Roth, Joseph – Radetzkymars

image_pdfDit artikel downloadenimage_printDit artikel uitprinten

Pandorapockets 1994

Vertaling W. Wielek-Berg

Joseph Roth, Benno Barnard, Wojtila en de Radetzkymars

 

Joseph Roth werd als zoon van een Oostenrijker en een Russische jodin geboren in 1894 in Brody, Galicië en diende tijdens de eerste wereldoorlog in het keizerlijk leger. Hij werd krijgsgevangene van de Russen en heeft na de oorlog lange tijd als journalist gewerkt in Duitsland – voor de Frankfurter Zeitung – in welke jaren hij vele reizen maakte en veel publiceerde. Het beste uit dat werk is bijeengebracht in Waarnemer van zijn tijd. Daarnaast schreef hij een aantal romans waarvan Radetzkymars wordt beschouwd als zijn grootste en belangrijkste werk. In 1933 verliet hij Duitsland voorgoed omdat de politieke situatie hem steeds meer in het nauw bracht. Aanvankelijk week hij uit naar Wenen maar woonde nadien afwisselend in Amsterdam en Parijs, in welke laatste stad hij in 1939 onder armoedige omstandigheden overleed; hij sloeg de hand aan zichzelf en stierf in een Parijs’ ziekenhuis, met leren riemen vastgebonden op een hospitaalbed.

Radetzkymars beschrijft de levensloop van drie generaties von Trotta ten tijde van de dubbelmonarchie, wier leven in belangrijke mate bepaald werd doordat opa von Trotta de jonge keizer Franz-Joseph bij de slag om Solferino het leven redde. De wederwaardigheden van de grootvader, diens zoon en kleinzoon zal ik hier niet verder toelichten. Ze zijn in prachtig proza geschilderd door Joseph Roth, een ongekend stilist die met mildheid, liefde, ironie en soms cynisme schrijven kan over een prachtige periode in de geschiedenis. De wijze waarop hij het leven van deze generaties schilderde is ongeëvenaard en doet niet onder voor het werk van andere grote schrijvers in de traditie van de Oude Wereld zoals bijvoorbeeld Thomas Mann, Musil, Kafka enzovoort. Hier slechts een enkel voorbeeld van dit prachtige proza: “Donkerder kleurde zich de schemering. De zwarte japon van mevrouw Eva Demant vloeide erin over. Nu was zij gekleed door de schemering zelf. Haar witte gezicht zweefde naakt, ontbloot, op het donkere oppervlak van de avond”. Me dunkt dat ook de vertaalster hier prachtig werk heeft verricht.

Een van de vele redenen waarom dit zo’n prachtig werk is, is nu juist die geschiedenis van de dubbelmonarchie, ook wel de Donaumonarchie genoemd. Hieromtrent leven vele misverstanden. Zo noemt Benno Barnard deze periode “de ideaalst haalbare samenleving, althans voor die tijd”. In zijn Huizinga-lezing in december 2002 stelt hij: “De dubbelmonarchie, het keizerlijke-en-koninklijke (k.u.k.) Oostenrijk-Hongarije, Kakanïe gedoopt door Robert Musil, met zijn dubbele adelaar, zijn almaar doorlevende apostolische vorst, zijn schitterende kunstenaars, zijn talloze talen en volkeren, zijn geslacht Strauss; en niet te vergeten zijn hypocrisie, eigen aan een land waar het biechtgeheim gold”.

Nu zou het onzinnig zijn de grootsheid van deze periode te ontkennen of te relativeren: het relativeren doet de geschiedenis zelf wel voor ons maar of deze Donaumonarchie nu zo’n ideale samenleving was, dat waag ik te betwijfelen. Van Roth wordt vaak beweerd dat hij eigenlijk in nostalgie naar die vervlogen tijden zou hebben geleefd en zich meer thuis voelde in het k.u.k. Oostenrijk-Hongarije dan in de bizarre tijden die daarna volgden, zeg maar vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog. Ik ben zo vrij daar vraagtekens bij te plaatsen. Zeker, Roth schrijft als gezegd met liefde en mildheid over zijn personages maar tegelijkertijd schildert hij tevens hun karakters tegen de achtergrond van de tijd waarin zij leefden en daarin stelt hij zich genadeloos op zonder zijn mildheid te laten varen. Ook geeft hij er voortdurend blijk van zich te realiseren hoezeer die vredige rust, die van de k.u.k. samenleving uitging, een schijnvredige rust was, waarachter het overal in het rijk onrustig was en waarachter een continu gistingsproces van beweging, onrust, vrijmaking, emancipatie en frustratie schuil ging.

De geschiedenis van Oostenrijk mag men met recht een turbulente geschiedenis noemen. Bezien we alleen de periode vanaf de Franse revolutie, die ook oversloeg op Oostenrijk, dan zien we een rijk dat kromp en uitzette in een waanzinnig tempo, begeleidt en veroorzaakt door politieke en maatschappelijke turbulenties die bij dat tempo hoorden. Nadat Windisgrätz de revolutie in Wenen had neergeslagen, deed Ferdinand I afstand van de troon. Hij werd opgevolgd door Franz Joseph I in 1848, die koning en keizer was tot het jaar waarin hij stierf, 1916. In Noord Italië wist de bekwame Radetzky zowel de revolutie als Sardinië te weerstaan en dat inspireerde Johann Strauss tot diens Radetzkymars. Tegelijkertijd mislukte de Hongaarse afscheiding door Russische interventie. De Russen waren de Oostenrijkers ook van dienst in Duitsland door Pruisen te dwingen tot het accepteren van de Duitse Bond en haar uniepolitiek af te zweren. Tijdens de Krimoorlog (1853 – 1856) isoleerde Oostenrijk zich echter door een anti-Russische stellingname. Vervolgens verdreven de Fransen en Sardijnen de Oostenrijkers uit Italië, werden de Slavische en Hongaarse minderheden steeds deloyaler door de starre autoritair-bureaucratische monarchie en verloor Oostenrijk tot slot Lombardije. In 1866 leidde de oorlog tussen Oostenrijk en Pruisen, smadelijk door de Oostenrijkers verloren, tot nieuwe gebiedsopdelingen. In 1867 werd besloten tot de Ausgleich en de facto leidde dit tot de Donaumonarchie, vanaf dat moment Oostenrijk-Hongarije geheten. De monarchie bestond uit Cisleithanïe (Oostenrijk, Bohemen, Galicië, Boekoniva en Dalmatië) en Transleithanïe (Hongarije en Kroatië) Maar deze Ausgleich heeft het nationaliteitenprobleem nooit op kunnen lossen. In de Hongaarse rijkshelft kwam het tot repressief optreden tegen de Roemenen, Kroaten, Serven en Slowaken. In Cisleithanïe ontstonden conflicten tussen liberale en centralistische tendensen enerzijds en conservatieve, federalistische en overwegend adellijke tendensen anderzijds.

Deze laatste stroming, die sinds 1879 veelal het regeringsbeleid bepaalde, bleek genegen tot concessies aan de Slavische minderheden, hetgeen leidde tot de oprichting van het Panduitse, antisemitische Verband der Deutsch-Nationalen. De leider van dit Verband, Schönerer, was een ideologische voorloper van het Duits nationaalsocialisme. Het nationaliteitenprobleem was zodanig groot, dat Oostenrijk in de praktijk als een volkomen autoritaire bureaucratie werd geregeerd. Oostenrijk ging nauwe samenwerking met Duitsland aan (Zweibund en Dreibund) en Oostenrijk-Hongarije annexeerde Bosnië-Hercegovina. De regering voelde zich bedreigd door Servië, dat zich sterk maakte voor afscheiding van de Zuid-Slavische rijksdelen.  De moord op kroonprins Franz Ferdinand door een Bosnisch-Servische nationalist in Sarajevo was de directe aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog.

Roth was niet blind voor dit alles, integendeel. Zo schetst hij hoe de zoon van de redder van de keizer zich als districtshoofd weinig gelegen liet liggen aan de niet-Oostenrijkse aspiraties: “Hij was Oostenrijker, dienaar en ambtenaar van de Habsburgers en zijn tehuis was de keizerlijke Burg in Wenen. Zo hij al politieke ideeën over een bruikbare hervorming van het grote menigvuldige rijk had, dan betroffen die de wenselijkheid om van alle kroonlanden louter grote en kleurige voorportalen van de keizerlijke Hofburg te maken en van alle volkeren van de monarchie dienaren der Habsburgers”.

Wanneer de kleinzoon op eigen verzoek naar een gebdiesdeel in het uiterste oosten van het rijk aan de grens met Rusland wordt overgeplaatst, doemt plots de kleurrijke graaf Wojciech Chojnicki in het verhaal op. Deze bleek verwant aan de Ledochoski’s en de Potocki’s, verzwagerd met de Sternbergs en bevriend met de Thuns. Potocki is een uiterst interessante naam: de Poolse graaf Jan Potocki leefde van 1761 tot 1815 en was een veelzijdig man: geleerde, schrijver, diplomaat, taalkundige, onderwijsverbeteraar, parlementslid, een van de allereerste ballonvaarders en revolutionair. Hij nam deel aan de Russische missie naar het hof van de Chinese keizer in 1805, vocht aan boord van een schip van de maltezer Ridders tegen Barbarijse piraten, bevond zich in Tanger, toen die stad werd gebombardeerd door de Spaanse vloot, en in Nederland toen de Pruisische troepen daar in 1787 binnenrukten om de opstand der patriotten te onderdrukken. In 1815 pleegde Jan Potocki zelfmoord, naar verluidt door de zilveren knop van zijn moeders theepot net zo lang bij te vijlen tot deze in de loop van zijn pistool paste. Potocki is nog heden te dage beroemd om zijn Manuscript gevonden te Zaragoza, een werkelijk magistraal werk, waarvan ik blij ben het in mijn bezit te hebben. In de jaren zestig is van deze surrealistische roman een schitterende zwart-wit film gemaakt, die ik tijdens de Rotterdamse filmdagen in 2000 heb kunnen zien, een belevenis op zich, maar dit alles geheel terzijde want voor het overige weinig meer van doen hebbend met Joseph Roth.

Terug naar Choinicki, zoals Roth hem schildert: “Ongelovig, spotlustig, onbevreesd en zonder aarzelen placht Choinicki te beweren dat de keizer een seniele oude man was, de regering een troep sukkels, de Rijksraad een verzameling goedgelovige, zielige idioten, de autoriteiten corrupt , laf en lui. De Duitse Oostenrijkers waren walsendansers en heuringzangers, de Hongaren stonken, de Tsjechen waren geboren schoenpoetsers, de Roethenen verkapte en verraderlijke Russen, de Kroaten en Slowenen, die hij Krawaten en Slawijnen noemde, borstelmakers en kastanjepoffers en de Polen, waartie hijzelf behoorde, pluimstrijkers, kappers en modefotografen”. (–) “Dit rijk moet ondergaan. Zodra onze keizer de ogen sluit, vallen we in honderd stukjes uiteen. De Balkan zal machtiger blijken dan wij. Alle volkeren zullen hun smerige kleine staatjes stichten en zelfs de joden zullen in Palestina een koninkrijk uitroepen. In Wenen stinkt het zweet van de democraten, ik kan het op de Ringstrasse niet meer uithouden. De arbeiders hebben rode vlaggen en willen niet meer werken. De burgermeester van Wenen is een gedweee huismeester. De papen lopen al mee met het volk, in de kerken wordt in het Tsjechisch gepreekt. (–)” Aldus Chojnicki volgens Joseph Roth, geschreven in 1932! Vederop zegt Chojnicki dat het vaderland niet meer bestaat, want (–): “de tijd wil ons niet meer! Deze tijd wil zelfstandige, nationale staten scheppen! Aan god wordt niet meer geloofd. De nieuwe religie is het nationalisme”.

En enkele hoofdstukken later vinden we plots het bewijs dat paus Wojtila het werk van Joseph Roth goed gelezen heeft, als dokter Skowronnek verklaart: “Het schijnt zelfs dat god de verantwoordelijkheid voor de wereld niet meer wil dragen”. Want was het niet Wojtila die onlangs zei: “Als gij niet luistert, zal ik in het geheim wenen, om die hoogmoed van u, en bittere tranen storten omdat de kudde van de Heer wordt weggevoerd (Jer. 13,17) Als ik de stad uitga, dan zie ik hen daar liggen, geveld door het zwaard. Als ik de stad inga, dan zie ik hen daar liggen, uitgeteerd door de honger (Jer. 14,1) Maar erger nog dan hongersnood is het zwijgen van god, die zich niet meer laat zien en die zich lijkt te hebben opgesloten in zijn hemel, alsof hij misselijk is van het gedrag van de mensheid”. Aldus de ongehuwde vader van deze aardse kudde in 2002!

Neen, voor mij staat vast dat Joseph Roth geen nostalgicus was, te zeer begreep hij, doorzag hij hoe de menselijke samenleving in elkaar stak en waarom de geschiedenis haar loop nam, onvermijdelijk en onomkeerbaar. De Dubbelmonarchie vormde voor Roth geen blauwdruk voor de ideale samenleving, integendeel. Maar dat alles neemt niet weg dat hij genoten moet hebben van de tijd waarin hij leefde, toen de wereld nog enigszins overzichtelijk leek en er een vreedzame en veilige orde leek te k]heersen. Juist daarom en juist vanwege de onontkoombaarheid van de geschiedenis kan hij met liefde en mildheid terugkijken op ooit eens en nooit weer.

Kortom, dit is een magistrale roman om duizend en een reden, een meesterwerk uit de wereldliteratuur. Van een ongekende schoonheid is de reeds door Benno Barnard aangehaalde scène waarin de bediende van Franz von Trotta, het districtshoofd, sterft. Maar ook op andere plaatsen ontroert Joseph Roth zijn lezers, zeker in het laatste hoofdstuk en de epiloog!

 

Enno Nuy, 2002

 

Bronnen:

Oosthoek 1968

Jan Potocki – Manuscript gevonden te Zaragoza, Wereldbibliotheek 1992

Benno Barnard – Huizingalezing 13 december 2002, NRC 14-12-2002

2018-11-02T11:59:34+00:00