Pas begin 1944 komt Primo Levi in Auschwitz aan, hij heeft daar geluk mee, zo schrijft hij en je gelooft hem onmiddellijk omdat zijn beschrijving van het leven in dat kamp je er even onmiddellijk van overtuigt dat geen mens dat langer dan een paar maanden volhoudt. En al even onmiddellijk realiseer je je dat Levi een goed schrijver is, een fraai stilist bovendien. Hij schreef dit boek al in 1947, de herinneringen nog vers maar vermoedelijk zijn al die herinneringen zo intens dat ze zich ook jaren later nog even levendig aan je opdringen als gebeurden ze diezelfde dag.

Levi schrijft: “Dat maakt me woedend, hoewel ik toch allang weet dat het in de orde der dingen ligt dat de bevoorrechten de niet-bevoorrechten onderdrukken: op die mensenwereld berust de sociale structuur van het kamp”. En hij wordt diep beledigd door een niet-joodse Pool en wordt toegebeten: ”Du Jude kaput. Du schnell Krematorium fertig”.

Een heel fraaie vaststelling van Levi is de volgende: “De mens is namelijk zo geschapen dat gelijktijdig geleden moeite en verdriet niet in hun volle omvang op hem drukken, maar zich achter elkaar verbergen, de minder erge achter de ergere, volgens een vaste optische wet. Dat is een uitkomst en maakt dat wij in het kamp kunnen leven “. Daarom zijn wij mensen nooit tevreden, zegt hij. Niet omdat we altijd maar meer willen hebben maar omdat we ons niet realiseren dat er achter elke oorzaak van pijn of ongeluk een andere oorzaak schuilgaat.

Intrigerend is het hoofdstuk over de beurs in het kamp en in het ingewikkelde netwerk van diefstal en contradiefstal, dat geënt is op de smeulende vijandschap tussen de SS-Kommando’s en de civiel-directie van de Buna (een onderneming in aanbouw die synthetisch rubber zou moeten gaan produceren; daar is het overigens nooit van gekomen), speelt de KB een hoogst belangrijke rol. De KB is de ziekenboeg in het kamp waar de kapo’s nauwelijks zicht hebben op de handel en wandel van de ziekenbroeders en de artsen. Van hieruit bestond een levendige handel naar buiten, al was het maar omdat er nogal wat Häftlinge stierven en dus nog wat schamele maar verhandelbare spulletjes achterlieten.

Levi: “Stelen in de Buna wordt door de civieldirectie bestraft en in de hand gewerkt en aangemoedigd door de SS; stelen in het kamp wordt door de SS met de strengste straffen tegengegaan en door de civiele als normale ruilhandel beschouwd; stelen van Häftlinge onder elkaar wordt in het algemeen bestraft, maar de straf treft dief en bestolene evenzeer”.

Het kamp kende een geheel eigen economie die in stand werd gehouden door een complex aan vooral ongeschreven economische wetten en voorschriften. Er waren in Duitsland toentertijd meer dan negen miljoen dwangarbeiders en het was natuurlijk niet voor niets dat concentratiekampen en zware industrie in elkaars onmiddellijke nabijheid verkeerden.

Levi noemt het kampleven een reusachtig biologisch en sociaal experiment en hij schreef met dit Is dit een mens een buitengewoon krachtige antropologische studie van het leven en werken onder zulke extreem onmenselijke condities. Qua opzet en structuur komt het sterk overeen met Het koude crematorium van Jozsef Debreczeni.

Wat zijn werk zo bijzonder maakt is het gegeven dat hij zich niet beperkt tot het zo secuur mogelijk beschrijven van wat hij ziet maar daarnaast op zoek gaat naar daar overheen liggende verklaringen en duidingen waardoor het hem lukt in beginsel onbeschrijflijke taferelen in een zeker verband te plaatsen. Zoals in het prachtige maar ook bijna meedogenloze hoofdstuk De verlorenen en de geredden. Waar in het gewone leven altijd wel een ‘derde weg’ wordt gevonden, dat is zelfs de norm, bestaat die in het kamp niet. “Wie er niet in slaagt een Organisator, Kombinator of Prominent te worden, is een Muzelman die naamloos en vergeten zal sterven.”

Levi noemt joodse prominenten monsters van zelfzucht en gevoelloosheid. Dat is een hard oordeel maar hoe zou ik hem tegen kunnen spreken? Toch bemerk ik juist in dit hoofdstuk twijfel over het oordeel van Levi: ingenieur Alfred L. zou nu – aldus de schrijver – vermoedelijk een kil leven van onbuigzaam en vreugdeloos heerser leiden maar voor mij is dat niet af te leiden uit het korte verhaal dat Levi over hem vertelt. En dat geldt eigenlijk ook voor de kleine oersterke Elias wiens weg volgens Levi alleen maar tot geestelijke verwording en sluwe bestialiteit leidt, maar is dat echt zo? En kun je Henri kwalijk nemen dat hij zijn schaarse ‘talenten’ inzet om te overleven? Als alles je ontnomen is, je naam, je eigenheid, je verleden en je toekomst, is het dan raar of verwerpelijk dat je alle eigenschappen in jezelf aanboort die je vermoedelijk in staat zullen stellen te overleven? Ik vind dat Levi hier erg hard oordeelt. Als ik Henri of Alfred was zou ik het niet erg fijnzinnig vinden om zulke woorden over mijzelf terug te lezen.

Dan hier een voorbeeld van de mooie taal die Levi hanteert: “Voor levende mensen heeft elk ogenblik tijd zijn waarde, des te groter naarmate men het met een rijker innerlijk beleeft; maar voor ons vielen uren, dagen, maanden dof en altijd te traag uit de toekomst in het verleden, nutteloos dood gewicht waarvan we ons zo snel mogelijk trachtten te ontdoen. Nu de tijd voorbij was waarin de dagen snel wisselend, kostbaar en onherroepelijk op elkaar volgden, stond de toekomst grauw en vormeloos voor ons, als een onneembare barrière. Voor ons was de geschiedenis stil blijven staan“.

En dan ontmoeten we de Italiaanse metselaar Lorenzo Perrone die Levi een half jaar lang elke dag extra voedsel zal geven zonder er ooit iets voor terug te verlangen. Levi: “Ik geloof dat ik het aan Lorenzo dank dat ik nu in leven ben; niet zozeer om zijn materiële hulp als wel omdat hij me, met zijn aanwezigheid en zijn natuurlijke, vanzelfsprekende goedheid, voortdurend deed voelen dat er nog een rechtschapen wereld buiten de onze bestond, iemand en iets die zuiver en echt waren gebleven, niet verdorven en niet verruwd, vrij van haat en angst; iets dat heel moeilijk te omschrijven was, een verre mogelijkheid van betere dingen, maar waarvoor het de moeite waard was te blijven leven“.

Winter ‘44, het einde nadert, de bodem trilt van het artillerievuur van de Russen, nu nog ver weg. De Duitsers gaan onverdroten door met hun geplande werkzaamheden. Levi: “Als je het lichaam van een stervende een wond toebrengt, begint de wond te helen, ook als het hele lichaam over een dag zal sterven.” Chaos in de kampen, algehele leegloop, de dodenmarsen waarbij duizenden gevangenen alsnog om zouden komen, Levi bleef achter in de ziekenboeg en dat zou zijn redding zijn. Na tien dagen kwamen de Russen, de oorlog was voorbij maar hoe moet je verder leven na zo’n beproeving?

In een bijlage bij dit boek verzucht Levi tegenover zijn Duitse vertaler: “Ik leef, en ik zou jullie willen kunnen begrijpen om over jullie te kunnen oordelen.” Er mogen dan geen gaskamers meer zijn, het fascisme is niet dood en juist in deze jaren zien we wereldwijd een enorme opleving van het rechtsradicalisme, de democratie was nog nooit zo impopulair. En Levi sluit dit huiveringwekkend boek, dat prachtig werd vertaald door Frida de Matteis-Vogels – af met de onheilspellende woorden: “ Het is gebeurd en kan dus weer gebeuren: dat is de kern van wat we te zeggen hebben”.

 

Enno Nuy
Maart 2024