Aan de wandel in een druilerig Sneek zie ik in de plaatselijke boekhandel opeens een nieuwe van Allard Schroeder liggen. Geen sekonde geaarzeld na de weldadige leeservaring van de Hydrograaf en Grover. En ofschoon ik belangwekkend leesvoer had meegenomen (onder andere de Opstandigen van Sandor Marai en Hotel Savoy van Joseph Roth, toch niet de eersten de besten) besloot ik bij thuiskomst in ons tijdelijke onderkomen te Hommerts – wat lintbebouwing langs een Friese provinciale weg – maar meteen te beginnen. En zoals tot nog toe bij het lezen van Schroeder: ook dit boek in twee dagen uitgelezen en wat een schitterende roman, waartoe het volgende.

In feite wordt het boek reeds op de eerste anderhalve pagina beschreven wanneer hij verhaalt van de zonderlinge bevalling van de moeder van de hoofdpersoon. De overige 413 pagina’s vertellen dan het feitelijke relaas, het relaas van een loser waarvan je je al snel afvraagt: gaat Schroeder erin slagen mijn aandacht vast te houden met een dergelijke hoofdpersoon? Raaf is treurig, deplorabel, beklagenswaardig in zekere zin, een lafaard ook, onaangenaam en geregeld ronduit onsympathiek en toch ontstaat in het boek een man van vlees en bloed die je langzaam maar zeker gaat begrijpen en van wie je aanvaardt dat hij handelt zoals hij doet, onvermijdelijk en onontkoombaar.

Ontroerend en prachtig is de beschrijving door Schroeder van de vriendin van Raaf, Irene, bij wie hij een zoon heeft. Lange tijd denk je dat deze zoon het enige echte slachtoffer is maar zekerheid daaromtrent hebben we niet. Schroeder laat het aan de jongen zelf over en geeft je als lezer het gevoel dat ook hij zich wel op een of andere manier zal redden.
Maar als gezegd, in de beschrijving van Irene, schetst Schroeder een prachtig beeld van een sterke en tegelijk onmachtige vrouw die je langzaam maar zeker als een heldin gaat ervaren en wiens lot je met angst en beven volgt. Ook een volstrekt geloofwaardige schets van hoe een mens langzaam maar zeker tot een dolende, een dakloze, een afwezige wordt!

Ofschoon verliezers in dit prachtige boek de hoofdrol opeisen, gaat het boek toch vooral over overleven. Raaf zelf is zo’n overlever en waar sommige romans hoofdstukken lang een (gedenk)waardig en geloofwaardig slot beloven om vervolgens gewoon dood te bloeden, slaagt Schroeder erin het verder schrijven aan deze roman op een inderdaad volstrekt geloofwaardige manier te beeindigen. Hoop biedt hij niet, waaruit zou je hoop moeten putten, anders dan uit jezelf, zo lijkt zijn motto. En wie zou hem daarin tegen willen spreken?

Een spannend boek ook maar ik zal hier niets over de inhoud of het plot vertellen. Het boek is in 2003 gepubliceerd en ik vraag me af wanneer hij zijn manuscript heeft ingeleverd. De roman staat vol met korte intermezzo’s waarin hij de hitte en de gevolgen daarvan voor mens en omgeving beschrijft; en later in de roman intermezzo’s over de regen die de hitte naar het verleden dringt. Prachtig proza waarvan ik me voor kan stellen dat de afgelopen zomer hier de voedingsbodem voor vormde.

Een groot schrijver, kortom maar dat schreef ik reeds eerder. Hij stelt ons niet teleur!

 

Enno Nuy 2003