Een natie en haar geschiedenis
Voor, tijdens en na het nationalisme 1500 – 2000
Het Getij/Uitgeverij De Arbeiderspers, 524 pagina’s

 

Helmut Walser Smith, in 1962 geboren te Freiburg D en thans hoogleraar geschiedenis aan de Vanderbilt University in Nashville USA, refereert aan de ‘conflictcatalogus’ en stelt: “Als je minimaal duizend doden als voorwaarde neemt om een conflict een oorlog te noemen, hebben de Duitse Staten tussen 1500 en 1914 grofweg twee keer zoveel jaren van vrede gekend als van oorlog. En uit diezelfde conflictcatalogus blijkt dat Groot Brittannië en Frankrijk in de achttiende en negentiende eeuw de grote martiale Staten waren; dat in Midden-Europa Oostenrijk een veel dreigender militaire macht was dan Pruisen: en dat de Duitse landen, waarvan vaak werd gedacht dat ze, zo midden in Europa, in een kwetsbare positie verkeerden, in feite meer jaren van vrede hebben genoten dan veel buurlanden.

Rond 1500 was Duitsland in alle opzichten grotendeels onbekend, er waren geen of nauwelijks kaarten, geen etnografische kennis, van de steden wisten we weinig tot niets enzovoorts. De boekdrukkunst en ontdekkingsreizen leidden ertoe dat ook de cartografie steeds belangrijker en accurater zou worden.

Walser Smith haalt de eerste anonieme beschrijving van Faust aan waarin het, anders dan in latere versie, draaide om nieuwsgierigheid als de meest fatale tekortkoming van de mens. Ook Augustinus al moest niets hebben van nieuwsgierigheid. Hij beschouwde dat als hoogmoed waarmee de mens de Schepper naar de kroon dacht te kunnen steken.

We beleven de rebellie van Luther die later niets zou ondernemen om ook maar iets te doen aan de zeer gerechtvaardigde klachten van boeren en burgers over de wijze waarop ze bejegend werden door de machthebbers uit de adel. Sterker nog, Luther keerde zich tegen de boeren!

Ook werpt Walser Smith enig licht op het antisemitisme van Erasmus, het antisemitisme dat zeker ook in het Duitsland van die jaren welig tierde. Overal werden de joden uit de steden en stadjes verjaagd. In 1543 zou Luther zijn infame Von den Juden und ihren Lügen publiceren.

Soms vluchtige, soms blijvende beelden verspreidden zich als de Europese volken steeds vaker gaan reizen: trotse Spanjaarden, opstandige Duitsers, dappere Saksen, elegante Fransen, toornige Britten en vermeend wellustige Schotten. En de boekdrukkunst versterkte zulke typeringen, voegt Walser Smith hier aan toe.

In het laatste kwart van de zestiende eeuw zou de godsdienststrijd steeds heviger worden. Vooral in West Europa. In dit amalgaam zou de Republiek der Nederlanden ontstaan. In Duitsland echter legde de Vrede van Augsburg de godsdienstige scheidslijnen tussen lutheranen en katholieken vast.

In de Dertigjarige Oorlog van 1618-1648 vindt tussen de 15 en 40 procent van de Duitse bevolking de dood. Alleen de pest vergde meer doden. De dertigjarige Oorlog was een hevig touwtrekken tussen katholieken en protestanten met verwoestende gevolgen. Pas in 1648 werd de Vrede van Westfalen gesloten waarmee de oorlog ten einde kwam.

Inmiddels was de voorstelling van de wereld in relatie tot de hemellichamen, zoals door Copernicus geschetst in zijn De Revolutionibus Orbium Coelestium van 1543, gemeengoed geworden.

Kennis en begrip van het land verkreeg men niet zozeer door naar kaarten te staren maar door zich te verdiepen in de heersende krachten. Langzaam maar zeker ontstaat er een soort patriottisme in diverse Duitse provincies of deelstaten. Een vorm van nationalisme diende zich aan. Maar zou pas echt tot wasdom komen na de vernederende nederlaag in de Napoleontische oorlog.

In 1772 voltrok zich de eerste Poolse deling, opgelegd door Rusland, Pruisen en Oostenrijk. Polen verloor in een klap dertig procent van haar grondgebied. Dat landjepik was in die jaren van de achttiende eeuw overigens schering en inslag. In 1793 en 1795 volgden nog eens twee Poolse delingen. En we hebben het Poolse lot onder de nazi’s nog vers in het geheugen liggen.

Ook in de 18de eeuw bestond het Duitse rijk uit driehonderd grotere en kleinere staten maar er was geen belangstelling voor het exact opmeten van de omvang en ligging van Duitsland. Men vond taal en poëzie veel belangrijker dan geografie.

Heel interessant is de geschiedenis van Mme Stael die door Napoleon uit Parijs werd verbannen, vervolgens een niet onaanzienlijke reislust aan de dag legde en onder de indruk van Duitsland en de Duitsers raakte. Wel vond ze dat de Duitsers een gebrek aan daadkracht lieten zien. De Duitsers moesten in het algemeen niets hebben van de Franse revolutie, Goethe en Herder voorop. Maar Hegel en Holderlin waren wel degelijk enthousiast.

Maar Duitsland was nog geen natie zoals de Fransen dat waren. Er bestond wel patriottisme maar dat gold vooral de oude staten, niet het hele rijk. Het echte nationalisme ontstond zodoende in Frankrijk, niet in Duitsland. En nationalisme is dan gedefinieerd als een politieke ideologie die uitgaat van een duidelijk onderscheid tussen vriend en vijand en die het volk probeert om te vormen tot een gemeenschap van actieve burgers voor wie de natie elke andere loyaliteit te boven gaat.

De Duitsers waren in die jaren eerder bezig het land op te delen! Zelfs toen de Fransen Duitse Staten in het zuiden van het rijk binnenvielen en zich daar ernstig misdroegen. Napoleon verpletterde de Oostenrijkers en Russen in december 1805 en het jaar daarop deed de keizer afstand van de troon waarmee een einde kwam aan het Heilige Roomse Rijk. En in 1806 werden ook de Pruisen door Bonaparte bij Jena over de kling gejaagd.

In die jaren stelde Westfalen als eerste een eigen grondwet op, er kwam een volksvertegenwoordiging, de lijfeigenschap werd afgeschaft en de joden konden zich emanciperen! Ook Pruisen schafte de lijfeigenschap af en de joden werden gelijkgesteld voor de wet, onderdanen werden burgers. En ook ontstonden sedert 1806 de eerste nationalistische geluiden onder uitsluitend de jongere schrijvers. Zij gingen steeds meer denken in de richting van een Duitse natie. Van de joden werd evenwel steeds meer verwacht dat ze zich ofwel aansloten bij een Duitse kerk dan wel emigreerden naar Palestina. Zo althans zag Fichte het voor zich. Begreep hij de tijdgeest niet of was dit wat hij verstond onder emanciperen?

Dit waren de jaren ook van von Clausewitz en Heinrich von Kleist, Caspar David Friedrich. Antisemitisme bleef echter geregeld opspelen, zeker onder intellectuelen. Goethe echter had niet veel op met het ontluikende nieuwe patriottisme of nationalisme. Hij koos voor het Duitsland van de geest, niet van het zwaard. Men moet hier wel bij bedenken dat hooguit zo’n vijf procent van de bevolking in staat werd geacht een doorwrocht literair werk te kunnen lezen. Er was slechts een klein lezerspubliek in Duitsland.

Inmiddels keerde het tij voor Napoleon en kwam er een einde aan de Franse heerschappij op het midden-Europees toneel. Misschien is Heinrich Heine (1797-1856) wel de eerste echte Duitse patriot of nationalist. Was hij niet ook de eerste die van vaderlandsliefde sprak? Aan het begin van de negentiende eeuw, 1819, laaide het antisemitisme weer op nadat het tijden lang relatief rustig was geweest. Maar waar dat dan precies vandaan komt, vermeldt de schrijver niet. Alsof dat nare sentiment een onblusbare ondergrondse veenbrand is.

Het onderwijs nam in Pruisen een hoge vlucht en de belangstelling voor de nationale geschiedenis nam enorm toe. Ook in de architectuur was het nationalisme zichtbaar met een opleving van de gotiek. De Dom van Keulen werd eindelijk afgebouwd. Vooral plaatjesboeken waren populair en een compleet nieuw fenomeen diende zich aan: het toerisme. Dit was de Biedermeiertijd waarin Metternich een forse censuur optuigde en de heersende macht haar positie met ongekend strenge straffen voor vermeend subversief gedrag probeerde te verdedigen. Het wordt niet duidelijk waarop deze angst voor kritische geluiden nu gestoeld was. Het zal niet zomaar uit de lucht zijn komen vallen. Walser Smith gaat daar helaas niet ander op in.

Midden 19de eeuw kwam een massale emigratie naar de VS op gang, vooral plattelandsbewoners trokken erop uit als gevolg van de economische ontwikkelingen in die jaren. Maar schrijvers als Victor Hugo of Charles Dickens kwamen in de Duitse literatuur niet voor waardoor zij geen onthullende beschrijving van hun eigen sociaal-economisch bestaan kregen voorgeschoteld en waardoor de Duitsers nauwelijks zicht kregen op de gevolgen van de industrialisatie. Tegelijkertijd nam de bevolking in omvang spectaculair toe.

Fraai is de karakterisering op pag 283 van Oostenrijk als een staand leger van soldaten, een zittend leger van ambtenaren, een knielend leger van priesters en een kruipend leger van informanten. Na de kladderadatsch tussen Oostenrijk en Pruisen en de daarop volgende herindeling na de overwinning van Pruisen in 1866 bestond Europa nog slechts uit dertig staten waar dat er rond 1500 nog zo’n vijfhonderd waren. Vanaf nu heerste de Pruisische geest over de Duitse Staten die nog steeds geen natiestaat vormden, ook al was er een Duits rijk gecreëerd met een heuse grondwet. Men begreep dat gebouwen, monumenten en gedenktekens een gevoel van nationale identiteit, nationaal bewustzijn konden helpen ontstaan. En daar hadden ze er genoeg van in het Duitse rijk. De Duitse Mark werd geïntroduceerd net als overal in het rijk geldige postzegels en paspoorten. En ook nu weer begint het antisemitisme naar de oppervlakte door te sijpelen. Walser Smith waagt zich echter opnieuw niet aan een verklaring daarvoor.

En onder keizer Wilhelm II werden leger en marine uitgebouwd en begon het Duitse rijk imperialistische neigingen te ontwikkelen. De Duitse samenleving militariseerde in hoog tempo. Ook eugenetica kwam in zwang. De eerste Wereldoorlog diende zich aan.

En pas na deze tragedie zou Duitsland pas echt nationalistisch worden. Katalysator in dit proces was ongetwijfeld de dolkstootlegende, de vernedering van de Duitsers bij de Vrede van Versailles. En natuurlijk bevond die dolk zich in vooral joodse handen.

De historicus Reinhart Koselleck, aldus Walser Smith, construeerde drie conceptuele assen aan de hand waarvan het Duits nationalisme kon worden toegelicht. De eerste as ging over voor en na: ervoor was het Duitsland van de statenbond dat na de Eerste Wereldoorlog diep vernederd was; erna lag het Derde Rijk in het verschiet dat Lebensraum had gecreëerd in het oosten vooral.

De tweede as ging over binnen en buiten. Hier waren de joden het slachtoffer, zij mochten niet meer meedoen. Duitsers verdrijven joden uit hun persoonlijke, sociale en gemeenschappelijke ruimte. De overheersers konden de verworpenen doden zonder een moord te plegen.

De derde as ging over boven en onder ofwel de verticale machtsverhoudingen. Als macht over een ander het vermogen is je wil te doen, tegen de wil en zelfs het verzet van de ander in, was de Duitse bezetting een extreme vorm van macht over anderen.

De genocide en de jodenmoord voltrok zich vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog en voltrok zich in een razend tempo. Half februari 1943 was zo’n 75 procent van alle joden die zouden omkomen in de holocaust al vermoord! De Wannsee inferentie vond plaats op 29 januari 1942.

Walser Smith stelt dat er geen bevredigend antwoord bestaat dat de genocide van de nazi’s op de Europese joden kan verklaren. De oorlog vormde een alibi, zonder oorlog geen holocaust schreef de historicus Yehuda Bauer. En daarnaast had Hitler in Mein Kampf al verdrijving, slavernij en uitroeiing in het vooruitzicht gesteld voor niet-Duitsers. Maar ik vermoed toch dat Walser Smith te weinig aandacht schonk aan het antisemitisme door de eeuwen heen. Hij vermeldt het telkens wanneer het waargenomen kan worden maar gaat niet op zoek naar onderliggende verklaringen. Terwijl men toch, zeker in Duitsland, op zijn minst kan veronderstellen dat het rabiate antisemitisme van Luther zijn uitwerking op de Duitse geest niet heeft gemist.

Er is wel wat voor te zeggen, voor het beeld dat de Duitse natie ontstond op de dag dat de Eerste Wereldoorlog begon, toen keizer Wilhelm II verklaarde: “Vandaag zijn wij allen Duitse broeders, en uitsluitend Duitse broeders”. En de Duitse jongemannen bleken maar al te zeer bereid zich op te offeren voor hun vaderland. Maar vier jaar later moesten de Duitsers instemmen met vredesonderhandelingen na de desertie van duizenden soldaten en verzet van mariniers. Dat leidde tot de Duitse Novemberrevolutie van 1918. In Weimar werd een grondwet voor de Duitse natie opgesteld. De natie werd soeverein verklaard. De Weimarrepubliek was geboren. Maar politiek bleef het extreem onrustig. In die jaren twintig vinden er meer dan twintig machtswisselingen plaats. En bij de Vrede van Versailles werd Europa voor de zoveelste keer herschikt in geografisch opzicht. Het afkalven van de waardering voor de democratie in de Weimarrepubliek kwam ook doordat de honderdduizenden oorlogsinvaliden niet het gevoel kregen dat er enige dankbaarheid voor hun opofferingen bestond. En veel van de vaderloze kinderen stapten maar wat graag de volgende oorlog in.

Hitler verscheen ten tonele en er zijn meer dan voldoende aanwijzingen dat hij zijn radicale antisemitisme vooral na de Eerste Wereldoorlog ontwikkelde. Hij sprak volkomen ten onrechte van een Joods ras en was er op grond van enkel vooroordelen van overtuigd dat de Duitsers het hogere en de joden het lagere ras vertegenwoordigden. En dus moesten de joden fysiek verwijderd worden opdat inteelt een halt kon worden toegeroepen. En uiteindelijk accepteerden en omarmden de Duitsers dat onvoorstelbare antisemitisme. En Hitler was nog niet aan de macht of dat antisemitisme explodeerde als het ware en de gretigheid waarmee de Duitsers dat verwelkomden was ronduit schokkend. Waar kwam dat ressentiment zo plotseling vandaan? Opnieuw, Walser Smith konstateert het maar geeft geen verklaring.

Een onvoorstelbare statistiek: het Russisch leger verloor in de eerste drie maanden van de Duitse invasie meer manschappen dan Frankrijk, Groot Brittannië en de Verenigde Staten samen op alle fronten gedurende de hele oorlog!

Het hoofdstuk Doodsruimtes is huiveringwekkend ondanks dat ik dit soort geschiedenissen al zo vaak heb gelezen. De Lebensraum voor de Duitsers was de Todesraum voor de joden, schrijft Walser Smith. Het was zoals Paul Celan ooit dichtte: “Der Tod ist ein Meister aus Deutschland”. Toen von Stauffenberg zijn aanslag op Hitler plande was nog maar dertig procent van alle Duitse soldaten die om zouden komen in de oorlog gesneuveld. In januari 1945 verloor Duitsland vierhonderdvijftigduizend soldaten, bijna evenveel als de Amerikaanse verliezen van de hele oorlog op alle fronten!

Twaalf miljoen Duitsers moesten hun woonoord verlaten en op zoek naar een onderkomen in het voormalige Duitsland. Vooral vanuit het oosten togen ze westwaarts om erachter te komen dat ze daar niet bepaald met open armen ontvangen werden. Zeker een half miljoen van de Volksduitsers kwam in deze chaos om, veelal door wraak en geweld. De Duitsers begonnen aan hun Vergangenheitsbewältigung die op indrukwekkende wijze gestalte en inhoud kreeg in de rede van Bundesprasident Richard von Weizsacker op 8 mei 1985. Eerder al had Bondspresident Willy brandt in 1970 diepe indruk gemaakt met zijn knieval voor het oorlogsmonument in Warschau.

In de epiloog gaat Walser Smith nader in op de AfD maar we mogen niet vergeten dat het illiberale en rechts-nationalistische populistische gedachtengoed wereldwijd in opmars is. Dat is bepaald geen Duits fenomeen, laat staan dat er sprake zou zijn van een herleving van nationaalsocialistische sentimenten. Ook al lopen er bij AfD genoeg zieke geesten rond die de Holocaust maar wat graag bagatelliseren.

Een voortreffelijke studie, dit Duitsland van Walser Smith dat weliswaar in een bestek van slechts vijfhonderd pagina’s ruim vijfhonderd jaar geschiedenis behandelt en dus per definitie niet volledig en uitputtend zijn kan. Maar hij is er wel in geslaagd inzichtelijk te maken hoe uiteindelijk het Dritte Reich kon ontstaan uit de chaos van de Weimarrepubliek, die schuchtere pogingen van de natiestaat die pas in 1919 haar Grondwet kreeg, nadat er in de voorgaande eeuwen slechts sprake was van een statenbond die deels samenviel met het Heilig Roomse Rijk en dat vage idee dat Germania genoemd werd. Deze studie gaat niet zozeer over staatslieden en oorlogen maar veel meer over de geest van mensen en hun geloof en ambities, hun misstappen en, altijd weer, de waan van de dag.

Maar, ik herhaal het nog maar een keer, hoe dat antisemitisme juist in Duitsland altijd maar onderhuids aanwezig was en vanaf 1933 zo kon exploderen, daarvoor heeft ook Walser Smith geen heldere verklaring.

Dit boek is overigens uitstekend vertaald door Auke Leistra (ik weet niet wat ‘vertaling nawerk’ precies inhoudt en kan dan ook niet inschatten wat de bijdrage van Annie Plasman – de Nijs Bik aan de vertaling behelsde) Dat neemt niet weg dat een vertaler naar mijn mening een term als ‘peripatetische etnografie’ (pag 269) niet zonder een toelichtende noot op kan nemen. Nu moest ik toch een naslagwerk raadplegen. Evenmin kon ik zelf beredeneren wat een ‘choropleten-kaart’ was (pag 281). En ook een woord als ‘sjibbolets’ op pagina 312 had wel een voetnoot verdiend. Maar voor het overige geen kritiek op deze zeer adequate vertaling.

 

Enno Nuy
December 2021