Wij lezen in de krant opeens het verontrustende bericht dat minister Verdonk In een brief aan de Tweede Kamer schrijft dat is gebleken dat “er (in Iran) geen sprake is van executie/een doodstrafvonnis op grond van het enkele feit dat iemand homoseksueel is”. Ze geeft wel aan dat op homoseks de doodstraf staat in het islamitische land. Toch ziet Verdonk geen reden meer om de uitzettingen nog langer op te schorten.

Ze baseert zich daarbij op een ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de actuele situatie in Iran. Daarin staat onder meer dat de Iraanse autoriteiten hebben verklaard dat twee homoseksuele mannen niet vanwege hun geaardheid waren opgehangen, maar omdat ze zich schuldig hadden gemaakt aan beroving, ontvoering en verkrachting van een minderjarige.

Op de website van het COC lezen we hierover: “De Britse publicist, mensenrechten- en homorechten-activist Simon Forbes heeft woensdag 8 februari 2006 in het Europees Parlement ‘Place of Martyrdom’ gepresenteerd. Dit is een onderzoek naar de executies van Asgari en Marhoni vanwege homoseksuele handelingen eind juli 2005 in de Iraanse stad Mashad.

Het Iraanse regime verdedigde de executie omdat beide jongens een dertienjarige jongen zouden hebben verkracht. Dat is een flagrante leugen, zo toont het onderzoek van Forbes aan. Asgari en Marhoni waren geliefden en zijn als minderjarigen opgehangen vanwege hun homoseksuele relatie.

De Iraanse autoriteiten hebben steeds beweerd dat de beide jongens geëxecuteerd werden vanwege de ontvoering en verkrachting van een 13-jarige jongen. Forbes toont aan dat dit verhaal niet klopt. Dat seksuele contact heeft mogelijk wel plaatsgevonden en Asgari en Mar-honi en anderen zijn daar ook voor opgepakt, maar alle betrokkenen waren toen zelf ook nog minderjarig. Na een stevige waarschuwing door de politie te stoppen met zulke seksuele experimenten zijn alle jongens daarna naar huis gestuurd.

Pas maanden later zijn Asgari en Marhoni opnieuw opgepakt en uiteindelijk tot de strop veroordeeld vanwege beschuldigingen uit de eigen familiekring dat ze een homoseksuele relatie met elkaar hadden en niet slechts bezig waren met seksuele experimenten. De beschuldiging van verkrachting werd daar aan toegevoegd door de 13-jarige jongen, waarschijnlijk onder druk van zijn vader, die een hoge functie in de Revolutionaire Garde heeft. De bezoedelde familieeer vanwege een arrestatie op grond van homoseksuele relaties werd daarmee voorkomen.

Ook het feit dat Asgari en Marhoni tot een onderdrukte Arabische minderheid in Iran behoren heeft waarschijnlijk een fatale rol gespeeld bij hun veroordeling tot de strop. Het regime heeft daarmee het signaal naar deze minderheid willen afgeven zich koest te houden.  Aan het onderzoek van Simon Forbes is meegewerkt door de internationale homobeweging en Iraanse mensenrechtenorganisaties.”

Op de website http://www.ilga.info/Information/Legal_survey/middle%20east/iran.htm van the Initernational Lesbian and Gay Association lezen we: Iran has adopted an extreme position in developing an Islamic constitution and bringing its legal system in line with strict Shari’a law, under which homosexual behaviour is illegal.

The Embassy of Iran in The Hague wrote in 1987 that “homosexuality in Iran, treated according to the Islamic law, is a sin in the eyes of God and a crime for society. In Islam generally homosexuality is among the worst possible sins you can imagine” (PB).

Under Iran’s 1991 Islamic penal law the position (with regard to male homosexuality) is as follows: Sodomy is a crime, for which both partners are punished. The punishment is death if the participants are adults, of sound mind and consenting; the method of execution is for the Shari’a judge to decide. A non-adult who engages in consensual sodomy is subject to a punishment of 74 lashes. (Articles 108 — 113).

Sodomy is proved either if a person confesses four times to having committed sodomy or by the testimony of four righteous men. Testimony of women alone or together with a man does not prove sodomy. (Articles 114 — 119).

“Tafhiz” (the rubbing of the thighs or buttocks) and the like committed by two men is punished by 100 lashes. On the fourth occasion, the punishment is death. (Articles 121 and 122).

If two men “stand naked under one cover without any necessity”, both are punished with up to 99 lashes; if a man “kisses another with lust” the punishment is 60 lashes. (Articles 123 and 124).

If sodomy, or the lesser crimes referred to above, are proved by confession, and the person concerned repents, the Shari’a judge may request that he be pardoned. If a person who has committed the lesser crimes referred to above repents before the giving of testimony by the witnesses, the punishment is quashed. (Articles 125 and 126).

Amnesty International Afdeling Nedderland schrijft in 2003 naar aanleiding van het Algemeen Ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van februari 2003 over Iran aan minister Verdonk:

  1. Vervolging van bekeerlingen, homoseksuelen en familieleden. Ten aanzien van homoseksuelen wordt in het ambtsbericht (paragraaf 3.4.3) gesteld dat homoseksualiteit in Iran geen reden vormt voor vervolging door de autoriteiten. Dit is een te eenvoudige voorstelling van zaken. Volgens het Iraanse strafrecht zijn homoseksuele handelingen strafbaar en kunnen overtreders worden bestraft met zweepslagen en de doodstraf.56 Voorzover homoseksualiteit oogluikend lijkt te worden toegestaan, geldt dit alleen zolang homoseksuele geaardheid niet openlijk wordt gemanifesteerd. Openbare overtreding van islamitische normen door middel van homoseksuele uitingen kan wel degelijk tot vervolging leiden. Homoseksuelen in Iran zien zich dan ook gedwongen hun geaardheid te verbergen. Er is geen sprake van vrijheid van meningsuiting over het onderwerp homoseksualiteit in Iran: wie in het openbaar beweert dat homoseksualiteit aanvaardbaar is, riskeert vervolging onder verschillende artikelen van het strafrecht die betrekking hebben op moraliteit, heiligschennis en zelfs nationale veiligheid.57 Overigens is het TBV dubbelzinnig over vervolging van homoseksuelen in Iran. Het TBV volgt het ambtsbericht en stelt dat er geen actief vervolgingsbeleid ten aanzien van homoseksuelen bestaat en dat het enkel behoren tot deze groep geen reden is om vervolging aan te nemen. Vervolgens wordt gesteld dat, indien een asielzoeker aannemelijk kan maken dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid een discriminatoire en onevenredig zware bestraffing zal krijgen, hij in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, 1a, VW. Wij wijzen u voorts op het standpunt van de UNHCR uit januari 2002 betreffende de vervolgingsrisico’s voor homoseksuelen in Iran, zoals verwoord door de UNHCR-vertegenwoordiger in Duitsland. Bij gebrek aan systematisch toezicht op de mensenrechtensituatie in Iran, kan volgens de UNHCR niet met zekerheid worden vastgesteld in hoeverre bestraffing van homoseksualiteit al dan niet plaatsvindt.58 Daarom “ ist es unangebracht, das Bestehen der Todesstrafe [voor de homoseksuele geslachtsdaad] mit Argumenten, wie die hohe Beweislast und die angeblich geringe Zahl von Hinrichtungen lassen auf eine scheinbare Toleranz seitens der iranischen Behörden schliessen, nur als theoretische Gefährdung anzusehen”.59 Bovendien, aldus de UNHCR, dient rekening gehouden te worden met de subjectieve vrees voor vervolging als gevolg van de Iraanse wetgeving; “[d]ie Anwendung bzw. die Häufigkeit der Anwendung der Todesstrafe für homosexuelle Handlungen in Iran ist somit nicht ausschlaggebend, sondern das Fortbestehen dieser Gesetze, die die Anwendung drakonischer Strafen jederzeit ermöglichen”.60 Ten aanzien van familiegerelateerde vervolging merkt Amnesty International op dat het in Iran regelmatig voorkomt dat burgers worden gedetineerd vanwege de (veronderstelde) activiteiten van familieleden.”

De minister beroept zich nu op het meest recente Algemeen Ambtsbericht Iran van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. We kunnen een zinloze discussie beginnen over de vraag of de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voldoende onderbouwd zijn en in voldoende mate gebruik maken van informatie die beschikbaar is bij Amnesty International en de International Lesbian and Gay Association. Maar die discussie lijkt op voorhand zinloos, gezien de kille en strikt formalistische houding die de minister ten aanzien van vrijwel alle onderwerpen die tot haar beleidsterrein behoren aanneemt.

De vraag die zich opdringt is die naar de urgentie van het fenomeen ‘Iraanse homoseksueel’. Worden wij overspoeld met homoseksuelen uit Iran? Maken die homoseksuelen uit Iran ons land onveilig? Hoe dan ook, ze moeten het land uit, wánt ze zijn uitgeprocedeerd. Maar ze zijn uitgeprocedeerd omdát het AA stelt dat ze weer veilig terug kunnen naar hun geboorteland. Alleen moeten ze niet zo kinderachtig zijn daar het recht te verlangen hun seksuele geaardheid in de openbaarheid te mogen beleven.

De cynicus zal opmerken dat er eindelijk iets is dat Christenen en homoseksuelen bindt: wie Christen of homo is in het verlichte Iran, mag dat alleen stiekem zijn. En onze minister van integratie vindt dat geen enkel probleem. Komaan, er zijn erger dingen in het leven.

Inmiddels heeft de minister verklaard dat uitgeprocedeerde Iraanse homoseksuelen niet zonder meer terug gestuurd zullen worden maar dat haar dienst ieder geval op zijn merites zal beoordelen. En voor het overige komt deze minister in haar verantwoording niet verder dan de stelling dat zij is ingehuurd om de wet uit te voeren. Men vraagt zich in vertwijfeling af of we nog dieper kunnen zinken dan met deze minister.

We moeten erop vertrouwen dat het parlement dit beleid met de grootst mogelijke stelligheid en walging afkeurt. We moeten erop vertrouwen dat alle partijen in het parlement zich zullen realiseren dat ze dit niet mogen laten gebeuren. Wij verlangen van moslims dat zij onze houding tegenover homoseksuelen overnemen, dat zij homoseksuelen met rust laten en accepteren. Ondertussen sturen wij uitgeprocedeerde homoseksuele moslims terug naar hun geboorteland waar ze wegens hun seksuele geaardheid vervolgd worden en in veel gevallen tot de doodstraf veroordeeld (kunnen) worden. Voorbeelden van perverser beleid ken ik niet.

Ik schaam mij Nederlander te zijn met zo een minister. Dat ons parlement haar met algemene stemmen tot de orde mag roepen.

 

Enno Nuy
Maart 2006