De in 1944 in Wertach im Allgau geboren W.G. Sebald herinnert zich uit zijn vroegste jeugd eerder de schaduwen van de door hem nimmer beleefde vernietiging van de Duitse steden door met name de Engelse bombardementen dan de schoonheid van de Beierse Alpen. In een aantal colleges voor de Universiteit van Zürich besteedt hij aandacht aan dit door Bomber Harris ontwikkelde concept van een gruwelijke vernietigingsdrang. Ontwikkeld op het moment dat de Britten nog niet over de middelen en de capaciteit beschikten om deze vernietigingsverschrikking ten uitvoer te brengen. Een oorlogsconcept dat vaak – en terecht – ter discussie stond maar niet meer te stoppen was toen de Britten eenmaal wél over de daarvoor benodigde middelen en capaciteit konden beschikken. Zeker in de laatste jaren van de oorlog waren de geallieerden technisch in staat tot precisiebombardementen; hadden infrastructuur en industriële complexen probleemloos vernietigd of onklaar gemaakt kunnen worden zonder de noodzaak van honderdduizenden burgerdoden. Op dezelfde wijze zouden ook de toegangswegen tot de concentratiekampen onherstelbaar beschadigd kunnen worden en daarmee vrijwel zeker de dood van honderdduizenden joden en andere slachtoffers van deze executie-oorden verijdeld kunnen worden. Het geschiedde evenwel anders.
In “De natuurlijke historie van de verwoesting” gaat Sebald in op het uiterst merkwaardige fenomeen dat de bijna letterlijk onbeschrijfbare vernietiging van alle grote Duitse steden vrijwel onmiddellijk uit het Duitse geheugen werd gewist. Niet alleen zwegen de Duitsers zelf over deze onvoorstelbare verschrikking; ook de Duitse schrijvers zijn er niet in geslaagd deze periode van absolute waanzin op schrift te stellen en daarmee de Duitsers een gelegenheid te bieden deze tragedie te verwerken.

In een tweetal indrukwekkende hoofdstukken tracht Sebald de contouren van deze periode te beschrijven en gaat hij in op de wijze waarop het Duitse volk – soldaten, burgers, journalisten en schrijvers – hiermee om is gegaan. In een aantal passages biedt hij een voorzichtige doorkijk op hoe de werkelijkheid van Hamburg, Berlijn en Dresden tijdens en na de bombardementen geweest moet zijn. Hij beschrijft hoe moeders hun weggevaagde stad ontvluchten en in hun koffers hun verbrande baby’s meedragen. Niemand die weet hoe en of deze moeders er ooit in geslaagd zijn weer een enigszins genormaliseerd leven te leiden. Hoe daags na een bombardement een vrouw de ramen lapt van haar huis dat als enige in een onvoorstelbare verwoesting overeind is blijven staan. Hoe een trein vol Hamburgers terugkeert naar de stad om wat er van hun huizen overbleef weer te betrekken en hoe niemand uit het raam kijkt, hoe niemand wil zien, kan aanschouwen hoe hun vertrouwde omgeving in een inferno is veranderd.

Sebald beschrijft hoe de Duitse schrijvers niet bij machte zijn gebleken deze waanzin te beschrijven. Een deel van de schrijvers was meer bezig met het creëren van een beeld van hun eigen positie tijdens en vlak na de oorlog. Zij bleken te zeer vereenzelvigd met deze onzalige periode uit de Duitse geschiedenis en hadden zichzelf dermate gecompromitteerd dat zij in de naoorlogse periode geestelijke en intellectuele salto mortale’s moesten uithalen om hun houding en positie achteraf te kunnen rechtvaardigen of bijstellen. In een bijlage bij dit boek verhaalt Sebald van de schrijver Alfred Andersch. Het is buitengewoon pijnlijk, onthutsend en gênant om te lezen hoezeer deze schrijver, die zichzelf een groter genie vond dan Thomas Mann, zich compromitteerde, diskwalificeerde en buiten de werkelijkheid stelde.

Een van de weinige schrijvers die wel over deze periode schreef was Heinrich Böll in Der Engel schwieg. Dit boek verscheen echter ruim veertig jaar na de oorlog! De laatste tijd wordt dit thema van de vernietigingsoorlog in Duitsland vaker aan de orde gesteld maar daarbij gaat het er nogal eens om de Duitsers niet alleen als daders maar ook als slachtoffers voor te stellen. Sebald blijft ver van deze schimmige benadering verwijderd. Hij verbaast zich erover dat deze zinloze vernietiging van Duitse steden en Duitse burgers (zinloos, met name ook vanuit het technisch perspectief van efficiënte oorlogsvoering) niet op veel meer verzet is gestuit, zowel ten tijde van als ook na de oorlog. Maar het gaat hem er niet om de weggebombardeerde Duitsers als slachtoffers voor te stellen. Ook verbaast hij zich over de bijna vanzelfsprekendheid waarmee de Duitsers dit lot leken of schenen te aanvaarden; als een massaal mea culpa, een over zichzelf afgeroepen lot waarover men zich niet beklaagt. Vooral is het hem te doen om de gevolgen van dit collectieve zwijgen voor de Duitse psyche. Natuurlijk is het inmiddels, tragisch genoeg, een bekend fenomeen dat mensen traumatische ervaringen kunnen verdringen, doodzwijgen als het ware met alle gevolgen van dien. Maar dat een volk collectief zwijgt over een zo onvoorstelbare herinnering uit haar recente

Enno Nuy 2004