Van Gennep,423 pagina´s

 

Anna Seghers is het pseudoniem van Netty Radvanyi, geboren Reiling. Zij was een (deels) joods communiste, geboren in 1900. Zij kon dus niet rekenen op enige clementie van de zijde van de nazi’s en vluchtte na een korte gevangenschap naar Parijs vanwaar ze uiteindelijk in 1940 via Marseille naar de Verenigde Staten emigreerde. Na de oorlog keerde zij terug naar Europa en werd overtuigd burger van de DDR. Zij schreef vele boeken tot op hoge leeftijd en was een enthousiast pleitbezorgster van Stalin. Anna Seghers is bekend geworden door twee boeken, Het zevende kruis en Transit, beide voorbeelden van Exilliteratur. Dit boek speelt zich af in 1937 en vertelt het verhaal van een ontsnapping van zeven gevangenen uit het concentratiekamp Westhofen. Zes van hen worden al snel gepakt, de zevende, Georg Heisler lijkt uit de klauwen van de hem achtervolgende Gestapo te kunnen blijven. Hoe het uiteindelijk met hem afloopt, word je pas op de laatste bladzijde van dit ongekend spannende en beklemmende boek gewaar. Ik las het boek in één ruk uit. Spannend is het vanwege de knappe vertelstijl van de schrijfster en beklemmend vanwege haar schildering van de Duitse samenleving in 1937, toen de nazi’s al meer dan stevig in het zadel zaten en het leven van alle mensen in een wurggreep hadden genomen, allesbeheersend, niets ontziend.

Zij beschrijft wat Ian Kershaw later in zijn indrukwekkende studie Tot de laatste man boekstaafde: “De volstrekte macht van de partij over de Duitse samenleving kwam tot stand en uitdrukking via 42 Gauen (regio’s), 808 districten, 28.376 lokale groeperingen en 397.040 zogenaamde blokken. In juli 1944 waren er 40.000 mannen en 140.000 vrouwen actief in dienst van de partij en zij vormden een belangrijk instrument in de totale controle van de samenleving”. Die totale greep op de samenleving was in 1937 al gesmeed en Seghers beschrijft dit proces op een ongekend beklemmende wijze. Niemand durfde een ander nog te vertrouwen, iedereen bezigde het “Heil Hitler”, al was het maar om geen argwaan op te wekken. Maar de scheidslijnen liepen dwars door families en gezinnen. Het kleinere broertje van Georg Heisler hoopt dat zijn broer opgepakt wordt.

Het is bijna onvoorstelbaar dat er desondanks nog mensen leefden die bereid waren hun principes en moraliteit niet te verloochenen, die de moed hadden die nazi volkswil te trotseren. Die bereid waren met gevaar voor eigen leven kameraden in nood, zoals Georg Heisler, te helpen vluchten. Seghers brengt dat tot uitdrukking in haar laatste zin: “We voelden allemaal hoe diep en verschrikkelijk uiterlijke machten de mens tot in zijn binnenste kunnen raken, maar we voelden ook dat er in dat binnenste iets school wat onaantastbaar en onkwetsbaar was”. Maar toen was het nog maar 1937. Seghers publiceerde Het zevende kruis in 1947. Vrij Nederland schreef terecht: “Het grijpt naar de keel, van de eerste tot de laatste bladzijde. Een waarschuwing, dit boek”. Vooral die laatste woorden zijn zeer op hun plaats.

 

Enno Nuy

Augustus 2013