De bezige bij

446 pagina’s

 

Niet eerder las ik werk van Jan Siebelink ofschoon hij mij om een of andere, niet geconcretiseerde reden sympathiek en als schrijver de moeite waard toescheen. Op zijn eigen website schrijft de schrijver over zichzelf: “Ik verwierf mij er (Een lust voor het oog 1977 – e.n.) een plaats mee naast Bordewijk die mij inspireerde bij de naamgeving van de personages. De ontwikkeling van het schoolthema (van Mammoetwet tot en met studiehuis) is ook interessant omdat zij mijn groei aangeeft van gekwelde dandy (in Een lust voor het oog) tot bezonnen commentator en scherp waarnemer (in Laatste schooldag, 1994)”. Op diezelfde website heeft hij het ook over zij grote romans zonder dat duidelijk wordt of hij het adjectief hier overdrachtelijk of juist niet bedoeld heeft; ik vermoed nu dat hij dat met opzet in het midden liet. Of hij met deze woorden gelijk heeft doet niet zo zeer ter zake, het kan echter beter over je gezegd worden dan dat het een zelfverklaard oordeel is. Om maar met mijn oordeel te beginnen: Jan Siebelink heeft met dit boek een kolossale roman geschreven, terecht geroemd en bekroond.

Het centrale thema – de vader die op een zomerse namiddag Gods Troon heeft mogen aanschouwen en vanaf dat moment zijn leven in dienst van de ware geloofsbelijdenis stelde, ongeacht de gevolgen daarvan voor zijn huwelijk en zijn gezin – beschreef Siebelink al eerder, onder andere in De bloemen van Oscar Kristelijn. In deze autobiografische roman beschrijft hij de persoonlijke geschiedenis van zijn vader en het gezin waarin hij opgroeide. In fraai proza, mooi onopgesmukt taalgebruik.

Elsbeth Etty onderzoekt in de NRC van 30 december 2005 de achtergronden van het succes van deze nieuwe roman van Siebelink. In identificatie (alleen) kan het niet liggen. Wie immers kan zich anno 2006 nog identificeren met een aan een zwaar calvinisme verslaafde man; dat milieu hebben we immers in talloze eerdere romans reeds achtergelaten. Knielen op een bed violen blijkt gewaardeerd te worden door protestanten, katholieken en ongelovigen (niet bekend is of ook moslims dit soort literatuur aanschaft, het is niet erg waarschijnlijk). Etty veronderstelt dat het succes van de roman verklaard kan worden uit onze behoefte aan verwerking en begrip van onze geschiedenis. De integratieproblematiek heeft ons ongenadig hard geconfronteerd met vrijheid en de grenzen daarvan, aldus Etty. “Siebelinks roman”, schrijft zij, “is geen religieuze apologie, integendeel, maar ook geen afrekening met het geloof der vaderen zoals we die uit het werk van Jan Wolkers en Maarten ’t Hart kennen. Knielen op een bed violen is Siebelinks en misschien wel ons aller Áfscheid van domineesland.’” In een radiorapportage hoorde ik een Nederlandse moslima verklaren dat wij in ieder geval ons voordeel zouden kunnen doen met het onder invloed van de islam weer volop in het centrum van de aandacht geplaatste thema ‘religie’.

Het zal allemaal wel maar ik heb niet het gevoel dat het deze redenen zijn die mij de roman van Siebelink zo doen waarderen. Ofschoon katholiek opgegroeid en opgevoed, onder andere door paters bij wie ik het onderwijs genoot beschouw ik mijzelf reeds zeer lang als ongelovig, een agnosticus. Ik ken mijn geschiedenis goed, zowel de persoonlijke als de vaderlandse. Ik heb geen behoefte aan enige afrekening, die voltrok zich reeds ten tijde van mijn verblijf bij de paters. Neen, het is veeleer de diep menselijke kant van deze bij tijd en wijle gitzwarte roman. Ik geloof ook niet dat Siebelink zelf een rekening te vereffenen had.

Hoe bizar de wederwaardigheden van Hans Sievez ook mogen zijn, hoezeer je als lezer ook meeleeft met zijn echtgenote en kinderen, nergens in de roman voel je de behoefte deze Sievez af te wijzen, te verwerpen. Ook Margje, de echtgenote, is niet tot een dergelijke houding in staat. Als haar zoon haar na het overlijden van haar echtgenoot aan het somtijds moeilijke van diens karakter herinnert, irriteert haar dat: hoe kan hij op zo’n moment daar nu nog naar teruggrijpen, wie heeft daar nu nog behoefte aan? Zij voorzeker niet! Dat ligt overigens anders voor de jongste zoon, die zich door zijn vader niet gewenst voelde en die zich ostentatief tegen hem verzet en zijn geloof voortdurend belachelijk probeert te maken. Desondanks kan deze ‘verloren zoon’ het opbrengen zijn vader op diens sterfbed liefdevol te scheren.

Siebelink is erin geslaagd zijn hoofdpersoon tot leven te wekken en hem volstrekt geloofwaardig te schilderen, ook in diens verslaving aan zijn extreme geloofsbelijdenis. Dat Siebelink hier zo wonderwel in slaagt komt juist door zijn gevoel voor menselijkheid: voortdurend blijkt Sievez te twijfelen, aan zichzelf, aan zijn geloof en geloofskracht, aan de rechtvaardigheid van zijn geloof jegens zijn omgeving; voortdurend blijkt hij zich bewust van wat hij zijn vrouw en gezin aandoet maar hij kan niet anders dan zijn weg vervolgen, hoezeer het hem ook spijt, hoezeer het ook pijn doet.

De wrevel, ergernis, ja soms de woede wordt geheel afgewenteld op die duistere figuren in zwarte, doorgaans smoezelige kleding met hun zwarte hoeden en eindeloos gepreek in werkelijk gitzwarte taal. Mensen die zeggen te leven voor de liefde van en voor de Heer maar die eigenlijk iedere sterveling volstrekt onwaardig achten de liefde van de Heer ter ondergaan. Mannen die nergens, op geen enkel moment blijk kunnen geven van ook maar het geringste gevoel van medeleven, mededogen; mannen die de menselijke maat ontstegen zijn, volkomen uit het oog verloren hebben. Heel even, als Hans Sievez overleden is, keert Mieras terug op zijn schreden en spreekt dan vermoedelijk voor het eerst en het laatst in zijn leven de menselijke woorden uit: “Mevrouw, ik ben bedroefd. Uw man, Hans, was niet de eerste de beste.”

Het is voorwaar knap hoe Siebelink deze oefenaren, predikers en aanzeggers laat spreken. Heeft hij daartoe tal van preken bestudeerd of het allemaal uit zijn geheugen opgediept, reeds destijds aantekeningen gemaakt, het is immers in belangrijke mate een autobiografische roman? Het lijkt taal uit lang vervlogen tijden maar vergis u niet: nog in deze dagen wordt deze taal gebezigd. Nog geen tien jaar geleden overleed een goede vriend, geboren en getogen in het land van de regenwulp, de Leidschendamse tak. Nog hoor ik de oefenaren die hem destijds aan zijn doodsbed bezochten en vrijwel dezelfde taal uitslaan als Mieras en de zijnen Hans Sievez toevoegden!

Zoals gezegd, een prachtige roman, de grote roman van Jan Siebelink. Prachtig voor wie zich interesseert voor de individuele mens en de manier waarop deze zijn of haar persoonlijke geweten inricht en volgt; prachtig voor wie de wereld van Hans Sievez een klein beetje of van meer nabij kent; prachtig voor wie die wereld niet kent en er met verbazing kennis van wil nemen; prachtig voor wie houdt van waar dit boek over gaat: liefde.

 

Enno Nuy 31 december 2005