Het nut van foute denkers

Uitgeverij Boom, 279 pagina’s

Aan de andere kant bestaat er altijd een verschil tussen religie (of ideologie) en werkelijkheid. Zijn het twee kanten van dezelfde medaille? Inwisselbaar? Is een paspoort niet een embleem voor Blut und Boden? Moraal en ethiek zijn gericht op hoe de mens en wereld zouden moeten zijn, de werkelijkheid laat ook altijd iets anders zien. Het nationaalsocialisme is een variant van de moderniteit, net zoals fascisme en communisme dat ook zijn. En, voeg ik daar aan toe, het hedendaagse illiberale kapitalisme is evenzo een variant van de moderniteit. Zomaar enkele opmerkingen van Arnold Heumakers in de inleiding van zijn studie naar het nut van foute denkers. Merkwaardig genoeg definieert hij het begrip ‘foute denker’ nergens, terwijl het toch van belang lijkt aan te geven vanaf welk moment denken fout kan zijn, welke grens wordt dan gepasseerd? Bij Heumakers moeten we dat impliciet uit de tekst opmaken.

De verlichting hoopte met rationaliteit, kritiek, wetenschap en techniek een nieuwe wereldharmonie mogelijk te maken. We schrijven de 18de eeuw. De tegenstelling tussen Verlichting en Contraverlichting was nogal hybride en leidde tot de Romantiek. Haarscherp lagen de scheidslijnen, aldus Heumakers, nimmer. Zoals ook de politieke tweedeling tussen links en rechts laveert tussen verlicht (links) en romantisch (rechts) En na de Tweede Wereldoorlog kreeg die tweedeling ook nog een duidelijke morele component: goed en fout. Fout was alles wat zweemde naar fascisme en nationaalsocialisme. Goed was de liberale democratie en het universele humanisme. Maar welke rol speelden dan het communisme en kapitalisme? Communisme en marxisme rekent men nog steeds tot de traditie van de Verlichting vanwege de rationeel beargumenteerde doelen. Het gaat fout, volgens Heumakers, zodra het over de middelen gaat.

De massa-immigratie sinds de tweede helft van de twintigste eeuw heeft het pandemonium van de ideeënstrijd alleen maar verhevigd: globalisering, immigratie en moslimterreur leidden tot de opkomst van het populisme en de illiberale democratie. Maar ook religieuze fundamentalisten en politieke nationalisten eisen hun rol op het toneel op. Heumakers bepleit een zekere ontnuchtering die we hopelijk kunnen bereiken door met wat meer distantie naar onze ideologieën te kijken. Waar zit de dode hoek, wat zien we over het hoofd en wat kunnen we daaruit leren? En aan het einde van zijn verkenningen bepleit hij een methodisch pessimisme indachtig de Franse filosoof George Sorel (1847-1922), die filosofie eens omschreef als slechts ‘een erkenning van de afgronden waartussen het pad zich kronkelt dat de gewone mensen volgen met de gemoedsrust van slaapwandelaars’. We schrijven het Fin de siècle in Frankrijk.

Heumakers: “Elke voorgeschiedenis, ook die van het fascisme en het nationaalsocialisme, had ooit een open einde”. Dat lijkt mij een zeer terechte en verrassende opmerking. We staan daar vaak te weinig bij stil of nemen voetstoots aan dat de werkelijkheid van vandaag logisch en onontkoombaar volgde op de werkelijkheid van gisteren. De schrijver schetst ons het leven van Maurice Barrès (1862-1923) die aan de basis stond van het Franse nationalisme, de voorloper van het fascisme. Hij was een inspiratiebron voor zowel Mussolini als, indirect, voor Hitler. Hij postuleerde: nationalisme is acceptatie van een determinisme. En als identiteit zo exclusief is verbonden met een specifieke genealogie en een specifiek territorium, dan kan er geen sprake zijn van enig universalisme of kosmopolitisme. En volgens Barrès gold dat niet alleen voor de mens maar ook voor alle waarheid en waarden. Bloed en bodem waren allesbepalend en dat maakte alles relatief. Een universele waarheid bestond in zijn ogen niet, hooguit een Franse, een Duitse, enzovoort. Barrès had duidelijk antisemitische neigingen. Zo schreef hij in een artikel over Dreyfus over “diens uiterlijk van een vreemd rad en diens lorgnet op zijn etnische neus”. Sterker nog, Barrès meende dat hij “uit het ras van Dreyfus kon afleiden dat deze in staat is om verraad te plegen!” Met het begin van de Grote Oorlog in 1914 verbleekte het antisemitisme van Barrès en liet hij zich veel positiever over joden uit.

Verrassend om te lezen dat de Fransen in de jaren tachtig van de 19de eeuw al gastarbeiders kenden, voornamelijk uit België en Italië. Het was Barrès die in de verkiezingen van 1893 de leus voerde: ‘contre les étrangers’ en hij bepleitte een ‘socialisme nationaliste ‘. En ten tijde van de Dreyfuss affaire maakte het antisemitisme daar onmiddellijk deel van uit. Ook bepleitte Barrès een federalisme om een al te machtige centrale staat te beteugelen. Als men al geen antisemiet was uit vaderlandsliefde, dan zou men het simpelweg uit opportunisme worden, schreef de nationalistische politicus Charles Maurras (1868-1952). Antisemitisme bleek politiek een zeer bruikbaar instrument. De mensen leken niets liever te horen. Volgens Barrès is de journalist Drumont (1844-1917) de moderne wegbereider van het Franse antisemitisme. Zijn werk (La France juive) lijkt zich samen te laten vatten in de kreet: “Die Juden sind unser Unglück”.

Volgens Heumakers was het Franse antisemitisme van het Fin de siècle heftiger dan elders in Europa. De vraag is waarom datzelfde antisemitisme enkele decennia later in Duitsland en Oostenrijk dan zo kon ontsporen. Het Franse antisemitisme was zowel religieus als raciaal als links antikapitalistisch. En wat dit laatste aspect betreft, zo omschreef Drumont rond 1893: “De semiet is mercantiel, inhalig, intrigant, subtiel, sluw, de Ariër is enthousiast, heroïsch, ridderlijk, belangeloos, open, op het naïeve af goed van vertrouwen “. Ja, dat lazen de Fransen kennelijk graag. We kunnen in ieder geval konkluderen dat antisemitisme geen Duitse uitvinding was maar overal in Europa een gunstige voedingsbodem vond.

In Frankrijk leek het antisemitisme zijn populariteit te verliezen met de rehabilitatie van Dreyfuss. Opmerkelijk in dit verband is de reactie van Friedrich Engels op het Franse antisemitisme in 1890. Hij noemde het het merkteken van een achterlijke cultuur maar meende ook dat de Franse antisemitische geschriften wat geest betrof oneindig superieur aan het werk van de Duitse antisemieten waren.

Zeer interessant is het hoofdstuk over de conservatieve revolutie. Misschien is Nietzsche daarvan wel de grootste protagonist of inspirator. In essentie ging het daarbij om het geloof in “de noodzaak steeds weer terug te keren naar een tijdloos fundament, eigen aan het leven zelf, waaruit steeds weer nieuwe levensvormen voortkomen. Als een levensvorm zich te ver van dat fundament verwijdert, moet het desnoods met geweld daar weer naar teruggeleid worden”. Die conservatieve revolutie keerde zich eerst en vooral tegen het liberalisme en het marxisme. Een nationale vorm van socialisme werd daarentegen gewaardeerd. Er zijn, aldus Heumakers, grote overeenkomsten tussen de conservatieve revolutie en het nationaalsocialisme: beide keren zich fel tegen Versailles, beide zijn voorstander van politiek geweld, beide bepleiten een dictatuur en een sterke man, beide geloven in een nieuwe Duitse mens. Alleen het rabiate antisemitisme deelden zij nadrukkelijk niet. Heidegger pacteerde met Hitler maar mensen als Spengler en de gebroeders Jünger bleven nadrukkelijk op afstand.

Heumakers: “In Spenglers wereldbeeld kan geen enkele waarheid aanspraak maken op algemene, universele geldigheid en dus ook niet op superioriteit. Hetzelfde geldt voor alle moraal. “De cultuurrelativist blijkt evenzeer een consequente waarheids- en waardenrelativist te zijn, een aanhanger van Nietzsches perspectivisme die elke vorm van absolutisme of universalisme ontmaskert als abstract gegoochel: het bedrieglijke product van de wereldvreemde geest”. Spengler onderscheidde acht grote culturen die zich na en deels naast elkaar hadden ontwikkeld. Die culturen hadden niets met elkaar gemeen en zin en betekenis waren uitsluitend binnen die culturen te vinden. Met Herakleitos meende Spengler dat de oorlog de vader van alle grote dingen was. De culturen kenden alle een cyclisch verloop van opkomst, bloei en verval. Van Spengler kennen we de vertrouwd klinkende conservatieve tirade waarin egalitarisme, individualisme, vrouwenemancipatie, dalend kindertal en demografisch verval ten opzichte van de rest van de wereld het moeten ontgelden. Aldus Heumakers. En wie horen we heden ten dage geregeld dezelfde tirade afsteken? Naast alle andere onzin die uitgekraamd wordt?

Dan volgen twee razend interessante hoofdstukken over de intrigerende Ernst Jünger (1895-1998) van wie ik veel las, inclusief de gedegen en uiterst leesbare tweedelige biografie van Jan Ipema. Leven betekent doden, meent Jünger. Hem wordt propaganda en esthetisering van geweld verweten maar met Heumakers ben ik van mening dat dat niet terecht is. Heumakers: “Het is waar dat Jünger niet ongevoelig was voor de macabere attractie van de ‘bloemen van het kwaad’, maar de inzet was bij hem – net als trouwens bij Baudelaire zelf – een andere dan een louter esthetische. Het vermogen de schoonheid in het geweld te herkennen, getuigde volgens Jünger van een geestelijk overwicht, dat alles te maken heeft met de zin die hij in het massale sterven van de Eerste Wereldoorlog wenste te bespeuren”.

Jünger zou zich eerder als een nationalist dan als nationaalsocialist ontpoppen. De nazi’s konden hem niet bekoren, antisemitisme nog minder. In de jaren dertig zou hij zich definitief distantiëren van de nazi’s. Jünger dichtte zichzelf een stereoscopisch vermogen toe, we hebben immers twee paar ogen, een lichamelijk en een geestelijk. Dat stelt hem in staat tegelijkertijd oppervlakte en diepte te zien, het tijdelijke en het eeuwige, het toevallige en het noodzakelijke. En dat vermogen stelt hem in staat in de werkelijkheid een hogere of diepere zin te zien. De eerlijkheid gebiedt me hier op te merken dat ik Jünger altijd voor even fascinerend en interessant als onbegrijpelijk hield. Ik kan hem niet volgen in zijn merkwaardige mystiek en metafysica.

Voor Jünger is een toekomst zonder mensen alleszins denkbaar. Het leven op aarde beperkt zich immers niet tot de mensheid. Hij houdt rekening met een zuiver oceanische planeet inclusief leven in die biotoop. De aarde redt zichzelf wel, het is de mensheid die ten onder dreigt te gaan. Ook filosofeert hij graag over een wereldstaat waarin de mens afstand heeft gedaan van de natiestaat en waarin de mensen hun culturele, regionale en religieuze bijzonderheden waarschijnlijk niet hoeven op te geven. Jünger kon niet uit de voeten met de tweede wet van de thermodynamica waarin de entropie de hoofdrol opeist. Heidegger riep “alleen een God kan ons nog redden”; Jünger rekende op een wonder. “Als wij onszelf niet opgeven, dan zal ook onze moeder ons niet in de steek laten”. Jünger bleek een fundamentele optimist.

Friedrich Reck-Malleczewen schreef met Bockelson. Geschichte eines Massenwahns een interessant boek over de Wederdopers in Münster in de jaren 1534-1535. De analogie tussen deze fundamentalisten en de nazi’s uit de twintigste eeuw was zeer opmerkelijk. De minister van propaganda van de Wederdopers, ene Dusentschnur, bleek te hinken en een grote bek te hebben. Echt waar! Reck was een aartsconservatief die niets moest hebben van de moderniteit en de massamedia (“die blanke negers”) Ook verafschuwde hij Hitler en de nazi’s. Voor Hitler voelde hij niets dan haat (“H is als een oberkelner die een fooi ontvangt”; en wat te denken van deze kwalificatie: ”Met zijn vettige haarlok had hij veel weg van een huwelijkszwendelaar die, voor hij op pad gaat, vertelt op welke manier hij naar liefde hunkerende keukenmesjes denkt te strikken. Men krijgt de indruk van een mateloze domheid, het soort domheid dat staatsmanschap aanziet voor de zwendel van een paardenhandelaar”.

Als Reck hoort van dertigduizend joden die in 1843 in Kiev werden vermoord, schrijft hij: “O schande, o leven zonder eer, o dunne schors die ons scheidt van de duistere diepten waarin Satans vuur laait”. Hoe echt en oprecht deze houding tegenover Hitler en de nazi’s ook was, later zou blijken dat Reck als een soort Boudewijn Büch van alles en nog wat bij elkaar gefantaseerd had, hij bleek een ongelooflijke fantast en een pathologisch leugenaar. Die nota bene zijn politieke tegenstanders ervan beschuldigde van alles bij elkaar gefantaseerd te hebben!

Fascinerend vond ik het hoofdstuk over De welwillenden van Jonathan Littell. Heumakers belicht een geheel ander aspect van deze roman dan ikzelf destijds deed: de (vermeende) krankzinnigheid van Max Aue (incest, moedermoord) Die was mij niet ontgaan maar ik kon dat thema niet koppelen aan het nationaalsocialisme en de moraal. De visie van Heumakers hierop is verrassend en verhelderend te noemen. Terecht merkt hij dan op: “Maar dan nog kleeft er aan die krankzinnigheid, ook als we die niet grotesk opvatten, een nadeel, en wel dat zij de aandacht afleidt van de normale, alledaagse waanzin van de nazirealiteit”. Ik zou daar nog aan toe willen voegen dat Max Aue ondanks zijn hevige aberraties in zijn hoedanigheid als nazi een volstrekt coherente indruk maakte, er is geen enkele aanleiding te vinden om hem om enigerlei reden voor minder toerekeningsvatbaar te houden.

En onvermijdelijk komen we terecht bij het vraagstuk van de immigratie en de omvolkingstheorie. Raspail (De ontscheping) en Houellebecq (Onderwerping) worden hier als de belangrijkste protagonisten opgevoerd. Heumakers wijst op de zelfcensuur die moslimterroristen toch maar mooi hebben weten te bewerkstelligen hier in Europa. En hij vervolgt: “Een veel gekozen uitweg is: eisen van de vreemdelingen dat zij zich aanpassen aan onze waarden. Maar welke zijn dat? Gelijkheid van man en vrouw, homorechten, antiracisme? Dat zijn stuk voor stuk noviteiten, geen onderdelen van een lange en diepgewortelde traditie”. En dat lijkt mij heel juist opgemerkt! Nee, dit probleem hebben we nog lang niet opgelost en we zullen hard moeten werken om een werkbare oplossing te vinden en grenzen zullen daarin altijd hun rol opeisen. Boeken als die van Raspail en Houellebecq zijn hier, hoe controversieel ook, ten enenmale onmisbaar.

Heumakers sluit af met een (te) korte overpeinzing over optimisme en pessimisme. Schopenhauer is de pessimist par excellence met zijn overtuiging dat alle leven wezenlijk lijden is en dat de pijn het genot altijd overtreft. De pessimisten onder ons stellen collectieve zelfmoord voor (Mainländer) of kiezen voor bewuste bevolkingsvermindering (Lovelock); optimisten denken dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen, dat de mens inventief genoeg is om passende technologische oplossingen voor alle problemen van de moderniteit te vinden. Heumakers: “Dat het grootste Kwaad kan worden gepleegd door deugende mensen met optimistische motieven (een pessimist neemt de moeite niet), is in mijn ogen allesbehalve een geruststelling, maar een reden om deugdzaamheid en optimisme met wantrouwen te bezien”.

Foute denkers laten ons zien dat gelijkheid niet bestaat, nergens. Ook menen zij vrijwel zonder uitzondering dat een samenleving niet zonder gezag en hiërarchie kan. Zij staan ook vrijwel altijd een sterke staat voor. En, vrijwel alle foute denkers menen dat vijandschap, strijd en oorlog behoren tot de fundamentele en eeuwige waarden of eigenschappen van het leven.

Ondanks dat we zo hartstochtelijk gelijkheid propageren blijven we tegelijkertijd vasthouden aan het idee van de natiestaat. Daarmee leggen we onder meer vast wie er wel en wie er niet bij hoort. En ook lijkt de mens een bijna onstilbare behoefte aan gesublimeerd geweld te kennen. Denk aan thrillers en games. Terwijl de beschaving onze tolerantie voor geweld steeds verder terug probeert te dringen, blijven de negatieve driften op een onbewust niveau maar door spoken. Niet alleen geweld is nauwelijks uit te bannen, met Jünger moeten we ons misschien eens wat vaker realiseren dat “de slavernij zich aanmerkelijk laat verhevigen door deze het aanschijn van de vrijheid te geven”.

Heumakers spreekt heel treffend van de dode hoek van de liberale democratie, nog steeds de best voorhanden zijnde ideologie. Wij mensen zijn diep verdeelde wezens, verdeeldheid drukt uit wie we zijn, aldus Heumakers: altijd geneigd ons maar te buiten te gaan zonder daarvoor de benodigde ‘draagkracht’ te hebben. We moeten ons realiseren dat alles eindig is, er bestaat heilstaat noch hiernamaals! En, de eindige aarde weigert haar oneindige groei. Heumakers sluit zijn tekst af met: “Integendeel, de achilleshiel van de westerse beschaving zit juist daar waar zij zich van haar beste kant laat zien: in haar universele humanisme (dat niemand buiten wil sluiten en daardoor de eigen identiteit onherkenbaar verandert, op den duur misschien met inbegrip van het humanisme zelf), in haar technische vooruitgang (die vrije burgers tot dienstbare ‘arbeiders’ transformeert) en in haar progressieve streven zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk een zo gezond en comfortabel mogelijk leven te bezorgen (met als gevolg een gigantische overbevolking, waardoor de levensvoorwaarden op het aardoppervlak in gevaar komen). De catastrofe die ons boven het hoofd hangt als alle demografische en ecologische voorspellingen kloppen, zou het ironische resultaat zijn van onze culturele triomf”.

En zo keren weer terug bij Sorel als de schrijver tot slot verzucht: “de methodische pessimist vervolgt zijn gang langs de afgrond, het hoofd meer dan ooit gevuld met complicaties, tegenstrijdigheden, paradoxen, maar met minder illusies – niet in de laatste plaats dankzij de foute denkers die hij met kritische empathie serieus heeft genomen”.

En dit laatste klopt. Nergens werden schrijvers of denkers door Heumakers op morele gronden a priori afgeserveerd. Integendeel, hij nam hun argumenten en overwegingen serieus en dat is bepaald niet modieus in een tijd waarin mensen vooral in hun eigen bubble verkeren en iedereen die daar geen deel van uitmaakt al bij voorbaat verdenken van samenzweringen of heulen met de vijand. Hoe het ons ook vergaat, laten we onze toekomst met een open geest tegemoet lopen. En boeken als dit Langs de afgrond helpen ons daarbij! Ik heb ervan genoten en alle reden gevonden om het serieus te nemen.

 

Enno Nuy, juli 2021