1

Bronnen van antisemitisme

In een eerder gepubliceerd artikel Het antisemitisme als cultuurverschijnsel (zie De Vrijdenker December 2009) poneerde ik de hypothese dat het antisemitisme zou zijn uitgevonden door de christenen. Dat de rest van de zin in dat artikel naar mijn mening wel overeind blijft neemt niet weg dat juist dat woordje ‘uitgevonden’ hier niet had mogen staan. Het is namelijk simpelweg niet waar, dat wil zeggen… er is alle aanleiding tot verduidelijking en nuancering. Ik legde mijn oor te luister bij een aantal zegslieden.

Gérard van Eyk

laat mij weten: “Ik heb in 2000 een uitgebreid interview geanalyseerd met Benzion Netanyahu over zijn boek “Los orígines de la Inquisición” (Critica, 1999). Benzion Netanyahu is een sleutel-geleerde in dat gebied [en de vader van de toenmalige Israëlische president. GvE]. Netanyahu noemt het Griekse rijk als de oorsprong van het antisemitisme, dat wil zeggen vanaf hun verovering van Egypte. Hij bestrijdt nadrukkelijk de opvatting dat het antisemitisme een christelijke creatie zou zijn. Alles begon immers met de Egyptenaren, maar de Grieken veroverden Egypte en emigreerden in grote getale naar dat land. Voor hen was het belangrijk om in het oosten te benadrukken, dat zij het superieure volk in de wereld waren, en de rest barbaren. Maar toen kwamen daar de joden die zeiden dat hun profeten belangrijker waren dan de Griekse filosofen want hun ideeën waren juister en beter gefundeerd want ze hadden die direct van God. [ps hier begint dus ook de strijd tussen ‘rede’ en ‘openbaring’- GvE]. Netanyahu vervolgt dan: “Een idee dat de kern van het geschil vormde door de nadruk die de joden legden op hun status van “het uitverkoren volk”. “ Ik kom verderop nog terug op dit aspect van uitverkoren zijn.

Hans van Lent

De classicus Hans van Lent was zo vriendelijk mij een kort exposé over prechristelijk jodendom toe te zenden. “Rond het jaar 0 leefde in Palestina slechts een klein percentage van de joden. Keizer Claudius, die in 48 een volkstelling organiseerde, kreeg als resultaat (ongeveer, met precisie is hier niet te werken) dat er binnen de grenzen van het Romeinse Rijk van toen circa 7 miljoen joden leefden, van wie 2½ miljoen in Palestina en in Egypte, Turkije, Syrië ook 1 miljoen. Voorts nog 1 miljoen in Irak, dat buiten het Romeinse Rijk viel. De getallen voor Europa zijn niet te achterhalen. Natuurlijk zijn na de opstanden van 69 en 135 na Chr. veel joden uit Palestina weggevoerd cq weggegaan; daarvóór was hun door de Romeinse overheid meteen na de inlijving van Palestina door Pompeius (zoals ge weet  63 vóór Chr) religieuze vrijheid gegund, want de Romeinen waren zeer tolerant op godsdienstig gebied. Na die opstanden zal het aantal joden in Europa, voornamelijk in Spanje, dus aanzienlijk zijn gestegen door al of niet gedwongen emigratie.
Terzijde: er waren al joden met de Phoeniciërs naar Spanje meegekomen rond 800 vóór Christus.
De eerste echte emigratie van joden uit Palestina is natuurlijk terug te voeren tot de Babylonische Gevangenschap (586, Nebukadnezar).  Toen Kurusj (bij de gymnasiast bekend als Cyrus), koning van Perzië, Babylon had veroverd (538), kregen de joden toestemming om terug te keren, maar velen bleven daar in Irak, en daarvandaan dan ook, dat er  in Iran, Irak e.d. nog verschillende joodse gemeenschappen zijn, tot op de huidige dag.

Keizer Vespasianus (zoals ge weet 69-79) voerde voor de joden een bijzondere belasting in (waardoor de joden op een geheel andere wijze werden behandeld dan de andere godsdiensten van door de Romeinen onderworpen volkeren): zij moesten belasting dokken voor het onderhoud van de tempel van Juppiter  in Rome (de fiscus judaicus), dit als strafmaatregel na de opstand van 69.  Niet onderschat mag worden, dat deze maatregel de basis vormt voor de extra belasting die joden (b.v. in het Heilig Roomse Rijk der Duitsche Natie) ook veel later nog kregen opgelegd. Toch, zoals al opgemerkt, waren de Romeinen tolerant tegenover de joden (zelfs nog na de opstand van 69 na Chr): ze mochten collegia (gesloten genootschappen) vormen – wat eigenlijk verboden was en wat geen enkel ander volk mocht -, ze mochten op eigen houtje belasting heffen voor de tempel in Jerusalem,  het onderhouden van de Sabbat was toegestaan en zelfs een door de Romeinse overheid  beschermd recht. Het verbod op besnijdenis van Keizer Hadrianus (zoals ge weet 117- 138), dat grote opwinding onder de joden veroorzaakte, is bij mijn weten de enige echte anti-joodse maatregel van de Romeinse overheid geweest. Maar wat de joden beslist níet mochten, was proberen bekeerlingen te maken.
Rond 200 vóór Christus had in Palestina al een forse opstand gewoed, die van de Makkabeërs. Zij gingen tekeer tegen de vergrieksing van het land en natuurlijk vooral tegen die van de priesterkaste (er was b.v. een opperrabijn daar die de naam Menelaos droeg; een andere heette Jason!).  Koning Antiochos Epiphanes (175-164) van het Syrisch (Griekse) Rijk had immers begrijpelijkerwijs  allerhande maatregelen genomen om de Hellenisering van de joden te bewerkstelligen.
Veel joden woonden in het naburige Egyptische (Griekse) Rijk; voor dezen werd  de Oude Testamentvertaling in het Grieks van de zogeheten Septuagint ( plm 2e eeuw vóór Chr) gemaakt: zij waren immers allang het Hebreeuws verleerd.
Hoewel verschillende joodse schrijvers, b.v. in Egypte, in hun geschriften probeerden het jodendom als een aan het Hellenisme geassimileerde godsdienst voor te stellen, kun je met gerust hart beweren, dat de overgrote meerderheid van geëmigreerde joden, waarheen dan ook, gesloten gemeenschappen vormden met eigen tradities en gebruiken. En ook met een al of niet uitgesproken superioriteitsgevoel: “het uitverkoren volk”. Als reactie daarop komt het antisemitisme op, al vanaf plm de 3e eeuw vóór Chr.  (Dat is het gevaar van niet-integreren, niet-assimileren, en moet ons aan het denken zetten over “onze” moslims).

Antisemitisme bij de oude Grieken? Ik heb er nimmer van gehoord  of over gelezen. De joden speelden geen enkele rol in de Griekse cultuur of geschiedenis. Voor de Grieken waren zij vast en zeker “gewoon” Phoeniciërs, die woonden in het huidige Libanon. Daar kwamen ze pas goed mee  in contact in 333, door de tocht van Alexander de Grote. Joden zijn ongetwijfeld als soldaat of koopman meegetrokken met Alexanders troepen naar Perzië en Indië. Niks discriminatie.
Wat ik wél weet, is dat na de inlijving van (het Griekse) Egypte in 30 vóór Chr. door Octavianus, de latere Augustus, de joden aldaar, net als de Grieken , de oorspronkelijke bevolking en wat er allemaal nog meer rondliep, onderdanen werden van Rome; de Romeinen waren de baas, de rest was lager  in rang, maar min of meer gelijk voor de wet. Dat veroorzaakte bij de Grieken, die tenslotte sinds Alexander de Grote (332) het daar voor het zeggen hadden, grote wrevel. Daardoor is een golf van antisemitisme in Egypte ontstaan, en dit had zijn grootste ontvlamming in de pogroms van 38 na Chr, toen er op z’n Goebbels’ synagogen in de fik vlogen, joden vermoord, en daarop een ghetto werd ingesteld. Keizer Claudius (zoals ge weet 41-54) herstelde de joden in hun rechten.  De opstand onder Vespasianus in 69 had wel tot gevolg, dat er her en der  anti-joodse conflicten oplaaiden. Maar de joden waren zelf ook geen softe jongens: in 115 vielen ze in Cyrenaica (waar nu kolonel Gadaffi de baas is)  opeens Grieken en Romeinen aan in een soort religieuze hysterie (aanleiding onbekend bij mij) en dat ontaardde  in een joodse opstand van Egypte tot op Cyprus toe: joden tegen alles en iedereen!  Deze opstand had dus plaats onder Trajanus, en werd na een jaartje of zo onderdrukt. Bevorderlijk voor de populariteit van de joden was dat natuurlijk niet.“

Jona Lendering

Een van de grootste kenners van de Oudheid is Jona Lendering die onder andere studie heeft gemaakt van de oorsprong van antisemitisme. Op de website livius.org vindt u zeer uitgebreide literatuur over werkelijk alle aspecten van (het leven in) de oude geschiedenis. In een uitgebreid artikel Ancient anti-Semitism beschrijft hij enkele uit de literatuur bekende incidenten waarbij joden als volledige gemeenschap achtervolgd werden, het eerste in 474 voor christus toen Judea onder Perzisch bewind stond en het tweede in 410 voor christus toen de Egyptenaren het er voor het zegen hadden. Het verschil tussen beide incidenten, aldus Lendering, is gelegen in de achterliggende oorzaken. Tijdens het eerste incident werden de joden achtervolgd omdat zij de Perzische wet niet gehoorzaamden maar trouw bleven aan de wetten van Mozes, terwijl bij het tweede incident de Egyptenaren kwaad waren vanwege het joodse geloof. Een derde incident, waarvan we kennis hebben, speelde zich af in  175 tot 164 voor christus. Antiochus IV besloot tot een vervolging van de joden maar niet duidelijk is wat daarvoor de onderliggende redenen waren. Voor alle hier beschreven incidenten zijn overigens geen bronnen uit eerste hand (meer) beschikbaar maar ze worden niettemin alle voor waar aangenomen. En om het begrip incident nader te preciseren: het ging er niet zachtzinnig aan toe. Lendering veronderstelt dat Menelaos die destijds de scepter zwaaide zijn loyaliteit aan de Grieken wilde tonen door zijn land te helleniseren. Later werd op zijn handelen  het predikaat ‘antisemitisch’ geplakt maar Lendering is de mening toegedaan dat daarmee de complexe situatie in het Judea van die jaren geen recht wordt gedaan.

Maar ook in Alexandrië hebben zich pogroms voorgedaan tussen 222 en 205 voor christus (overigens betreft het ook hier een legende waarvoor geen bronnen uit eerste hand meer kunnen worden geraadpleegd. Maar in het jaar 38 na christus, ongeveer 70 jaar nadat Egypte tot het Romeinse Rijk was gaan behoren, ontstonden er grote spanningen in Alexandrië tussen de drie belangrijkste bevolkingsgroepen: de joden, de Grieken en de Egyptenaren. Als gevolg van de vele schermutselingen werden de joden verbannen naar een specifiek stadsdeel en zo ontstond het eerste getto uit de geschiedenis. Het getto verlaten was volstrekt onmogelijk: de joden werden gestenigd en van dodelijke slachtoffers werden de lijken vermint, anderen werden in de arena geslachtofferd of werden gekruisigd. Van deze gebeurtenissen bestaat er een ooggetuigenverslag van de joodse filosoof Philo die leefde van circa 20 tot 50 na christus.

Lendering geeft een opsomming van de vooroordelen die reeds in de oudheid ten aanzien van de joden bestonden: de joden werden verondersteld af te stammen van melaatsen, die door de Egyptenaren verbannen waren; van de joden werd verteld dat zij in de woestijn door een wilde ezel waren gered, reden waarom zij dat dier zouden aanbidden en vereren als hun god; ook het monotheïsme van de joden werd in hun nadeel uitgelegd en bij rampen werden  de joden ervan beschuldigd de godentoorn over de gemeenschap afgeroepen te hebben; de joden zouden levende mensen offeren; joden vierden de sabbat en dus waren ze lui; de voedsel- en reinheidswetten van de joden werden als zeer buitenissig gezien; wie de wetten van Mozes volgde negeerde ‘dus’ de wetten van de staat; joden werden als asociaal gezien omdat ze zich van de gewone mensen afzonderden; de verminking van genitaliën werd als barbaars beschouwd, enzovoort.

Het was op grond van dit soort vooroordelen dat Philostratus opmerkte dat de joden in opstand kwamen tegen de mens(elijk)heid, een notie – aldus Lendering – die we ook bij Hitler in Mein Kampf tegenkomen. Niettemin verzet Lendering zich tegen een gelijkstelling van het oude met het nieuwe antisemitisme. In de eerste plaats wordt het moderne antisemitisme vaak uitgelegd als een gevolg van het gegeven dat de joden Jezus van Nazareth doodden; welnu, dit argument speelde in de Oudheid uiteraard geen enkele rol. In de tweede plaats was er in de Oudheid bepaald ook geen sprake van de economische beschuldigingen die de joden onder het moderne antisemitisme zouden ondergaan. Maar het belangrijkste verschil was wel het feit dat er in de Oudheid absoluut geen sprake was van racistische tendensen.  Eigenlijk is de beschuldiging van mensenoffers het enige vooroordeel dat ook in het moderne antisemitisme wordt opgemerkt.

Gustavo Perednik

Een andere epigoon op het gebied van de judeofobie is de joodse wetenschapper Dr. Gustavo Perednik (Buenos Aires, 1956). Perednik spreekt voornamelijk van’ jodenhaat’. Het woord ‘antisemitisme’ werd voor het eerst gebruikt in 1879 door Wilhelm Marr in Hamburg, die het woord met opzet introduceerde om zijn haat jegens de joden los te koppelen van enige religieuze connotatie. Het ging hem veel meer, en anders dan tot dan toe, om de racistische component van de jodenhaat. Onzinnig om hier van Semieten te spreken, aldus Perednik, aangezien het volstrekte waanzin is te beweren er zoiets als een joods-arabisch ras zou bestaan en dat een jood uit Holland, uit Ethiopië en uit Rusland, tot hetzelfde ras zouden behoren. Het is om deze redenen dat Perednik liever  het woord ‘judeophobie’ hanteert, ook al zou het Griekse phobie geen haat maar angst impliceren. Perednik stelt hier tegenover dat het woord ‘fobie’ in de sociale wetenschappen wel degelijk staat voor afkeer en haat.

Judeofobie gaat verder dan racisme of vreemdelingenhaat, verder dan enige andere haat jegens groepen en Perednik noemt een zevental karakteristieken om deze stelling te onderbouwen: Jodenhaat is de oudst bestaande haat jegens een gehele groep; judeofobie is opvallend universeel; het is permanent, het gaat dieper dan enige andere haat; de haat is obsessief, gevaarlijker dan enige andere vorm van haat en tot slot is de judeofobie gebaseerd op fantasie. Wat dit laatste aspect betreft: andere vormen van haat jegens groepen is vrijwel altijd een gevolg van misinterpretatie van feiten, bijvoorbeeld dat het de schuld van de Turken zou zijn dat er zoveel Duitse werklozen zijn; er mogen dan misschien veel Duitse werklozen zijn maar men kan de Turken daar bezwaarlijk de schuld van geven. Op grond van zijn onderzoek komt Perednik tot een zestal mogelijke theorieën aangaande de oorsprong van judeofobie. De meest plausibele daarvan acht hij de Alexandrische en de Christelijke oorsprong, respectievelijk drie en twee millennia geleden.

Perednik schetst grotendeels dezelfde Alexandrische incidenten als Lendering. Hij wijst op een overperceptie waar het de joden betreft, zeker wanneer men het heeft over het percentage joden dat in enig land leeft. Nergens ter wereld overschrijden de joden de 1% behalve de USA, waar het aantal joden ongeveer 2% van de bevolking uitmaakt en Israël waar sprake is van 90%.  Dat maakt  de Alexandrische aanvallen op de joden des te merkwaardiger. Perednik is de mening toegedaan dat het centrale thema van de Exodus (uittocht uit Egypte) in de joodse religie een belediging vormden voor nationalistische Egyptische gevoelens. De Bijbelse aanspraak van de joden was voor de Egyptenaren aanleiding om met een passend antwoord te komen.

Het Romeinse Rijk erfde deze Griekse judeofobie en ook daar deden alle door Lendering opgesomde vooroordelen jegens de joden opgeld. Onder irvaliserende bevolkingsgroepen bestond een duidelijke jaloezie ten aanzien van de privileges die de joden door de Romeinse staat werden gegund. Privileges die vergund werden omdat de Romeinen bepaald tolerant stonden tegenover andere religies (zie Hans van Lent). De algehele (overheids)houding tegenover de joden was niet erg consistent, sommige keizers haatten de joden, andere weer niet maar van judeofobie was geen sprake. Romeinse literatoren brachten een evenwicht aan door ongerept joodvijandige taal te spreken. Seneca noemde de joden “een zeer slecht volk dat eenzevende deel van zijn leven ronduit verkwistte”. En Tacitus vond de joodse instituties maar “sinister en schaamtevol, die alleen maar konden overleven bij de gratie van hun perversiteit”. In de hieronder weergegeven bronnen (www.livius.org) is in een vertaling van Kenneth Wellesley een zeer interessante en verhelderende weergave van het gedachtegoed van Tacitus inzake de joden te vinden.

Gustavo Perednik maakt in feite hetzelfde onderscheid tussen het oude en het moderne antisemitisme als Lendering. Hij wijst erop dat met het ontstaan van het nieuwe (christelijke) geloof dat was gebaseerd op het Judaïsme haat jegens de joden tot norm werd verheven. Het christendom ontsproot aan het Judaïsme en de eerste christelijke kerk was joods in haar leiderschap, lidmaatschap en aanbidding. Gedurende de eerste 70 jaar van het christelijk geloof bestond er geen animositeit tussen beide religies. Pas toen de christenen zich realiseerden dat de joden niet bereid waren afstand te doen van hun Bijbelse geloof waarin de Messias pas aan het eind der tijden zou verschijnen en dus de lezing dat de Messias als zoon van god op aarde had geacteerd afwezen, eerst toen ontstond de verwijdering tussen de beide religies. En het was Paulus, de grondlegger van de christelijke kerk die de breuk expliciet maakte door zijn stelling dat verlossing slechts mogelijk was door het geloof in Jezus als de Messias. Voor alle duidelijkheid: Paulus en zijn discipelen kunnen op generlei wijze beschuldigd worden van jodenhaat in enige vorm.

Perednik komt tot een zestal konklusies op basis van zijn onderzoekingen:

Judeofobie stelt mensen in staat hun sadistische instincten te ventileren.
Juist omdat er zoveel over de joden geschreven is, voelt een jodenhater zich belangrijker wanneer hij de joden bevecht dan wanneer hij jegens een andere groep zou opponeren.
De joden hebben onder de niet-joden vaak schuldgevoelens opgeroepen.
Judeofobie is een intrinsiek antirationele houding van een over het algemeen rationele samenleving.
De bronnen van judeofobie zijn uitzonderlijk hypocriet.
Judeofobie wordt op twee niveaus beoefend, zowel direct en agressief maar tegelijkertijd subtiel en het directe niveau vergoelijkend.

Niet alle konklusies liggen wat mij betreft even voor de hand en met name de laatste opmerking blijkt vooral ingegeven door politieke overwegingen. Ter adstructie wijst Perednik onder meer op de VN die “is not responsible for terrorism against Israeli citizens, but by repeatedly condoning it (and systematically condemning Israel) encourages the Judeophobe murderer to feel a partner with the international community in his struggle against Zionism”. Ik laat deze woorden geheel voor Perednik’s rekening, mijn persoonlijke perceptie is een andere.

Het Uitverkoren Volk

Ofschoon regelmatig wordt beweerd dat de joden de haat van de ander over zichzelf hebben afgeroepen door zich te presenteren als het uitverkoren volk, kom je deze suggestie niet tegen bij Netanyahu, Lendering of Perednik. En laten we wel zijn, deze zelfverheffing is niet symptomatisch voor alleen het joodse geloof. Ook het substitutiegeloof van de christenen beschouwt zichzelf als de enige ware religie en bij de islam is dat natuurlijk niet anders. En dat is natuurlijk logisch voor monotheïstische religies: er kan naast die ene schepper niet ook nog een andere rondlopen. Wel vreemd natuurlijk dat god zou hebben gediscrimineerd ten faveure van één specifieke bevolkingsgroep.

Dat geloof in één god zal de Egyptenaren ongetwijfeld exotisch zijn voorgekomen en het zal zeker bijgedragen hebben bij de algemene beeldvorming: “rare jongens, die joden”; maar de zelfverheffing op basis van teksten in het oude testament zal verder vermoedelijk niet zo heel veel indruk gemaakt hebben.

Slotsom

Jodenhaat is dus van alle tijden en lijkt in eerste instantie in de Oudheid een extreme vorm van vreemdelingenhaat die mede was gebaseerd op gekrenkte nationale gevoelens bij de Egyptenaren. De oorzaak van deze krenking was – zo lijkt het – overigens wel degelijk een religieuze. De christenen hebben de jodenhaat steeds inniger omarmd, aanvankelijk – zo lijkt het – omdat een deel van de joden vasthield aan het eigen geloof en niet tot het substitutiegeloof wenste toe te treden. Later zijn daar andere argumenten bijgekomen, zoals het gegeven dat de joden verantwoordelijk werden gehouden voor de kruisiging van Jezus van Nazareth en voorts dat diezelfde Jezus van Nazareth als de zoon van god en de messias diende te worden beschouwd. Die christelijke jodenhaat vond zijn culminatiepunt in kerkhervormer Luther.

Het antisemitisme met de zo nadrukkelijk racistische component lijkt vooral een Duitse vinding te zijn aan het einde van de 19de eeuw. Deze racistische jodenhaat vond zijn culminatiepunt in de Holocaust. De vraag is of we, nu de geschiedenis toch ten einde is gekomen zoals Fukuyama stelde, de jodenhaat achter ons kunnen laten. Je zou zeggen, we hebben er nu toch wel genoeg van geleerd en wat kan er na de Shoah nog aan jodenhaat ten beste worden gegeven?

IJdele hoop, vrees ik. Met name in de internationale moslimgemeenschap is de judeofobie uiterst virulent. Het handvest van Hamas – om slechts één voorbeeld te noemen – is onversneden antisemitisch inclusief die vermaledijde racistische component. Ergens onderweg is er iets helemaal fout gegaan en dat is – zo laat het zich aanzien – toch echt begonnen met die apocriefe teksten in het oude testament.

 

Enno Nuy

Januari 2010

 

 

Bronnen
 historische info (J. Lendering): http://www.livius.org/am-ao/antisemitism/antisemitism01.html
G. Perednik, Judeophobia (‘anti-Semitism’,Jew Hate) in the Pagan Ancient World – Alexandria and Rome: http://www.zionism-israel.com/his/judeophobia2.htm
G. Perednik, The beginnings of Christian Anti-Semitism – Judeophobia (Jew Hate) in Early Christian thought: http://www.zionism-israel.com/his/judeophobia3.htm
G. Perednik http://en.wikipedia.org/wiki/Gustavo_Perednik
The Penguin Atlas of Diasporas by Gérard Chaliand and Jean-Pierre Rageau, translated from the French by A.M. Berret; Viking 1995