Cossee, 431 pagina´s

 

Arnold Zweig, een seculiere jood, werd geboren in 1887 en stierf op 26 november 1968 in Oost Berlijn. Mede door zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog – hij vocht in Servië, België en Verdun – werd hij pacifist. Hij vluchtte begin jaren dertig voor de nazi’s en kwam uiteindelijk in Palestina terecht maar raakte verzeild in een conflict met  anti-arabische joodse nationalisten, verloor zijn baan als gevolg daarvan en remigreerde naar Europa, naar Oost Berlijn. Zijn romancyclus Der grosse Krieg der weissen Männer wordt in het algemeen beschouwd als een grootse literaire prestatie met de Eerste Wereldoorlog als onderwerp en macht als thema. De strijd om sergeant Grisja is het bekendste werk uit deze cyclus. De West Duitsers moesten aanvankelijk weinig van hem hebben, hij behoorde immers tot het foute kamp, de Ossies. Maar inmiddels heeft men ook daar deze literaire geweldenaar ontdekt, terecht. Zweig immers blijkt een zeldzaam verhalenverteller. Hij kende het militaire bedrijf van binnenuit, hetgeen misschien verklaart waarom deze geschiedenis op zo’n volstrekt geloofwaardige wijze wordt weergegeven. Maar ook de verschillende militaire karakters weet hij treffend te schilderen, evenals de broederschap onder gewone soldaten, ook al hoorden ze bij de vijand.

Prachtig is de scene waarin de oude Pruis Von Lychov filosofeert over de oorlog en zich erover verheugt wanneer ook de Engelsen besluiten zich in de strijd te mengen: (De Russen en de Fransen) “zijn van oudsher vechtlustige volken, net als wij Pruisen (–) en voor vechtersvolken betekent een oorlog niet veel; je wint er een, je verliest er een, en dan begin je gewoon de derde, maar daarom is er nog geen vijandschap – en dan bedoel ik vijandschap, echte vijandschap, op leven en dood. Met de Engelsen is het een heel ander verhaal: die hebben hun oorlogen al lang achter zich, hun vechtersbazen sturen ze naar de koloniën om zich uit te leven en daarmee basta. Als je die één keer wakker hebt gekieteld, zodat ze erop af gaan als een getergde buldog, dan wordt het ernst”.

Een cruciale zin wordt uitgesproken door de militair rechter Poznanski, als hij opmerkt: “Wat macht betreft rijst Duitsland als een tulbandcake, maar moreel verschrompelt het tot een dun draadje. (–) Maar is dat verwonderlijk? Zo gaat het met staten. En het is ook niet erg. Pas als het draadje breekt, en rechteloosheid algemeen wordt aanvaard, wordt het bedenkelijk”. Hij komt tot deze overpeinzing in een gesprek over morele waarden en zedelijkheid. Poznanski maakt zich daarover weinig illusies: “Want hij leert gemakkelijker vliegen, telegraferen en in onderzeeërs varen dan het goede doen omwille van het goede zelf”.

Sergeant Grisja wordt tegen wil en dank speelbal van een morele strijd tussen de oude Pruis Von Lychov en de moderne militair Schieffzahn. De laatste is van mening dat Grisja ter dood gebracht moet worden omdat de militaire code dat nu eenmaal verlangt, ook al is vast komen te staan dat het doodvonnis op onjuiste informatie was gebaseerd. Voor moraal is geen plaats, de soldaat dient te beseffen wat hem te wachten staat als hij door een militair rechter veroordeeld wordt wegens desertie of spioneren voor de vijand. En dat Grisja van geen van beide vergrijpen beschuldigd kan worden is een bijkomstigheid die aan de kern van de zaak niets afdoet. Von Lychov daarentegen kan die opvatting niet verdedigen juist op grond van morele overwegingen, een onschuldige behoort nu eenmaal niet veroordeeld te worden, ook al is hij een Rus en hoort hij bij de vijand.

De vraag is hoeveel dat morele standpunt hem waard is, gaat hij als oude Pruis het gevecht aan met zijn jongere opponent, de voorloper van de Duitse nazi of neemt hij genoegen met een wraakactie achteraf, bijvoorbeeld door de keizer te vragen deze Schieffzahn te straffen voor zijn eerloos en immorele handelen? Indrukwekkend zijn de laatste pagina’s van het boek als Grisja, tot het allerlaatste moment hopend op gerechtigheid, zijn have en goed overeenkomstig het oorlogsrecht toebedeelt aan de vrouwen in zijn leven en aan wat kameraden, ook onder Duitsers. De gewone soldaat heeft geen last van de vijandbeelden die hele continenten in bloed drenken. En prachtig ook is de scene waarin Grisja afziet van geestelijke hulp: “Erger dan drie jaar oorlog en gevangenschap kon de hel toch niet zijn, als er al een was. Als hij slechte dingen had gedaan was hij mans genoeg de gevolgen daarvan te dragen, en de angst voor de dood, die hij natuurlijk had, konden die mensen met hun gebedenboeken ook niet wegnemen. Hij had geleefd als een mens en hij zou sterven als een mens, als eenvoudig man, zei hij, een mens die weinig tijd had gevonden voor God en voor wie God ook weinig tijd had gevonden, en als hij God daarmee beledigd had, dan was het sterven zelf al hard genoeg en strenger dan hij, Grisja, tegen een klein kind was dat hem beledigde zou God, als hij bestond, tegen hem vast ook niet zijn”.

En de huiveringwekkende slotscènes lezen alsof je naar een film zit te kijken, al zou een film hier de schrijver Arnold Zweig nooit kunnen evenaren. Zweig schrijft lichtvoetig proza, ook wanneer hij diepe ernst of tragedie beschrijft. Hij doet me vaak denken aan Joseph Roth en wat deze schrijvers met elkaar gemeen hebben is hun liefde voor het K und K tijdperk, dat met de dubbelmonarchie onherroepelijk teloor ging in een waanzinnige oorlog om niet lang daarna verzeild te raken in een nog grotere tragedie, waarin ieder beroep op de menselijke verbeelding vergeefs zou blijken.

Arnold Zweig is een groot schrijver!

 

 

Enno Nuy

december 2013