerst worden door hun begeerten. Hij beschouwt moraal als zelfbeheersing waardoor de mens over zijn begeerten heerst in plaats van andersom. Rozemond: “Ontgrenzing van begeerten leidt tot de ondergang van de persoon die geen morele grenzen kent”.

Hobbes zou hier later nog aan toevoegen dat wie geen moraal of recht erkent, niet alleen de macht over zichzelf verliest maar ook niet met anderen kan samenleven. In een strijd van allen tegen allen zijn er geen naasten en ook geen winnaars, enkel verliezers. In essentie was het nazisme een combinatie van morele ontremming en totale onderwerping aan de onbeperkte macht van de leider.

Kern van het menselijke kwaad is dus het besluit zich niet aan de morele wet te houden terwijl men wel weet wat die wet inhoudt. Het meest voor de hand liggende motief is egoïsme. Volgens Kant is dit kwaad in ieder mens geworteld en hij noemt het daarom radicaal kwaad. Het banale kwaad van Arendt is het kwaad dat uit gedachteloze gehoorzaamheid aan iemand of iets anders dan een morele wet. Waar Kant het radicale kwaad als een menselijke eigenschap ziet, is dat radicale kwaad voor Arendt onmenselijk.

Maar dit laatste is toch een lastige exercitie want de daders zijn mensen die op basis van een totalitaire ideologie hun slachtoffers ontmenselijken. Dat betekent dan toch dat de verantwoordelijkheid van de dader gewoon overeind blijft? Waarom Arendt vind dat Eichmann niet voldeed aan de vereisten voor bestraffing maar wel de doodstraf verdiende wil mij maar niet helder worden.

Ook Rozemond vindt dit problematisch en hij komt met een verfrissende mogelijkheid die aan Eichmann had kunnen worden voorgelegd: “Beschouw je jezelf als een mens met het vermogen om te denken, te oordelen en te handelen, of mis je dat vermogen en ben je het product van de natuur of de geschiedenis? En hoe wil je worden behandeld: als verantwoordelijk mens of als willoos werktuig? In het eerste geval kun je als mens worden gestraft om je wil te beïnvloeden, en in het tweede geval moet je ter beschikking worden gesteld aan mensen die wél kunnen denken, oordelen en handelen”

Opmerkelijk: de Auschwitzprocessen vonden plaats in Duitsland, het eerste in 1947, het tweede tussen 1963 en 1965. De Duitse rechters waren van mening dat het delict genocide, dat in 1948 was aanvaard als een delict waarvoor iemand veroordeeld kon worden, niet met terugwerkende kracht van toepassing kon worden verklaard op de processen tegen nazi’s! Zij konden ten hoogste veroordeeld worden voor moord.

Met andere woorden, de nazi’s konden in Duitsland alleen worden veroordeeld wegens moord uit verwerpelijke motieven. Wie zulke motieven niet had en bijvoorbeeld moord pleegde wegens gedachteloze gehoorzaamheid, kreeg een lagere straf. Merkwaardig genoeg was Arendt het hiermee oneens.

Ik kan na het zorgvuldig bestuderen van alle overwegingen die Rozemond in dit boek aandraagt niet uit de voeten met het oordeel van Hannah Arendt over Adolf Eichmann. Zij had op zijn minst de kanttekening kunnen plaatsen dat ze haar oordeel wellicht zou moeten heroverwegen wanneer zou blijken dat de transcripties van de Sassen-interviews volledig overeenkwamen met de authentieke bandopnames. Ik neem tenminste aan dat die opnames ook Arendt tot andere inzichten zouden hebben gebracht.

Wat Rozemond mij vooral heeft laten zien dat strafrechtfilosofie onontbeerlijk is om tot aanvaardbare en plausibele analyses van een zeer complexe strafrechtproblematiek – en bij genocide is daarvan te allen tijde en onder alle omstandigheden sprake van – te kunnen komen. De holocaust was om tal van redenen uniek en vooralsnog eenmalig maar vergeten we niet wat er in Ruanda gebeurde, vergeten we niet de talloze terroristische aanslagen overal ter wereld, vergeten we niet de Oeigoeren in China, ach hoe jammerlijk dat hier een ellenlange opsomming zou kunnen volgen.

Geen eenvoudige kost, strafrechtfilosofie, maar Rozemond schreef er een zeer lezenswaardig en in mijn ogen ook belangrijk boek over.

 

Enno Nuy
April 2021

 

https://www.YouTube.com/Watch?v=MK4nVaFvK10&t=2s