Uitgeverij van Gennip, 286 pagina’s

Eerste uitgave 1934 Boedapest

 

Weer zo’n schrijver uit het interbellum waar je de vingers bij aflikt. Werd er überhaupt wel slecht geschreven in die jaren? Ik kan het nauwelijks geloven. Antal Szerb, geboren uit Joodse ouders in1901 en in 1945 omgekomen (doodgeslagen) in een werkkamp in Hongarije, heeft te kort geleefd om een groot oeuvre na te kunnen laten. Een van de vele wreedheden en misdaden van een pervers systeem dat zoveel mensen de dood injoeg en het nageslacht beroofde van kunst die nimmer meer geschapen kon worden. In de Pendragonlegende voert Szerb zichzelf op als János Bátky, een wetenschapper in de letteren die studie maakte van middeleeuws mysticisme. Het hele palet van de Rozenkruisers tot de Vrijmetselarij passeert in deze roman die zich grotendeels afspeelt in het vooroorlogse Wales, het gebied rond Glyndyfrdwy, in het Engels Corwen (zie foto) geheten. Deze János Bátky doet precies wat Antal Szerb gedaan heeft voor hij in staat was om deze roman ook maar te schrijven. Hij onderzoekt de Rozenkruizerslegende en voert een groot aantal personages op die in de achterliggende eeuwen een grote rol hebben gespeeld in het ontstaan van deze mystieke legende: Robert Fludd, Paracelsus, Lenglet de Fresnoy, de Earl of Gwynedd, en zo voorts.

De Pendragonlegende is een ongekend spannende avonturenroman over de zoektocht van de mens naar de onsterfelijkheid, het eeuwige bestaan (de natuur overwint de natuur) en de alchemistische wens om goud te kunnen maken. Het draait allemaal om een  erfenis en familievetes maar eigenlijk doet dat er weinig toe. Dat is slechts het decor. Waar het om gaat is de wijze waarop Szerb een roman geschreven heeft op basis van historisch verifieerbare personen en geschiedenissen, personen en geschiedenissen die hun invloed ook zoveel jaren – eeuwen zelfs – later nog doen gelden. Deze Hongaar schreef een buitengewoon ingenieuze roman die zich in de jaren voorafgaande aan de tweede wereldbrand in Engeland afspeelt. Szerb geeft je het gevoel die Engelse samenleving op zijn duimpje te kennen, de roman leest als door een Engelsman geschreven. De schets van het bijna Dickensiaanse London en de beschrijvingen van de bijna mythische natuur van Wales, het is een genot om te lezen.

Zoals het ook een genot is om de verschillende personages uit deze merkwaardige geschiedenis te leren kennen. De upper stiff lip, Earl of Gwynned, de vrijgevochten nieuwe zakelijkheid van Lene Kretzsch, de puissant rijke en onverbeterlijke Eileen Roscoe, de geveltoerist en bedrieg Maloney uit Connemara en tientalle andere figuranten, de een nog schilderachtiger dan de ander maar stuk voor stuk voortdurend geloofwaardige karakters. Het plot mag, met name in de slothoofdstukken, hier en daar wat al te gekunsteld zijn, het is Szerb volgaarne vergeven. Dit is een wervelende roman die ook 70 jaar nadat hij verscheen nog uiterst leesbaar is.

Hoe jammerlijk toch dat dit literaire talent slechts zo kort mocht leven. Meteen zijn tweede roman besteld, Reis bij maanlicht. U hoort daar nog van.

 

Enno Nuy

Januari 2007