Uitgeverij van Oorschot
Vertaling Wim Hartog
639 pagina’s

 

Een nieuwe bundel van Paustovski, verhalen geschreven tussen 1912 en 1966, samengesteld en voortreffelijk vertaald door Wim Hartog. In enkele losse gedachten vooraf meldt ons de schrijver: Hoe meer een mens weet, des te completer neemt hij de werkelijkheid waar, des te dichter wordt hij door poëzie omgeven en des te gelukkiger is hij. En hij vervolgt: Waar geluk, dat is vooral het lot van de wetenden, het lot van de zoekenden en de dromers.

Nog nooit werd ik teleurgesteld door Paustovski, in mijn ogen een van de grootste schrijvers van de twintigste eeuw. Paustovski, de romanticus, de landschapsschilder, de patriot maar niet in politieke zin, diens Sturm und Drang, zijn woordkunst en evocatieve schrijfstijl. Het is iedere keer weer een ongekend genot hem te lezen. Zo ook deze vuistdikke bundel die wat mij betreft ook het drievoudige in omvang had mogen zijn. De muziek van de herfst  luidt de titel en is werkelijk prachtig, een schitterende lofzang, een symfonie! Heerlijke rijke, verbeeldende taal.

De eerste alinea’ uit het eerste verhaal Bij de waterkant, sluit Paustovski af met “en de verten zijn vaag en droevig”. Dat is met recht pure romantiek. In Winter in Batoem schetst Paustovski in slechts twee pagina’s wat er met een stad en haar bewoners gebeurt wanneer de handel praktisch stil komt liggen. Kernachtig geformuleerd en toch in schilderachtige taal opgezet. Je weet precies wat er aan de hand is en je proeft en smaakt ook onmiddellijk in welke sfeer dit alles zich voltrekt. Hallucinerend is het verhaal Op de vlucht, een verhaal vol weemoed, koorts, eenzaamheid, kwellende gedachten en een eenzame smachtende groenogige vrouw. Paustovski schrijft: “In het stilzwijgen van de nacht tot aan het verre verschiet van een slaperige ochtendschemering gleden met een bleek potlood op ruwe perkamenten pagina’s gemarkeerde zwierige jaren en eeuwen voorbij”. Wat een prachtige zin! Het telkens terugkerende thema in bijna al deze verhalen is die weemoed. In Het stof van de Farsistaanse aarde schrijft Paustovsky: “ Toen drong namelijk voor het eerst tot mij door dat ik ook zo’n drager van eeuwige weemoed ben”. En in De streek aan de Zee van Azov lezen we: “De morgen staat op in de groene pekel van de zee, in de stilte en de warmte van de steppen”.

Zoals altijd wanneer ik Paustovski lees heb ik Google Maps bij de hand en probeer de schrijver in diens omzwervingen te volgen. Ook dit keer zit er geen enkele lijn in en hij lijkt kriskras zonder enige logica of planning rond te reizen alsof hij ieder vervoermiddel dat zich aandient accepteert ongeacht het reisdoel.

In Het lot van Charles Lonceville (een van de weinige fictieverhalen van Paustovski; verhalen die ik doorgaans minder interessant vind, zo ook dit verhaal dat te lang is geworden en talloze zijwegen bewandelt en hier en daar samenhang mist maar dan toch weer dit werkelijk prachtige citaat van Larin oplevert): “ De sterren schijnen met onmetelijk minder helderheid dan de zon, maar ze verlichten in onze winternachten de weg en dienen als oriëntatiepunten. Als de mens met heel zijn hart het grote en rechtvaardige nastreeft, bestaat er geen onderscheid tussen grote en kleine daden omdat dan alle daden een gelijk gewicht en gelijke gevolgen hebben”.

En al even prachtig en ontroerend is het verhaal Sprang waarin een reis naar de Noordpool, Schotland en een warme wind uit de tropen samenkomen en een poolreiziger een onvergetelijk mooi briefje schrijft.

Opmerkelijk is wat Paustovski in het, overigens schitterende en krachtige verhaal De Mesjtsjora, over waterratten schrijft. Om makkelijker te kunnen blijven drijven nemen ze een lange biezenstengel in de bek, die voornamelijk uit luchtcellen bestaat. Zo’n stengel kan makkelijk het gewicht van een rat boven water houden. De ratten drijven zo stil mogelijk op het water om al doende beter vis te kunnen vangen.

Een willekeurig voorbeeld van de fraaie literatuur van Paustovski, even voortreffelijk vertaald door Hartog komt uit ditzelfde verhaal : “Als de avond gevallen is, begint eindelijk het meer te glanzen, als een zwarte, schuin neergezette spiegel. De nacht – een nacht vol sterren – staat er al wijdbeens overheen en blikt in het donkere water. In het westen smeult de zonsondergang nog na, in de wolfsbessenstruiken woempt de roerdomp en op de veengronden dribbelen kraanvogels prevelend heen en weer, verontrust door de rook van het kampvuur”.

Paustovski is een romanticus maar nergens schmiert het in zijn proza. Het verhaal Wilde rozen zou, in verkeerde handen, een Libelle romance geworden zijn maar Paustovski omzeilt alle klippen van de kitsch moeiteloos en componeert een prachtig en bloemrijk verhaal over mensen die af en toe de tijd nemen even stil te staan en achterom te kijken, na te denken over wat ze in de achterliggende tijd hebben ervaren en wat dat zou kunnen betekenen voor de tijd die komen gaat. Om al doende iets van geluk in hun leven af te dwingen.

In Geografische notities beschrijft Paustovski een van zijn reizen naar Rome en hij komt daar tot enkele opmerkelijke bevindingen. Zo schrijft hij over de Sint Pieter dat deze basiliek een rechtstreekse uitdaging aan god is: “Met het scheppen van deze kathedraal heeft de mens als het ware besloten zich te meten met de kracht en het genie van de goddelijkheid. En de mens heeft gewonnen. Maar aan de katholieke theologen, de kardinalen, is dit inzicht niet besteed. Want anders zouden zij deze tempel moeten sluiten of laten vernietigen”. En al even opmerkelijk is Paustovski’s oordeel over de Piëta: “De Piëta is geen subliem beeldhouwwerk. Het heeft niets van doen met godsdienst en daarom lijken de kaarsen en reukofferaltaren even ongepast als wanneer er kerkkaarsen zouden branden aan de voeten van de Venus van Milo of voor de Mona Lisa”.

Zeer frappant is het verhaal De oude boswachter heeft gelijk waarin Paustovski schrijft over de toenemende erosie door de vernietiging van bomen en grasgrond. We schrijven 1959! Paustovski refereert hier als klimaatalarmist avant la lettre aan onze verantwoordelijkheid jegens toekomstige generaties en schrijft: wij stellen ons veel te inschikkelijk op tegenover die mensen die uit gebrek aan beschaving de natuur vernietigen. Maar schrijvers kunnen schrijven wat ze willen, zegt hij, maar als er niets aan natuurbehoud wordt gedaan, dan hebben al die schrijfsels geen enkele zin”.

Prachtig ook is het verhaal De amfora waarin de schrijver zijn korte verblijf in de Bulgaarse stad Sozopol aan de Zwarte Zee schildert aan de hand van een amfora, Bulgaarse kapteins, een waard die de beste koffie ter wereld schenkt, een ezel en een jonge actrice, de vissen, een dichter en een collega schrijver. Landschap, liefde, weemoed, berusting, alle thema’s die de schrijver zo na aan het hart liggen komen hier in de meest schilderachtige taal voorbij.

Een buitengewoon passende titel voor deze bundel overigens. In veel verhalen figureert de herfst als het bij uitstek meest schilderachtige en veelkleurige seizoen. Maar vooral spreekt uit de wonderlijk evocatieve taal van Paustovski een diepe liefde voor het eindeloos diverse Russisch landschap.

Jammer dat de voetnoten niet onder aan de pagina’s werden weergegeven. Nu moet je telkens op zoek naar het korte register achter in het dikke boek. Bovendien bieden de noten weinig helderheid of bevatten te weinig informatie: op pagina 248 staat een gedicht met een asterisk bij de laatste versregel; in de noot achterin lezen we dat deze zin een verwijzing inhoudt naar “het verboden gedicht van Poesjkin”; maar waarom dat gedicht verboden werd, wordt niet vermeld, evenmin als de titel ervan. Wat is dan het nut van deze noot? Dit is werkelijk het enige puntje van lichte kritiek voor dit werkelijk sublieme boek. Hulde wederom voor Wim Hartog die een schitterende vertaling van al deze prachtverhalen voor zijn rekening nam.

En voor u als mogelijk lezer: laat dit schitterende boek niet voor wat het is, laat het niet links liggen, lees het. Laat een kans om uzelf geweldig te plezieren niet voorbijgaan!

 

Enno Nuy
Maart 2021