Roth, Joseph – Rechts en Links

image_pdfDit artikel downloadenimage_printDit artikel uitprinten

Uitgeverij Atlas, 224 pagina’s

 

Joseph Roth, de chroniqueur van het interbellum bij uitstek.  Nu ben ik, zelf geboren in 1950, van jongs af aan al gefascineerd door schrijvers uit dat tijdperk. De tweede wereldoorlog was in mijn jeugd nog zeer nadrukkelijk aanwezig en ook al duurt het dan nog even voordat je besluit je daarin te verdiepen, eenmaal daaraan begonnen blijkt het dan onvermijdelijk het perspectief steeds verder terug te leggen: Serajevo, de aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog, de boeken van Céline, Louis Guilloux en Barbellion, reizen door Noord Frankrijk en museumbezoek en dan al die prachtige schrijvers uit het interbellum: Joseph Roth, Krleza, Antal Szerb, Sandor Marai, Dezsö Ksztolányi.

Van Roth heb ik alle publicaties gelezen die hier uitgebracht zijn, ze zijn me dierbaar en het is telkens weer een genot hem te lezen. Ofschoon ik mezelf geen kenner va dat tijdperk mag noemen, heb ik toch het gevoel iets te begrijpen van die onvoorstelbare periode uit onze recente geschiedenis, het schier eindeloze rijk dat door die merkwaardige Dubbelmonarchie bestierd werd. En wanneer je dan weer een nieuwe roman van Joseph Roth onder handen krijgt, denk je automatisch: ja, zo was het daar en in die jaren. De wereld die Roth beschrijft kent zo oneindig veel facetten en kleuren en dat hele spectrum is terug te vinden in zijn talrijke publicaties. En zo lijkt het alsof wie houdt van het werk van Joseph Roth, bij iedere nieuwe roman het gevoel krijgt terug te keren naar een enigszins vertrouwde wereld.

Rechts en links verscheen voor het eerst in 1929 en beschrijft de wederwaardigheden van een nazaat van een kleine bankier, Paul Bernheim die terugkeert uit de Eerste Wereldoorlog, de bank van zijn vader na diens overlijden overneemt om vervolgens te moeten toezien hoe de gevolgen van de geldontwaarding om zich heen slaan en oude glorie doet verdwijnen waarvoor slechts onzekerheid in de plaats treedt. Maar veel meer nog is dit de geschiedenis van Nikolai Brandeis, een emigrant uit het verre Rusland, die met een zekere verbazing om zich heen kijkt en een scherp inzicht in de menselijke drijfveren paart aan de durf om in te grijpen in zijn eigen leven beslissingen te nemen en ze direct ten uitvoer te brengen.

Joseph Roth heeft prachtige taal tot zijn beschikking om te beschrijven hoe mensen hun lot ondergaan en tot welke persoonlijke gevolgtrekkingen dat leidt. Uiterst knap is de wijze waarop hij laat zien hoe sociaal-maatschappelijke en politieke ontwikkelingen het leven van individuen tekenen. En dit vermogen om taal als een penseel te gebruiken leidt niet zelden tot scherpe waarnemingen, rake typeringen en een bijzondere wijsheid in het schetsen van de menselijke psyche. Nooit vliegt hij ronkend uit de bocht als het er om gaat zijn hoofdpersonen te beschrijven, hoe onaangenaam ze soms ook mogen zijn, Roth beschrijft ze altijd met op zijn minst een zekere mededogen. In Rechts en links geldt dat bijvoorbeeld de broer van Paul, Theo Bernheim. Inderdaad, een onaangenaam sujet waar ook de schrijver weinig mee op lijkt te hebben. Maar zijn beschrijvingen van deze ietwat tragische meeloper verliezen nooit hun reële proporties en het blijkt met name Nikolai Brandeis te zijn die hem zodanig relativeert dat er nauwelijks nog enige bedreiging van deze potentiële bruinhemd uitgaat.

Deze roman heeft dus weer eens een schitterende figuur opgeleverd, die zich een mooie vrouw verwerft door haar in haar bijzijn van haar vriend tegen betaling over te nemen en die over dat merkwaardige vermogen beschikt om macht en rijkdom te verwerven in een tijd dat het iedereen alleen maar slechter lijkt te gaan. In een zeldzaam moment van openhartigheid  merkt hij op: “Hebt u er wel eens over nagedacht waarom ik zo rijk ben geworden? U houdt mij voor een groot koopman, nietwaar? U vergist zich, kolonel! Ik heb alles te danken aan de weerloosheid en de onmacht van de mensen en hun instellingen”.

Prachtig, zulke zinnen waarop Joseph Roth een patent lijkt te hebben. Des te merkwaardiger is de flaptekst waarin te lezen is dat Paul Bernheim zich tot een buitenstaander wendt: “een woekerhandel drijvende Russische vluchteling wiens adviezen afwisselend winstgevend en rampzalig blijken te zijn. Bernheim realiseert zich, te laat om het tij te keren, dat hij bedrogen is door een meester in de kunst van de manipulatie”.  De schrijver van deze woorden heeft een ander boek gelezen dan ik. Want het is juist Brandeis die ervoor zorgt dat Paul Bernheim een boel over zichzelf te weten komt. En van bedrog is al helemaal geen sprake, ook al lijkt het citaat hierboven daar wel op te wijzen.

 

Enno Nuy

September 2009

2018-11-02T10:58:50+00:00