Atlas Contact, 413 pagina’s

 

Alleen mijn sterven zal ik niet hebben beschreven, schrijft de man die zichzelf geen autobiografisch schrijver wil noemen. En even verderop: “Schrijf je memoires of zoiets, vroeg ze, – je autobiografie? Welnee, zei ik. Dat genre is voor het soort personen dat na het schijten omkijkt en een blik in de pot werpt om te zien wat hij ervan gebakken heeft.”

Vreemd, te lezen dat Brouwers zijn beide zonen al jaren niet meer zag: ”Geen idee van hun adressen, geen idee wat ze doen, – niet eens een idee wie ze zijn, wie ze zijn geworden”. De vader was er dus nooit nieuwsgierig naar?! Hij zou ze vermoedelijk niets eens herkennen, schrijft hij. Ik vind dat eigenlijk ondenkbaar. Hoe kun je daar ooit vrede mee hebben?

Brouwers maakt melding van twee jongenskabouters die figureerden op de Aloysiusschool in Den Bosch, zij heetten Puk en Muk, werden althans zo genoemd. Ze zijn in het niets verdwenen, schrijft Brouwers. Maar dat is niet helemaal waar. Vele jaren later zouden deze beide knapen intreden in de abdij van Bernrode in Heeswijk-Dinther om respectievelijk als leraar Engels en leraar geschiedenis hun bijdrage te leveren aan de kerstening van jonge Brabantse gymnasiasten. Ik was een van hen. De Muk heette eigenlijk van de Meerendonk, ik mocht hem niet. De echte naam van de Puk wil me maar niet te binnen schieten maar hem mocht ik graag, zoals hij altijd nonchalant de klas binnen kwam, zijn ene hand in de broekzak, in de andere slingerde een haveloze tas. En dan slaagde hij er altoos ook nog in onderwijl achteloos een sigaretje te roken.

En dan, ineens, een constructie die je wel vaker bij Brouwers tegen komt: ”Uit mij, die zo geloofd heb in de grote kentering”. Ik zou hier altijd ‘heeft’ hebben gebruikt, dat klinkt gewoon beter. Maar ik moet er toch van uitgaan dat Brouwers gelijk heeft. Mooie taal vind ik dit niet. Het probleem kan bovendien heel gemakkelijk worden opgelost door hier de onvoltooid verleden tijd toe te passen: uit mij, die zo geloofde…

Natuurlijk heb ik al deze verhalen al eens gelezen, sommige zelfs meerdere keren en ha, daar ben ik weer bij de haan Aloysius in Et in Arcadia ego. Dat blijft een schitterend verhaal over een haan die zijn plaats af moet staan een jonger en druistiger exemplaar. Onvergetelijk, onnavolgbaar fraai, hilarisch ook!

De Exelse testamenten bieden werkelijk prachtige literatuur met een onuitwisbaar mooie beschrijving van de liefdesrelatie die de schrijver had met Iris, ook al ontkent hij bij hoog en laag dat het hier om een liefdesrelatie ging. Hoe hij dat, toch gehuwd en twee jonge kinderen, allemaal voor elkaar kreeg en voor zichzelf kon verantwoorden blijft evenwel een raadsel. Hij negeerde dat gewoon, kennelijk toch. Ik zou sterven van wroeging, maar niet zo Jeroen Brouwers. Hij heeft zijn vrouw en kinderen nog niet koud verlaten – de schrijver maakt hier melding van ‘veel wroeging’ – of hij vat zijn “ eerste en enige, de grootste, de felste liefde van zijn leven” op voor haar die hij Nachtschade noemt. Maar: “ Alle liefde verwelkt, – verzink bij deze wetenschap maar eens niet in dodelijke geestespaniek”.

Maar Brouwers weet hoe het zit als hij schrijft: “Ik ben een eenkennig asociaal persoon, geheel verliteratuurd, alles wat hij meemaakt, denkt en voelt in verband brengend met literatuur en literatuur vervaardigend van alles waarmee hij te maken krijgt en vooral van hemzelf”. Dit is de Jeroen Brouwers zoals ik hem uit zijn werk heb leren kennen en dit lijkt mij een vrij accurate karakterschets.

Tot mijn spijt ben ik alweer – veel te snel – op de laatste pagina’s aangeland waar Brouwers schrijft: “Ik zou wel schrijver willen worden. En als ik dan schrijver was, zou ik zulke boeken willen schrijven: zonder ‘verhaal’, het verhaal was het boek zelf, en naarmate ik een oeuvre bij elkaar had geschreven, vertegenwoordigde dat oeuvre het verhaal. Dat oeuvre zou tenslotte een beeld opleveren, niet van mij persoonlijk, – weldra alleen nog terug te vinden in registers, verdwenen naar de zolders en overdekt met het stof van het definitieve vergeten, – maar van de schrijver die ik ben geweest”.

Herlezen van Brouwers herbevestigt alleen maar wat ik al jarenlang meen en beweer: een betere schrijver in ons taalgebied was en is niet voorhanden. Wat een genot om deze man te lezen!

Dank aan Lodewijk Verduin die deze bloemlezing samenstelde. Hij had ook vijf keer zo uitgebreid mogen zijn maar eigenlijk heeft hij met deze stukken precies dat bereikt wat de schrijver voor ogen had: dit is het beeld, niet van de man die leefde door de beslissingen die hij wel of niet nam, maar van de schrijver die hij geworden is.

 

Enno Nuy
Augustus 2022