Atlas, 288 pagina´s

 

Robert Walser schreef aan het begin van de vorige eeuw in kranten en tijdschriften regelmatig columns en verhalen. Niet zelden gingen die verhalen over de liefde in al haar gedaantes en hoedanigheden. Een flink aantal van deze liefdesverhalen is onder gelijkluidende titel uitgebracht bij Atlas, vertaald – op meer dan voortreffelijke wijze – door Jeroen Brouwers.  Wie niet liefheeft – schrijft Walser – bestaat niet, is er niet, is gestorven. Wie zin heeft om lief te hebben staat op uit de dood, en alleen wie liefheeft, leeft.

Vaak schrijft Walser zijn verhalen als recensies van de colportageromans die hij las. Maar ook wanner hij een liefdesverhaal schrijft alsof het aan zijn eigen fantasie ontsproot, vertelt hij zijn verhalen zo compact mogelijk. Het zijn korte tot zeer korte verhalen. Niet alle toedrachten worden ons onthuld, ze doen er ook vaak niet toe. Als Walser beschrijft hoe een meisje filmster wordt, gaat dat zo: “Het meisje is gedwee en wordt ten gevolge van haar gedweeheid geschikt bevonden, om filmdiva te worden. Dit gebeurt als volgt: ze wordt ontdekt”. Punt. Heerlijk zo’n zin.

Walser is een taalkunstenaar die prachtige zinnen componeert, zinnen die je graag een tweede keer leest. Een voorbeeld van zo’n Walser-zin is de volgende: “In zoverre ze hem dan eens vertelde, dat ze een verrukkelijk mooie, snoepneuzerige, jeugdige handelsbediende boven alles had liefgehad, die zich echter misschien juist ten gevolge van de hoge graad harer toegenegenheid verraderlijk met een goedbezoldigde lerares in de echt verbond, en de tulbanddrager de schoonheid van deze vertelling zo innemend mogelijk met een dromerig toeluisteren beantwoordde, kreeg ze dit onbegrijpelijke individu meer dan ooit lief, die haar syllaben scheen in te drinken met de dorst der romantici, die zielloze zielen en een hartelijke harteloosheid als zonderlinge uitdossing bezitten, zoals een schrijfster van klasse dit in een langademig essay voor de eeuwigheid uiteen heeft gezet, waarvoor men haar passende bijval betuigde”. Ja, dat is nog eens een zin, daar heeft niet iedereen trek in en voor velen zal hij te moeilijk zijn maar ik houd daar wel van.

Op literaire wijze vat Walser de verhalen uit flutromannetjes samen en weet ze zo op te dissen als heerlijke geschiedenissen, ook al gaan er daarvan dertien in een dozijn. Een prachtig voorbeeld is Het spoorbaanavontuur waar Walser een kortstondig en vluchtig maar even zo intens verhaal vertelt van een erotische rencontre in een treincoupé. En in Een dekselse geschiedenis vertelt hij in tweeëneenhalve pagina een prachtige Scandinavische familiesaga, met heerlijke taalvondsten zoals: “nu Deent en Zweedt het…”

Waar het schmieren soms niet van de lucht is, houdt Walser er evenzeer van zo tegendraads mogelijk te schrijven, bijvoorbeeld in Parcival schrijft aan zijn vriendin, waarin Parcival omstandig uitlegt dat hij zielsveel van haar houdt maar dat de vlam tegelijkertijd een beetje eentonig wordt. En trouwens: “Waarom jezelf in beweging zetten, om in te palmen wat je al bezit?” Dodelijke zin.

Walser heeft een voorliefde voor vrouwen die de aangeboden liefde versmaden en masochistische verliefden die juist dat versmaden heerlijk vinden: “Ik zou zelfs wensen, dat ze met haar ongunstige taxering gelijk heeft; ik zou dan heel, heel diep aan haar onderworpen zijn, ik verlang dan ook naar kleinheid, nederigheid voor haar, opdat ze altijd de verhevene blijft, ik mijn ‘ideaal’ behoud, zonder hetwelk ik natuurlijk ook zou existeren”.

Deze verhalen staan ook vol met prachtige aforismen zoals: “In sterke mate bezit iemand slechts wat hem ontbreekt, omdat hij het zoeken moet”. Of: “De uitstalling van deugd door een man, alsof zijn deugd een schilderij en hij de muur is, waaraan deze afbeelding bevestigd is, heeft voor een vrouw iets revolterends”. Of: : De deugd heeft altijd iets erbarmelijks over zich, en de ondeugd bezit van oudsher iets verrukkelijks en meeslepends, waarbij ik natuurlijk het behoudende standpunt van staatswege buiten beschouwing laat”.

Jeroen Brouwers behoeft geen nadere toelichting natuurlijk. Een van de grootste stilisten van het Nederlands taakgebied. Prachtige vertalingen als “het vallengelatene”, “betongelen” en “na toegevoorhoofdfronst te zijn” maken dit boek tot een genot om te lezen.

 

Enno Nuy

Oktober 2013